Bart van den Krommenacker
852639614
Inhoudsopgave
Leereenheid 1 - De objectieve zijde van een strafbaar feit
Leereenheid 2 – De subjectieve zijde van een strafbaar feit
Leereenheid 3 – Strafuitsluitingsgronden
Leereenheid 4 – De strafbare poging en voorbereiding
Leereenheid 5 – Deelneming aan strafbare feiten
Jurisprudentie
Leereenheid 1 - De objectieve zijde van een strafbaar feit
Tekstboek De Hullu, hoofdstuk 3 par 1.1 -1.3 (8e druk: p. 147 - 152; 9e druk: p. 169-175), 2, 3 en
4 (8e druk: p. 172 - 198; 9e druk p. 197-230)
Jurisprudentie Causaliteit
- HR 23 december 1980, NJ 1981, 534, r.o. 5 (Aortaperforatie)
- HR 7 mei 1985, NJ 1985, 821, r.o. 5.2.2 en 5.2.3 (Haarlemse doodslag)
- HR 25 juni 1996, NJ 1997, 563, r.o. 5.3 tot en met 5.4.2 (Niet-behandelde longinfectie)
- HR 20 september 2005, NJ 2006, 86, r.o. 3.5 (Hevige emoties II)
- HR 13 juni 2006, NJ 2007, 48 , r.o. 3.4 (Bloedvergiftiging)
- HR 27 maart 2012, NJ 2012, 301, r.o. 2.4.1 tot en met 2.4.4 (Groninger HIV)
- HR 30 september 2003, NJ 2005, 69 (Shaken Baby)
Jurisprudentie Wederrechtelijkheid
- HR 9 februari 1971, NJ 1972, 1 (Dreigbrief) . U kunt zich beperken tot de overwegingen van de
Hoge Raad omtrent cassatiemiddel V en VI en hetgeen in de kennisclip 'Dreigbrief' is opgenomen
Daderschap
Daderschap gaat over de vraag aan wie een strafbaar feit kan worden toegerekend. In het
Nederlandse strafrecht geldt het daadstrafrecht: alleen uitwendig waarneembaar gedrag
(handelen of nalaten) kan strafbaar zijn — niet de innerlijke overtuiging (geen
Gesinnungsstrafrecht).
2. Soorten daderschap
a. Gewoon daderschap
De natuurlijke persoon begaat zelf de delictsgedraging.
→ Voorbeeld: iemand steelt persoonlijk een fiets.
b. Functioneel daderschap
Een persoon of rechtspersoon wordt verantwoordelijk gehouden voor een feit dat feitelijk door
een ander is gepleegd, omdat hij door eigen handelen of nalaten het feit heeft mogelijk gemaakt
of bevorderd.
→ Voorbeeld: een leidinggevende laat werknemers bewust zonder veiligheidsmiddelen
werken, wat leidt tot een arbo-overtreding.
Bij functioneel daderschap wordt vaak gekeken naar de beschikkingsmacht en of het gedrag
binnen de sfeer van de organisatie past.
c. Rechtspersoon als dader
Een rechtspersoon (bedrijf, vereniging, stichting) kan strafrechtelijk aansprakelijk zijn op grond
van de sociale handelingsleer.
1
,Toerekening aan de rechtspersoon hangt af van:
1. Of de gedraging binnen de sfeer van de rechtspersoon viel;
2. Of er beschikkingsmacht of zeggenschap was over het gedrag;
3. Of het handelen in het belang van de rechtspersoon was;
4. Of het gedrag naar maatschappelijke opvattingen aan de rechtspersoon kan worden
toegerekend.
→ De maatstaf is steeds redelijke toerekening: kan het feit aan de rechtspersoon worden
toegerekend gelet op de feitelijke omstandigheden?
3. Gedragsbegrip
Een gedraging hoeft niet altijd een fysieke actie te zijn; ook bewust nalaten kan een gedraging
opleveren.
Er is meestal samenhang tussen wil (subjectief) en handeling (objectief).
