MENS EN MAATSCHAPPIJ: TIJD
INHOUDEN
1. DE TIJDSBALK
In de loop van de basisschool leren de kinderen dat men de tijd kan structureren door hem in te delen in
periodes. Deze indeling vormt dan een referentiekader om nieuwe begrippen en gebeurtenissen te situeren.
Deze indeling - visueel voorgesteld op een tijdband – is evenwel slechts een hulpmiddel en geen doel op zich.
In het basisonderwijs maken de kinderen kennis met volgende indelingen:
De indeling in 3 samenlevingsvormen de wijze waarop de mens in zijn levensonderhoud voorziet:
de nomadische samenlevingsvorm: rondtrekken
de agrarische samenlevingsvorm: eerste vesteging en landbouw
de industriële samenlevingsvorm: meeste mensen leven al in steden, fabrieken
De indeling in historische periodes verwijst naar de indeling van de Europese geschiedenis
GO! En OVSG
1. Prehistorie (van ? tot ontwikkeling van het schrift ca. 3800 v.C.)
2. Oudheid (tot ca. 500 n.C. - val W-Romeinse Rijk)
3. Middeleeuwen (tot ca.1500 - ontdekking Amerika)
4. Nieuwe tijden (tot 1945- einde WO II)
5. Onze tijd (vanaf 1945)
VGO
1. Prehistorie / oudheid (tot ca. 500 n.C)
2. Middeleeuwen (van ca. 500 tot ca. 1500)
3. Nieuwe tijden (van ca. 1500 tot 'onze tijd')
4. Onze tijd (de tijd waarin het voor leerlingen nog mogelijk is om levende getuigen te ontmoeten)
Men kan geen precieze datum zetten op het begin en het einde van een periode. Het gaat hier immers om
grote tendensen in onze West-Europese geschiedenis die ergens een aanloop kennen.
OVERZICHT VAN DE PERIODES.
DE PREHISTORIE /OUDHEID.
1. DE OERTIJD ( ....- 5000 V. CHR.)
Tijd vanaf het ontstaan van de aarde. De mens leeft als nomade.
Begindatum:
De datum ontbreekt omdat hij zeer moeilijk te plaatsen is.
Waar begint het bestaan van de mens precies?
Nieuwe archeologische vondsten spelen hierbij ook een belangrijke rol.
Overgang
Men leefde van de jacht. Door omgang met het wild kreeg de mens een betere kennis van de dieren.
Deze kennis maakte het mogelijk wilde dieren te temmen en zo tot veeteelt te komen.
Daarnaast leefde men van de vruchtenpluk. De kennis van wilde graansoorten zou het zelf telen van
graan mogelijk maken. Zo kwam de mens tot landbouw.
1
,2. DE NEDERZETTINGENTIJD ( 5000 V. CHR. -1200 V. CHR. )
De mensen gaan zich nederzetten, m.a.w. op een vaste verblijfplaats wonen.
Begin-en einddatum:
Rond 5000 v. Chr. krijgt men vrij algemeen een sedentaire levenswijze. (vestiging). Er verschenen de
eerste boeren.
Als in einddatum werd 1200 v. Chr. gekozen omdat rond die periode de IJzertijd doorbreekt. Het
ontdekken van metalen geeft aan bepaalde volkeren een superioriteit.
Overgang:
Nederzettingen die bijzonder gunstig gelegen waren voor landbouw en veeteelt krijgen
voedseloverschotten. Deze overschotten gaan ze ruilen tegen andere producten die hen rijk en
machtig maakten.
Zo groeiden 3 kernen uit de wereldrijken:
o Midden - Oosten : Egypte, Mesopotamië
o Midden - en Zuid-Amerika
o Verre Oosten : Indië en China
3. DE EERSTE WERELDRIJKEN ( 3000 V. CHR. - 300 V. CHR. )
Voor het eerst ontstaan “beschavingen”: machtige rijken met een hiërarchische organisatie.
Koningen en goden spelen een vooraanstaande rol.
Begin-en einddatum:
Egypte wordt exemplarisch besproken als één van de Eerste Wereldrijken. De grote bloei begint rond
3000 v. Chr. Als einddatum werd 300 v. Chr. gekozen omdat Egypte in 331 v. Chr. veroverd werd door
de Griek Alexander De Grote.
Overgang
Tijdens de Eerste Wereldrijken bestond een drukke handel. De Grieken kwamen in contact met de
kennis van het Oosten en werden weldra zelf om hulp en advies gevraagd. Na de Grieken gingen ook
de Romeinen een rol spelen. Zo ontstonden nu machtige rijken op basis van kennis en kunde.
4. DE GRIEKS-ROMEINSE PERIODE ( 700 V. CHR.- 500 NA CHR.)
Nieuwe machtige rijken ontstaan: Griekenland en Rome.
Begin- en einddatum:
In Griekenland hebben in 776 v. Chr. de eerste Olympische Spelen plaats. Rond dezelfde periode
situeert zich ook het begin van de Griekse kolonisatie. 753 v. Chr. stichting van Rome.
