Hoofdstuk 2
2.1
Lichaamsvormen- je lichaam past zich aan, aan de omgeving waar je leeft
Eencellig- een dier dat uit 1 cel bestaat
Er bestaan verschillende soorten eencellige, ze worden ingedeeld op de manier
waarop ze bewegen. Enkele soorten:
Schijnvoetjes- zich voort bewegen met uitstulpingen van het cytoplasma.(amoebes)
Trilharen- bewegen door de trilharen.(pantoffeldiertjes)
Zweepdraden- met zweepdraden kan je, je ook mee voortbewegen(zweepdiertjes)
Meercellige dieren- ze hebben gespecialiseerde organen en orgaanstelsels. Wij zijn
ook meercellige. Meercellige kunnen heel verschillend zijn.
3 eigenschappen van eencellige (organellen, deling, zichtbaarheid)
2.2
Bewegen- dieren bewegen zich op verschillende manieren voort
Zoolgangers- dieren waarvan de voetzool de hele grond raakt noemen
we zoolgangers
Teengangers- de meeste vleeseters zijn teengangers, dit betekend dat
ze op hun tenen lopen, ze kunnen veel harder rennen dan andere
dieren
Hoefgangers-raken alleen de toppen van de tenen, ze kunnen zich snel
voortbewegen.
Drie soorten veren
Donsveren- houden de vogel warm.
Slagpennen- daar kan de vogel mee voorruit en omhoog komen.
Staartpennen- daar kan de vogel mee sturen en remmen.
Vleugelprofiel- de vleugel heeft een speciale , ronde vorm dat heet het vleugelprofiel
Liftkracht- lezen in boek!!!
Staartvin- kan de vis zich mee voortbewegen.
Torpedovormig- door deze gestroomlijnde vorm kan een vis gemakkelijk door het
water zich voortbewegen.
Zwemblaas- de zwemblaas is gevuld meet gas, hierdoor blijft een vis altijd drijven
ook al beweegt die zich niet.
Borstvinnen- door de beweging van hun borstvinnen kunnen haaien en roggen
vooruit en omhoog bewegen.
2.1
Lichaamsvormen- je lichaam past zich aan, aan de omgeving waar je leeft
Eencellig- een dier dat uit 1 cel bestaat
Er bestaan verschillende soorten eencellige, ze worden ingedeeld op de manier
waarop ze bewegen. Enkele soorten:
Schijnvoetjes- zich voort bewegen met uitstulpingen van het cytoplasma.(amoebes)
Trilharen- bewegen door de trilharen.(pantoffeldiertjes)
Zweepdraden- met zweepdraden kan je, je ook mee voortbewegen(zweepdiertjes)
Meercellige dieren- ze hebben gespecialiseerde organen en orgaanstelsels. Wij zijn
ook meercellige. Meercellige kunnen heel verschillend zijn.
3 eigenschappen van eencellige (organellen, deling, zichtbaarheid)
2.2
Bewegen- dieren bewegen zich op verschillende manieren voort
Zoolgangers- dieren waarvan de voetzool de hele grond raakt noemen
we zoolgangers
Teengangers- de meeste vleeseters zijn teengangers, dit betekend dat
ze op hun tenen lopen, ze kunnen veel harder rennen dan andere
dieren
Hoefgangers-raken alleen de toppen van de tenen, ze kunnen zich snel
voortbewegen.
Drie soorten veren
Donsveren- houden de vogel warm.
Slagpennen- daar kan de vogel mee voorruit en omhoog komen.
Staartpennen- daar kan de vogel mee sturen en remmen.
Vleugelprofiel- de vleugel heeft een speciale , ronde vorm dat heet het vleugelprofiel
Liftkracht- lezen in boek!!!
Staartvin- kan de vis zich mee voortbewegen.
Torpedovormig- door deze gestroomlijnde vorm kan een vis gemakkelijk door het
water zich voortbewegen.
Zwemblaas- de zwemblaas is gevuld meet gas, hierdoor blijft een vis altijd drijven
ook al beweegt die zich niet.
Borstvinnen- door de beweging van hun borstvinnen kunnen haaien en roggen
vooruit en omhoog bewegen.