Het kan ook gaan om het veroorzaken van een gevolg zonder directe fysieke handeling.
→ Voorbeeld: iemand laat bewust een hek openstaan waardoor een gevaarlijke hond
ontsnapt.
Causaliteit
1. Inleiding
Causaliteit betreft de vraag of een strafrechtelijk relevant gevolg (bijv. dood, letsel, schade)
redelijkerwijs kan worden toegerekend aan de gedraging van de verdachte. Deze vraag speelt
vooral bij gevolgsdelicten zoals dood door schuld.
2. Klassieke causaliteitsleren
1. Condicio sine qua non-leer (CSQN)
o Elke factor die niet weggedacht kan worden zonder dat het gevolg wegvalt, geldt
als oorzaak.
o Equivalentietheorie: alle noodzakelijke voorwaarden tellen even zwaar.
o Te ruim: maakt geen onderscheid tussen relevante en irrelevante oorzaken.
2. Causa proxima-leer
o Alleen de meest nabije oorzaak in tijd geldt als relevant.
o Duidelijk maar onbillijk: eerdere beslissende oorzaken blijven buiten beeld.
3. Adequatietheorie (voorzienbaarheidsleer)
o Alleen gevolgen die naar algemene ervaringsregels voorzienbaar waren, worden
toegerekend.
o Objectieve toets: wat zou een gemiddeld mens voorzien hebben?
4. Redelijke toerekening (heersende leer sinds HR 23 1980 (Aortaperforatie)
o Gevolg wordt toegerekend als het redelijkerwijs binnen het perspectief van de
gedraging valt.
o Normatieve benadering: beoordeling op basis van maatschappelijke opvattingen
en rechtvaardigheid.
3. Stappenplan in de rechtspraak
Stap 1 – Condicio sine qua non
Zonder gedraging geen gevolg?
→ Nee → geen causaliteit.
→ Ja → ga naar stap 2.
Stap 2 – Alternatieve oorzaak?
Is er een andere oorzaak die het gevolg waarschijnlijk verklaart?
→ Ja, en niet hoogst onwaarschijnlijk → geen causaliteit.
→ Nee, of hoogst onwaarschijnlijk → ga naar stap 3.
Stap 3 – Redelijke toerekening (centrale toets)
Vraag: kan het gevolg redelijkerwijs aan de gedraging worden toegerekend?
2
,Belangrijke factoren:
a. Voorzienbaarheid
Lag het gevolg in de lijn der verwachting? (Adequatietheorie)
b. Tussenkomende factoren
HR Aortaperforatie (1980): medische fout doorbreekt keten niet automatisch.
HR Haarlemse doodslag (1985): bij opzet op dood blijft toerekening ondanks medische
fout.
HR Niet-behandelde longinfectie (1996): slachtoffer weigert behandeling → keten blijft als
beslissing voortvloeit uit door verdachte veroorzaakte situatie.
HR Hevige emoties II (2005): kwetsbaarheid slachtoffer doet niet af aan toerekening
(“take your victim as you find them”).
c. Alternatieve oorzaken
Alleen relevant indien niet hoogst onwaarschijnlijk.
→ HR Bloedvergiftiging (2006); HR Groninger HIV (2012):
HR Groninger HIV (2012)
Bij alternatieve causaliteit kan een gevolg toch aan de verdachte worden toegerekend als:
1. de gedraging van de verdachte een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de
gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid; én
2. met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid dat gevolg door die gedraging is
veroorzaakt.
Of daarvan sprake is, hangt af van de omstandigheden:
De gedraging moet naar haar aard geschikt zijn om het gevolg teweeg te brengen;
en op grond van ervaringsregels moet aannemelijk zijn dat zij dit gevolg heeft
veroorzaakt.
De rechter mag betrekken of andere mogelijke oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot het
gevolg hebben geleid.