In 476 valt het West- Romeinse Rijk in handen van de Germanen.
Overgang:
De middeleeuwse maatschappij werd gebouwd op 3 pijlers.
o De Grieks - Romeinse traditie
o De invloed van de Germanen
o Het christendom.
2
, DE MIDDELEEUWEN (500 - 1500)
1. DE TIJD VAN DE BOEREN, RIDDERS EN MONNIKEN ( 500 - 1200 ) .
In deze periode kunnen we de samenleving indelen in 3 standen: de boeren, ridders en monniken.
Begindatum:
Rond 500 situeren zich de invallen van de Germanen.
Overgang:
Door de kruistochten herleefde de handel. Er kwamen meer en meer handelaars die vaste
vestigingsplaatsen zochten. Zo ontstonden op belangrijke knooppunten van handelswegen steden.
2. STEDENTIJD ( 1200 - 1500 )
Handelaars gaan zich op bepaalde plaatsen vestigen en zo ontstaan er steden.
Begindatum:
Rond 1200 ontstaan overal in West-Europa steden.
Overgang:
Vorsten zetten zich af tegen de rijkdom en de macht van de steden. Zij regeerden over sterke staten en
trokken alle macht naar zich toe.
3. NIEUWE TIJDEN ( 1500 - 1945 ) NIET KENNEN
4. VORSTENTIJD ( 1500 - 1800 )
De tijd waarin de vorsten alle macht hebben. Ontdekkers gaan op zoek naar nieuwe mogelijkheden.
Begindatum:
1500 is het geboortejaar van Karel V, één van de grote vorsten uit de vorstentijd.
Andere mogelijke begindata zijn: 1453, 1492, 1517.
Overgang:
Een te sterk absolutisme wekte volksverzet in de hand.
De democratische gedachte groeide en de burgerij neemt eerst de touwtjes in handen. Het volk krijgt
pas later zeggenschap.
5. DE VOLKERENTIJD ( 1800 - 1945 )
Het volk reageert tegen het absolutisme van de koning en wil democratie liberalisme.
Het volk wil een eigen natie nationalisme
De vorsten streven ernaar hun rijk uit te breiden imperialismeµ
Begindatum:
Rond 1800 speelden zich 3 belangrijke revoluties af:
De revolutie in het denken -> de verlichting
De revolutie in de politiek en maatschappij -> Franse Revolutie
De sociaal-economische revolutie -> industriële revolutie
Overgang:
Het nationalisme leidde tot 2 wereldoorlogen. Daarna begint dit enge nationalisme plaats te maken voor
een universeel denken.
3
INHOUDEN
1. DE TIJDSBALK
In de loop van de basisschool leren de kinderen dat men de tijd kan structureren door hem in te delen in
periodes. Deze indeling vormt dan een referentiekader om nieuwe begrippen en gebeurtenissen te situeren.
Deze indeling - visueel voorgesteld op een tijdband – is evenwel slechts een hulpmiddel en geen doel op zich.
In het basisonderwijs maken de kinderen kennis met volgende indelingen:
De indeling in 3 samenlevingsvormen de wijze waarop de mens in zijn levensonderhoud voorziet:
de nomadische samenlevingsvorm: rondtrekken
de agrarische samenlevingsvorm: eerste vesteging en landbouw
de industriële samenlevingsvorm: meeste mensen leven al in steden, fabrieken
De indeling in historische periodes verwijst naar de indeling van de Europese geschiedenis
GO! En OVSG
1. Prehistorie (van ? tot ontwikkeling van het schrift ca. 3800 v.C.)
2. Oudheid (tot ca. 500 n.C. - val W-Romeinse Rijk)
3. Middeleeuwen (tot ca.1500 - ontdekking Amerika)
4. Nieuwe tijden (tot 1945- einde WO II)
5. Onze tijd (vanaf 1945)
VGO
1. Prehistorie / oudheid (tot ca. 500 n.C)
2. Middeleeuwen (van ca. 500 tot ca. 1500)
3. Nieuwe tijden (van ca. 1500 tot 'onze tijd')
4. Onze tijd (de tijd waarin het voor leerlingen nog mogelijk is om levende getuigen te ontmoeten)
Men kan geen precieze datum zetten op het begin en het einde van een periode. Het gaat hier immers om
grote tendensen in onze West-Europese geschiedenis die ergens een aanloop kennen.
OVERZICHT VAN DE PERIODES.
DE PREHISTORIE /OUDHEID.
1. DE OERTIJD ( ....- 5000 V. CHR.)
Tijd vanaf het ontstaan van de aarde. De mens leeft als nomade.
Begindatum:
De datum ontbreekt omdat hij zeer moeilijk te plaatsen is.
Waar begint het bestaan van de mens precies?
Nieuwe archeologische vondsten spelen hierbij ook een belangrijke rol.
Overgang
Men leefde van de jacht. Door omgang met het wild kreeg de mens een betere kennis van de dieren.
Deze kennis maakte het mogelijk wilde dieren te temmen en zo tot veeteelt te komen.
