Methodiek Maatschappelijke Activering
Inleiding
Waarom een vak als methodiek maatschappelijke activering:
- ‘Activering’ is een sleutelbegrip in het sociaal werk én in het beleid. Het
verwijst naar de inzet om mensen te laten deelnemen aan de samenleving:
door werk, door engagement of door andere vormen van maatschappelijke
participatie. Activering wordt vaak voorgesteld als een oplossing voor
uiteenlopende maatschappelijke uitdagingen: het begrotingstekort, het
bevorderen van gelijke kansen, of het versterken van sociale cohesie.
- Het begrip is nauw verbonden met de actieve welvaartsstaat. Waar de
klassieke welvaartsstaat vooral focuste op bescherming en herverdeling,
benadrukt de actieve welvaartsstaat participatie en inzetbaarheid. De
historische evolutie hiervan en de implicaties voor het sociaal beleid wordt
verder uitgewerkt in het eerste hoofdstuk.
- Het tweede hoofdstuk focust op het brede begrip van activering en maakt de
link met het sociaal werk. We staan stil bij de praktische invulling van
activering in teken van tewerkstelling in hoofdstuk drie, om in hoofdstuk vier
te komen tot de methodiek maatschappelijke activering. In deze invulling van
het begrip slaat activering op het ‘volwaardig participeren aan de
samenleving’. We bekijken wie er niet zomaar volwaardig kan participeren, en
op welke manier sociaal werk hier mee aan de slag gaat.
Hoofdstuk 1: Van klassieke naar actieve welvaartstaat: Historisch en
Beleidsmatig Kader
1.1. Inleiding: Definitie welvaartsstaat
(Deleeck & Cantillon, 2003): De welvaartsstaat kan omschreven worden als de
samenlevingsvorm van sommige rijke geïndustrialiseerde landen waarbij een aantal
grondrechten van de burger, met het oog op zijn materiële welvaart en de
bevordering van zijn kansen tot ontplooiing, binnen een wettelijk raamwerk, effectief
gewaarborgd worden. Dit alles in het raam van de parlementaire democratie, en met
behoud van de vrije markt-economische productiewijze.
Welvaartsstaat als fundament van het sociaal beleid in West-Europa.
1.2. De klassieke welvaartstaat: bescherming via herverdeling
1
,1.3. De crisis van de klassieke WVS (1970-1990)
Oliecrisis 1973 als gevolg van opzettelijke productiebeperking en prijsverhoging uit
protest tegen de Westerse steun aan Israël in de Jom Kipoeroorlog.
De crisis van de klassieke WVS (1970-1990):
- Structurele economische veranderingen: van industrie naar kenniseconomie +
emancipatie van vrouwen, echtscheidingen, eenpersoonshuishoudens, diverse
gezinsvormen, … nieuwe sociale risico’s: langdurige werkloosheid bij
laaggeschoolde burgers, inkomensverlies bij gezinsbreuk, …: vertraagde groei
+ oplopende sociale uitgaven
- Teveel sociale risico’s voor de klassieke welvaartstaat: meer uitgaven dan
inkomsten
Gevolgen nieuwe sociale risico’s:
1.4. De Actieve WVS
1.4.1. 1990: van bescherming naar activering
Activeringsdiscours centraal:
- Arbeid als sociale beschermingsmechanisme
o Economische onafhankelijkheid
o Volwaardige participatie aan de samenleving
o poortticket naar sociale integratie, waardigheid en inclusie
o Financiële motor: wie werk, betaalt belastingen en sociale bijdragen
- Gevolg: Sociale rechten worden voorwaardelijk
o Recht op steun, mits plicht tot inzet
o Van automatische uitkeringen naar actief bemiddelen, bijscholen,
solliciteren
o Individuele verantwoordelijkheid centraal: wie kan werken, moet werken!
1.4.2. 2000: van vangnet naar trampoline
Sociaal investeringsparadigma: niet alleen mensen activeren wanneer ze uitvallen,
maar vooral vroeg en gericht investeren in hun capaciteiten, zodat ze niet uitvallen.
