Hoofdstuk 1
Nederland wordt bestuurd (het openbaar bestuur) op verschillend niveaus: gemeentelijk,
provinciaal en landelijk.
Gemeentelijk: het college van burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor het
dagelijks bestuur en deze wordt gecontroleerd door de gemeenteraad. De gemeenteraad
wordt eens in de 4 jaar gekozen.
Provinciaal: het college van gedupeerde staten is verantwoordelijk voor het dagelijkse
bestuur van de provincie en voerentoezicht uit op de gemeentes. De provincie heeft vooral
toezichthoudende functie.
Landelijk: de regering vormt het bestuur. De regering bestaat uit de koning en de ministers
en deze worden gecontroleerd door het parlement.
Het openbaar bestuur van Nederland mag geen eigen belangen behartigen, maar moet de
algemene belangen behartigen. Het openbaar bestuur reguleert en stuurt burgers bij het
verrichten van publieke taken, denk aan subsidie voor een sportvereniging om de
volksgezondheid te vorderen.
Openbaar bestuur komt voor op centraal (rijk) en decentraal (provincies, gemeentes en
waterschappen) niveau. Er zijn verschillend soorten bestuursbevoegdheden mogelijk op
decentraal niveau namelijk:
Autonome bestuursbevoegdheden (autonomie): de gemeenten en provincies
kunnen beslissingen maken voor hun regio omdat dat in het belang is voor hun
specifieke regio. Bijvoorbeeld: een verbod op wildplassen, sluitingstijden van de
horecagelegenheden etc.
Bestuursbevoegdheden op grond van medebewind: het decentrale bestuur moet
(verplichte) medewerking bieden aan de uitvoering van wetten in formele zin die op
rijksniveau door de wetgever zijn gemaakt. Bijvoorbeeld: in de wet algemene
bepalingen omgevingswet (Wabo) is er een vergunning nodig voor activiteiten die de
omgeving beïnvloeden. Het decentrale bestuur is aangewezen om een dergelijke
beslissing te maken (denk aan Drank & Horeca wet, Wabo, Participatiewet).
De nachtwakersstaat: de overheid bemoeit zich heel beperk met het maatschappelijk leven
(de burgers)
De verzorgingsstaat: de overheid bemoeit zich met vrijwel alle aspecten van het
maatschappelijk leven. Ze zorgen hierbij ook voor een goed kwalitatief menselijk bestaan.
, Het bestuursrechtlegaliteitsbeginsel: het bestuur mag niet handelen tenzij er in de wet staat
dat dit wel mag.
Het legaliteitsbeginsel wordt zo belangrijk geacht omdat het bestuurshandelen beter
voorspelbaar wordt, omdat de bevoegdheid dus in de wet staat. Dit beginsel waarborgt de
vrijheid voor burgers en biedt tevens rechtszekerheid en rechtsgelijkheid.
Het specialiteitsbeginsel: iedere bestuursbevoegdheid is voor een bepaald doel in het leven
geroepen. Deze bestuursbevoegdheid mag alleen ingezet worden om dit bepaalde doel te
behartigen.
Een bestuursbevoegdheid is een publiekrechtelijke bevoegdheid die door een
bestuursorgaan wordt uitgevoerd. De publiekrechtelijke macht is onderverdeeld in
wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende.
Het formeel bestuursrecht: de procedure die door het bestuur gevolgd moet worden bij het
aken van een besluit (bestuursprocesrecht en besluitvormingsrecht) H2 t/m 5 Awb ->
besluitvormingswet. H2 en 6 t/m 8 Awb -> bestuursprocesrecht. Bestuursprocesrecht regelt
de procedures bij bestuursorganen en besluitvormingsrecht geeft regels over de
totstandkoming van besluiten bij bestuursorganen.
Het materieel bestuursrecht: heeft betrekking op de inhoud van besluiten, rechten en
plichten van beide partijen, het gaat er vaak over wat verboden of gebonden is. Het grootste
deel (niet alles) van het materiele bestuursrecht staat in de bijzondere bestuurswetten of in
H3 Awb.
Bijzonder bestuursrecht: wetten die zich bezighouden met een bepaald aspect van het
maatschappelijk leven (socialezekerheidswet, economisch bestuursrecht etc.). Deze wetten
hebben beperkte en doel gebonden bevoegdheden en staan boven algemene wetten (Awb).
Algemeen bestuursrecht: wetten die op alle delen van het bijzonder bestuursrecht relevant
zijn. Dit is vooral te vinden in de Awb. De Awb heeft een gelaagde structuur, de regels gaan
van algemeen naar specifiek.
Het algemene bestuursrecht vervangt het bijzondere bestuursrecht niet! Bijzonder
bestuursrecht gaat boven het algemeen bestuursrecht. Als er in de bijzondere bestuurswet
wordt afgeweken van de algemene bestuurswet moet je het bijzondere bestuursrecht
volgen. De bijzondere bestuurswet en de algemene bestuurswet gangen dus met elkaar
samen.
Discretionaire bevoegdheid: De wet is zo gemaakt dat het bestuursorgaan ruimte heeft om
in te spelen in specifieke omstandigheden die zich voor kunnen doen. Het bestuur heeft een
discretionaire bevoegdheid; redelijke (beslissing)vrijheid om tot een bepaald besluit te
komen. Heeft te maken met de doelstellingen.