Daarnaast leefde men van de vruchtenpluk. De kennis van wilde graansoorten zou het zelf telen van
graan mogelijk maken. Zo kwam de mens tot landbouw.
1
,2. DE NEDERZETTINGENTIJD ( 5000 V. CHR. -1200 V. CHR. )
De mensen gaan zich nederzetten, m.a.w. op een vaste verblijfplaats wonen.
Begin-en einddatum:
Rond 5000 v. Chr. krijgt men vrij algemeen een sedentaire levenswijze. (vestiging). Er verschenen de
eerste boeren.
Als in einddatum werd 1200 v. Chr. gekozen omdat rond die periode de IJzertijd doorbreekt. Het
ontdekken van metalen geeft aan bepaalde volkeren een superioriteit.
Overgang:
Nederzettingen die bijzonder gunstig gelegen waren voor landbouw en veeteelt krijgen
voedseloverschotten. Deze overschotten gaan ze ruilen tegen andere producten die hen rijk en
machtig maakten.
Zo groeiden 3 kernen uit de wereldrijken:
o Midden - Oosten : Egypte, Mesopotamië
o Midden - en Zuid-Amerika
o Verre Oosten : Indië en China
3. DE EERSTE WERELDRIJKEN ( 3000 V. CHR. - 300 V. CHR. )
Voor het eerst ontstaan “beschavingen”: machtige rijken met een hiërarchische organisatie.
Koningen en goden spelen een vooraanstaande rol.
Begin-en einddatum:
Egypte wordt exemplarisch besproken als één van de Eerste Wereldrijken. De grote bloei begint rond
3000 v. Chr. Als einddatum werd 300 v. Chr. gekozen omdat Egypte in 331 v. Chr. veroverd werd door
de Griek Alexander De Grote.
Overgang
Tijdens de Eerste Wereldrijken bestond een drukke handel. De Grieken kwamen in contact met de
kennis van het Oosten en werden weldra zelf om hulp en advies gevraagd. Na de Grieken gingen ook
de Romeinen een rol spelen. Zo ontstonden nu machtige rijken op basis van kennis en kunde.
4. DE GRIEKS-ROMEINSE PERIODE ( 700 V. CHR.- 500 NA CHR.)
Nieuwe machtige rijken ontstaan: Griekenland en Rome.
Begin- en einddatum:
In Griekenland hebben in 776 v. Chr. de eerste Olympische Spelen plaats. Rond dezelfde periode
situeert zich ook het begin van de Griekse kolonisatie. 753 v. Chr. stichting van Rome.
In 476 valt het West- Romeinse Rijk in handen van de Germanen.
Overgang:
De middeleeuwse maatschappij werd gebouwd op 3 pijlers.
o De Grieks - Romeinse traditie
o De invloed van de Germanen
o Het christendom.
2
, DE MIDDELEEUWEN (500 - 1500)
1. DE TIJD VAN DE BOEREN, RIDDERS EN MONNIKEN ( 500 - 1200 ) .
In deze periode kunnen we de samenleving indelen in 3 standen: de boeren, ridders en monniken.
Begindatum:
Rond 500 situeren zich de invallen van de Germanen.
Overgang:
Door de kruistochten herleefde de handel. Er kwamen meer en meer handelaars die vaste
vestigingsplaatsen zochten. Zo ontstonden op belangrijke knooppunten van handelswegen steden.
2. STEDENTIJD ( 1200 - 1500 )
Handelaars gaan zich op bepaalde plaatsen vestigen en zo ontstaan er steden.
Begindatum:
Rond 1200 ontstaan overal in West-Europa steden.
Overgang:
Vorsten zetten zich af tegen de rijkdom en de macht van de steden. Zij regeerden over sterke staten en
trokken alle macht naar zich toe.
3. NIEUWE TIJDEN ( 1500 - 1945 ) NIET KENNEN
4. VORSTENTIJD ( 1500 - 1800 )
De tijd waarin de vorsten alle macht hebben. Ontdekkers gaan op zoek naar nieuwe mogelijkheden.
Begindatum:
1500 is het geboortejaar van Karel V, één van de grote vorsten uit de vorstentijd.
Andere mogelijke begindata zijn: 1453, 1492, 1517.
Overgang:
Een te sterk absolutisme wekte volksverzet in de hand.
De democratische gedachte groeide en de burgerij neemt eerst de touwtjes in handen. Het volk krijgt
pas later zeggenschap.
5. DE VOLKERENTIJD ( 1800 - 1945 )
Het volk reageert tegen het absolutisme van de koning en wil democratie liberalisme.
Het volk wil een eigen natie nationalisme
De vorsten streven ernaar hun rijk uit te breiden imperialismeµ
Begindatum:
Rond 1800 speelden zich 3 belangrijke revoluties af:
De revolutie in het denken -> de verlichting
De revolutie in de politiek en maatschappij -> Franse Revolutie
De sociaal-economische revolutie -> industriële revolutie
Overgang:
Het nationalisme leidde tot 2 wereldoorlogen. Daarna begint dit enge nationalisme plaats te maken voor
een universeel denken.
3