- Nadruk op menselijk kapitaal: investeren in vaardigheden, gezondheid,
opleiding, …
- Bv
o Kinderopvang en ondersteuning jonge gezinnen
o Onderwijshervormingen gericht op gelijke onderwijskansen en
talentontwikkeling
o Levenslang leren en competentieontwikkeling
o Preventieve gezondheidszorg
Sociale investeringsstaat: combinatie sociale rechtvaardigheid met economische
rationaliteit.
1.4.3. 2016 - … arbeidsparticipatie als voorwaarde voor hulp- en
dienstverlening
2
, Verstrenging en verenging van arbeid als toegangspoort tot sociale rechten.
- Bv 2016: verplichting OCMW leefloon koppelen aan GPMI: activeringstraject
als voorwaarde voor recht op leefloon
80%-doelstelling als beleidsanker:
- Begrotingsmodellen obv 80%
- Sociale investeringen beoordeeld op bijdrage arbeidsdeelname
- Beleidsmaatregelen zoals bv degressiviteit van uitkeringen en verplichte
activeringstrajecten worden gerechtvaardigd vanuit deze macrodoelstelling
Arbeidsactivering wordt niet meer in vraag gesteld. Wij (de goeien die werken) vs zij
(the othering, degenen die niet kunnen, niet willen en niet mogen).
1.5. Politieke visies op de welvaartsstaat, sociale zekerheid en activering
Belang van werk door niemand ontkend… maar sterke verschillen over visie op WVS,
sociale zekerheid en activeringsbeleid: obv visies op:
De visie op de welvaartsstaat, sociale zekerheid en activeringsbeleid verschilt sterk
tussen politieke partijen. Deze verschillen zijn gebaseerd op ideologische
uitgangspunten over de rol van de staat, individuele verantwoordelijkheid, solidariteit
en sociale rechtvaardigheid.
Liberale partijen (zoals Open VLD) benadrukken individuele vrijheid, marktwerking en
responsabilisering. Zij pleiten voor een slanke overheid en zien activering vooral als
een middel om mensen zo snel mogelijk terug aan het werk te krijgen. Uitkeringen
mogen niet passiverend zijn en moeten gekoppeld worden aan strikte voorwaarden.
Volgens liberalen moet de sociale zekerheid herzien worden om duurzaam betaalbaar
te blijven.
Socialistische partijen (zoals Vooruit) leggen de nadruk op solidariteit, herverdeling
en bescherming van de zwakkeren. Zij zien de welvaartsstaat als een waarborg voor
gelijke kansen en willen investeren in sociale bescherming en openbare diensten.
Activering mag volgens hen geen bestraffing worden, maar moet mensen echt
kansen bieden via opleiding, begeleiding en sociale ondersteuning.
Christen-democratische partijen (zoals CD&V) zoeken het evenwicht tussen
solidariteit en verantwoordelijkheid. Ze vertrekken vanuit het subsidiariteitsprincipe
en hechten veel belang aan het middenveld (vakbonden, mutualiteiten,
verenigingen). Zij beschouwen activering als noodzakelijk, maar pleiten ook voor
zorgzame trajecten die rekening houden met gezin en context.
Groene partijen (zoals Groen) combineren aandacht voor sociale rechtvaardigheid
met duurzaamheid. Ze willen een welvaartsstaat die investeert in welzijn, preventie
en inclusieve groei. Ze pleiten voor een brede benadering van arbeid, inclusief
vrijwilligerswerk, zorgtaken en participatie buiten de klassieke arbeidsmarkt.