In dit arrest werd uiteindelijk geen causaal verband aangenomen, maar de Hoge Raad
benadrukte dat ook bij onzekerheid over de exacte oorzaak redelijke toerekening mogelijk blijft
als aan deze voorwaarden is voldaan.
d. Tijd/afstand
Hoe groter de afstand tussen gedraging en gevolg, hoe minder snel toerekening.
Stap 4 – Eindoordeel
Bij redelijke toerekening → causaal verband aanwezig.
4. Overwegingen bij redelijke toerekening
Aard en ernst van de gedraging.
Schuldvorm (opzet/culpa).
Voorzienbaarheid en ervaringsregels.
Ondersteuning door klassieke theorieën.
Eigen bijdrage van slachtoffer of derde → ketenbreking slechts bij uitzonderlijke
omstandigheden.
Causaliteit in het geval van nalaten
1. Uitgangspunt
Bij nalaten kan causaliteit slechts worden aangenomen als het niet-handelen de kans op het
gevolg aanzienlijk heeft vergroot.
→ Zie o.a. Shaken-baby-jurisprudentie.
3
, 2. Vereisten
1. Rechtsplicht tot handelen – de verdachte moest redelijkerwijs ingrijpen (bijv. ouder, arts,
toezichthouder).
2. Aanmerkelijke kans – het nalaten moet de kans op het gevolg wezenlijk hebben
verhoogd.
3. Redelijke toerekening – het gevolg moet binnen de risicosfeer van het nalaten vallen.
3. Toepassing
Toerekening vindt plaats indien:
Het nalaten voorzienbaar en verwijtbaar was; én
Actief handelen het gevolg waarschijnlijk had kunnen voorkomen.
Volledige zekerheid over causaliteit is niet vereist; voldoende is dat het nalaten een wezenlijke
schakel was in het ontstaan van het gevolg.
Wederrechtelijkheid en facetwederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid betekent dat de gedraging in strijd is met het recht, los van de intentie van de
dader.
Het vormt de objectieve component van strafbaarheid.
Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
Formele wederrechtelijkheid: de gedraging voldoet aan de delictsomschrijving.
Materiële wederrechtelijkheid: de gedraging vormt een ontoelaatbare schending van het
beschermde rechtsgoed.
2. Als delictsbestanddeel
Sommige delicten noemen wederrechtelijkheid expliciet, bijvoorbeeld:
Art. 138 Sr (huisvredebreuk) – “wederrechtelijk binnendringen”.
Art. 350 Sr (vernieling) – “opzettelijk en wederrechtelijk”.
In deze gevallen maakt wederrechtelijkheid deel uit van de bewezenverklaring. Ontbreekt zij (bijv.
toestemming of bevoegdheid), dan volgt vrijspraak.
3. Rechtspraak
De Hoge Raad hanteert een ruime uitleg: gedrag is wederrechtelijk wanneer het in strijd is met
het recht of met maatschappelijke betamelijkheid.
→ HR Dreigbrief: ook als iemand meent een recht te hebben, kan sprake zijn van wederrechtelijk
oogmerk als zijn gedrag de maatschappelijke grenzen overschrijdt.
4. Facetwederrechtelijkheid
Bij bepaalde delicten heeft ‘wederrechtelijk’ een specifieke, beperkte betekenis (het ‘facet’ van
wederrechtelijkheid).
Ontbreekt dat facet — bijvoorbeeld bij handelen mét toestemming of vergunning — dan ontbreekt
wederrechtelijkheid → vrijspraak.
Geen vaste lijn in de rechtspraak:
Milieudelicten → wederrechtelijkheid vaak nauw gekoppeld aan vergunningplicht.
Vermogensdelicten → wederrechtelijkheid geïntegreerd in het bestanddeel;
rechtvaardigingsgronden moeten binnen de bewezenverklaring worden afgewogen.
→ HR Dreigbrief: bevestigt dat gedrag ook zonder expliciete wetschending
wederrechtelijk kan zijn, indien het ernstig strijdt met maatschappelijke betamelijkheid.
Leereenheid 2 – De subjectieve zijde van een strafbaar feit
4