Bio 1.4 en 1.5
De 7 levenskenmerken
Dood: ooit heeft geleefd
Levenloos: als het nooit heeft geleefd
Levensmerken: iets is levend als het alle 7 levenskenmerken vertoont.
(bewegen): je beweegt
(voeden): je eet
(ademhalen):je haalt adem
(uitscheiden):je scheidt uit bijv. afvalproducten
(waarnemen):het reageren op een prikkel uit de omgeving
(voortplanten):organismen planten zich voort
(groeien):hier bedoelen ze het krijgen van meer cellen
1.5
Je lichaam bestaat uit cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels. Elke cel maat deel uit
van een groep cellen met dezelfde vorm en taak : een weefsel
Organismen hebben organen voor het uitvoeren van verschillende taken. Organen maken
deel uit van een orgaanstelsel, elk orgaanstelsel heeft weer een eigen taak in het
organisme
WEEFSEL
Dekweefsel: bestaat uit cellen die samenwerken om een lichaamsdeel of een lichaamsholte
te bedekken. (bijv. de huid en het weefsel dat de wanden van organen bedeken.)
Spierweefsel: bestaat uit cellen die samen kunnen trekken. Trekken alle spieren tegelijk
samen, dan trekt de hele spier zich samen. Spierweffcsel vind je bijvoorbeeld bij de wand
van je maag en hart.
Bindweefsel: vind je in alle organen van een mens. Dit weefsel geeft steun aan andere
weefsels en bindt de verschillende weefsels samen. Bindweefsel geeft organen hun vorm.
(Bindweefsel vind je bijv. in je botten in je bloed.)
De 7 levenskenmerken
Dood: ooit heeft geleefd
Levenloos: als het nooit heeft geleefd
Levensmerken: iets is levend als het alle 7 levenskenmerken vertoont.
(bewegen): je beweegt
(voeden): je eet
(ademhalen):je haalt adem
(uitscheiden):je scheidt uit bijv. afvalproducten
(waarnemen):het reageren op een prikkel uit de omgeving
(voortplanten):organismen planten zich voort
(groeien):hier bedoelen ze het krijgen van meer cellen
1.5
Je lichaam bestaat uit cellen, weefsels, organen en orgaanstelsels. Elke cel maat deel uit
van een groep cellen met dezelfde vorm en taak : een weefsel
Organismen hebben organen voor het uitvoeren van verschillende taken. Organen maken
deel uit van een orgaanstelsel, elk orgaanstelsel heeft weer een eigen taak in het
organisme
WEEFSEL
Dekweefsel: bestaat uit cellen die samenwerken om een lichaamsdeel of een lichaamsholte
te bedekken. (bijv. de huid en het weefsel dat de wanden van organen bedeken.)
Spierweefsel: bestaat uit cellen die samen kunnen trekken. Trekken alle spieren tegelijk
samen, dan trekt de hele spier zich samen. Spierweffcsel vind je bijvoorbeeld bij de wand
van je maag en hart.
Bindweefsel: vind je in alle organen van een mens. Dit weefsel geeft steun aan andere
weefsels en bindt de verschillende weefsels samen. Bindweefsel geeft organen hun vorm.
(Bindweefsel vind je bijv. in je botten in je bloed.)