Vlaams-nationalistische partijen (zoals N-VA) leggen sterk de nadruk op activering en
het beperken van uitkeringsafhankelijkheid. Ze willen striktere voorwaarden voor
sociale uitkeringen, meer controle en responsabilisering van werkzoekenden. Tegelijk
pleiten ze voor het overhevelen van sociale bevoegdheden naar het Vlaamse niveau
3
Inleiding
Waarom een vak als methodiek maatschappelijke activering:
- ‘Activering’ is een sleutelbegrip in het sociaal werk én in het beleid. Het
verwijst naar de inzet om mensen te laten deelnemen aan de samenleving:
door werk, door engagement of door andere vormen van maatschappelijke
participatie. Activering wordt vaak voorgesteld als een oplossing voor
uiteenlopende maatschappelijke uitdagingen: het begrotingstekort, het
bevorderen van gelijke kansen, of het versterken van sociale cohesie.
- Het begrip is nauw verbonden met de actieve welvaartsstaat. Waar de
klassieke welvaartsstaat vooral focuste op bescherming en herverdeling,
benadrukt de actieve welvaartsstaat participatie en inzetbaarheid. De
historische evolutie hiervan en de implicaties voor het sociaal beleid wordt
verder uitgewerkt in het eerste hoofdstuk.
- Het tweede hoofdstuk focust op het brede begrip van activering en maakt de
link met het sociaal werk. We staan stil bij de praktische invulling van
activering in teken van tewerkstelling in hoofdstuk drie, om in hoofdstuk vier
te komen tot de methodiek maatschappelijke activering. In deze invulling van
het begrip slaat activering op het ‘volwaardig participeren aan de
samenleving’. We bekijken wie er niet zomaar volwaardig kan participeren, en
op welke manier sociaal werk hier mee aan de slag gaat.
Hoofdstuk 1: Van klassieke naar actieve welvaartstaat: Historisch en
Beleidsmatig Kader
1.1. Inleiding: Definitie welvaartsstaat
(Deleeck & Cantillon, 2003): De welvaartsstaat kan omschreven worden als de
samenlevingsvorm van sommige rijke geïndustrialiseerde landen waarbij een aantal
grondrechten van de burger, met het oog op zijn materiële welvaart en de
bevordering van zijn kansen tot ontplooiing, binnen een wettelijk raamwerk, effectief
gewaarborgd worden. Dit alles in het raam van de parlementaire democratie, en met
behoud van de vrije markt-economische productiewijze.
Welvaartsstaat als fundament van het sociaal beleid in West-Europa.
1.2. De klassieke welvaartstaat: bescherming via herverdeling
1
,1.3. De crisis van de klassieke WVS (1970-1990)
Oliecrisis 1973 als gevolg van opzettelijke productiebeperking en prijsverhoging uit
protest tegen de Westerse steun aan Israël in de Jom Kipoeroorlog.
De crisis van de klassieke WVS (1970-1990):
- Structurele economische veranderingen: van industrie naar kenniseconomie +
emancipatie van vrouwen, echtscheidingen, eenpersoonshuishoudens, diverse
gezinsvormen, … nieuwe sociale risico’s: langdurige werkloosheid bij
laaggeschoolde burgers, inkomensverlies bij gezinsbreuk, …: vertraagde groei
+ oplopende sociale uitgaven
- Teveel sociale risico’s voor de klassieke welvaartstaat: meer uitgaven dan
inkomsten
Gevolgen nieuwe sociale risico’s:
1.4. De Actieve WVS
1.4.1. 1990: van bescherming naar activering
Activeringsdiscours centraal:
- Arbeid als sociale beschermingsmechanisme
o Economische onafhankelijkheid
o Volwaardige participatie aan de samenleving
o poortticket naar sociale integratie, waardigheid en inclusie
o Financiële motor: wie werk, betaalt belastingen en sociale bijdragen
- Gevolg: Sociale rechten worden voorwaardelijk
o Recht op steun, mits plicht tot inzet
o Van automatische uitkeringen naar actief bemiddelen, bijscholen,
solliciteren
o Individuele verantwoordelijkheid centraal: wie kan werken, moet werken!
1.4.2. 2000: van vangnet naar trampoline
Sociaal investeringsparadigma: niet alleen mensen activeren wanneer ze uitvallen,
maar vooral vroeg en gericht investeren in hun capaciteiten, zodat ze niet uitvallen.
- Nadruk op menselijk kapitaal: investeren in vaardigheden, gezondheid,
opleiding, …
- Bv
o Kinderopvang en ondersteuning jonge gezinnen
o Onderwijshervormingen gericht op gelijke onderwijskansen en
talentontwikkeling
o Levenslang leren en competentieontwikkeling
o Preventieve gezondheidszorg
Sociale investeringsstaat: combinatie sociale rechtvaardigheid met economische
rationaliteit.
1.4.3. 2016 - … arbeidsparticipatie als voorwaarde voor hulp- en
dienstverlening
2
, Verstrenging en verenging van arbeid als toegangspoort tot sociale rechten.
- Bv 2016: verplichting OCMW leefloon koppelen aan GPMI: activeringstraject
als voorwaarde voor recht op leefloon
80%-doelstelling als beleidsanker:
- Begrotingsmodellen obv 80%
- Sociale investeringen beoordeeld op bijdrage arbeidsdeelname
- Beleidsmaatregelen zoals bv degressiviteit van uitkeringen en verplichte
activeringstrajecten worden gerechtvaardigd vanuit deze macrodoelstelling
Arbeidsactivering wordt niet meer in vraag gesteld. Wij (de goeien die werken) vs zij
(the othering, degenen die niet kunnen, niet willen en niet mogen).
1.5. Politieke visies op de welvaartsstaat, sociale zekerheid en activering
Belang van werk door niemand ontkend… maar sterke verschillen over visie op WVS,
sociale zekerheid en activeringsbeleid: obv visies op:
De visie op de welvaartsstaat, sociale zekerheid en activeringsbeleid verschilt sterk
tussen politieke partijen. Deze verschillen zijn gebaseerd op ideologische
uitgangspunten over de rol van de staat, individuele verantwoordelijkheid, solidariteit
en sociale rechtvaardigheid.
Liberale partijen (zoals Open VLD) benadrukken individuele vrijheid, marktwerking en
responsabilisering. Zij pleiten voor een slanke overheid en zien activering vooral als
een middel om mensen zo snel mogelijk terug aan het werk te krijgen. Uitkeringen
mogen niet passiverend zijn en moeten gekoppeld worden aan strikte voorwaarden.
Volgens liberalen moet de sociale zekerheid herzien worden om duurzaam betaalbaar
te blijven.
Socialistische partijen (zoals Vooruit) leggen de nadruk op solidariteit, herverdeling
en bescherming van de zwakkeren. Zij zien de welvaartsstaat als een waarborg voor
gelijke kansen en willen investeren in sociale bescherming en openbare diensten.
Activering mag volgens hen geen bestraffing worden, maar moet mensen echt
kansen bieden via opleiding, begeleiding en sociale ondersteuning.
Christen-democratische partijen (zoals CD&V) zoeken het evenwicht tussen
solidariteit en verantwoordelijkheid. Ze vertrekken vanuit het subsidiariteitsprincipe
en hechten veel belang aan het middenveld (vakbonden, mutualiteiten,
verenigingen). Zij beschouwen activering als noodzakelijk, maar pleiten ook voor
zorgzame trajecten die rekening houden met gezin en context.
Groene partijen (zoals Groen) combineren aandacht voor sociale rechtvaardigheid
met duurzaamheid. Ze willen een welvaartsstaat die investeert in welzijn, preventie
en inclusieve groei. Ze pleiten voor een brede benadering van arbeid, inclusief
vrijwilligerswerk, zorgtaken en participatie buiten de klassieke arbeidsmarkt.
Vlaams-nationalistische partijen (zoals N-VA) leggen sterk de nadruk op activering en
het beperken van uitkeringsafhankelijkheid. Ze willen striktere voorwaarden voor
sociale uitkeringen, meer controle en responsabilisering van werkzoekenden. Tegelijk
pleiten ze voor het overhevelen van sociale bevoegdheden naar het Vlaamse niveau
3