Data Metrics
1 Hoofdstuk 1
1.1 Kwalitatief of kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek: Het verkrijgen van diepgaande informatie, wat leeft er bij de populatie en
waarom?
Kwantitatief onderzoek: Cijfermatig inzicht, tabellen, grafieken en figuren.
1.1.1 Kwalitatief onderzoek
Doel: achterhalen van meningen
Het geven van antwoorden op waaromvragen.
(bv. Waarom zijn onze klanten tevreden over onze dienstverlening?)
1.1.2 Kwantitatief onderzoek
Weergave van resultaten: Tabellen, grafieken en percentages
Doel: Het verkrijgen van cijfermatige inzichten
Het geeft antwoorden op vragen die in de hoeveelheden kunnen worden uitgedrukt.
(bv. Hoeveel % van onze klanten is tevreden over onze dienstverlening?)
Data Metrics = Kwantitatief onderzoek
1.1.2.1 Fasen in een kwantitatief onderzoek
1. Vraagstelling: onderzoeksvraag of onderzoekshypothese
2. Meetbaar maken = operationaliseren
3. Steekproefopzet
Steekproef: mensen van je doelgroep die je bevraagd
Populatie: iedereen die tot je doelgroep behoort
representatief: vertegenwoordigd de steekproef de hele populatie?
4. Gegevens verzamelen: interview, vragenlijst, observatie, experiment…
5. Beschrijving en analyseren van gegevens
alle gegevens uit je onderzoek komen in de Datamatrix
Daarin worden de gegevens van elk individu over alle onderzoeksvariabelen
systematisch naast elkaar gezet. (= vertrekpunt)
enkel de nuttige gegevens komen in de frequentieverdeling
6. Conclusies formuleren: moet representatief zijn (geldig voor de hele populatie)
7. Verband tussen resultaten en theorie: empirische cyclus
Steekproef: goedkoper en sneller dan werken met de populatie
,- Aselecte steekproef: Iedereen uit de populatie heeft een even grote kans om in de
steekproef terecht te komen
- Niet-aselecte steekproef: Je bepaald zelf de steekproef (bv. Alle even pagina’s van een boek)
, 2 Hoofdstuk 2: Operationaliseren
= begrippen meetbaar maken
Bv. Op welke leeftijd start een ondernemer gemiddeld zijn eerste bedrijf?
- Ondernemer?, Geslacht?, Bedrijf?, Sector?...
2.1 Variabelen
= Een begrip waarvan precies is aangegeven hoe het wordt gemeten. (bv. de aanleg die men heeft en
het belang men hecht aan wiskunde)
Discrete variabelen: variabelen nemen sprongsgewijs toe, gehele waarden (1-2-3) (1,25-1,50-1,75)
Het verschil tussen twee verschillende waarden van de variabele bedraagt steeds één of
meer vaste eenheden
o bv. Aantal studenten van KMO102
Continue variabelen: variabelen nemen geleidelijk toe, getallen met komma’s (1,22-1,23-1,24)
bv. Gewicht
2.2 Meetniveaus
Meten is niets anders dan vaststellen welke waarde een object (element, persoon…) op een variabele
heeft.
Variabelen worden op ander meetingsniveau gemeten, omdat ze anders worden uitgedrukt.
Bekijkt steeds de rangorde, de meeteenheid en het nulpunt
- Nominaal meetniveau: Getallen worden enkel gebruikt om categorieën weer te geven,
variabelen die bestaan uit een categorische indeling (bv. Identiteitskaartnummer)
o Waarde zijn verschillend van elkaar, je weet niet hoeveel verschillen (groter, lager…)
o Synoniemen: categorische variabelen, kwalitatieve variabelen
o Vb. geslacht, sport, studierichting, postcode, telefoonnummer…
Hebben de waarden een rangorde: geen
Meeteenheid: geen
Nulpunt: geen
- Ordinaal meetniveau: Variabelen die bestaan uit getallen
o Je kan zeggen dat iets hoger is dan het andere, maar niet zeggen hoeveel hoger
o Vb. T-shirtmaten, volgorde van de aankomst bij een race, diploma’s…
Hebben de waarden een rangorde: wel
Meeteenheid: geen
Nulpunt: geen
- Intervalniveau: Variabelen die bestaan uit getallen
o Je kan zeggen dat iets hoger is dan het andere en ook hoeveel hoger.
o Intervalvariabelen zijn ook altijd ordinaal en dus ook nominaal.
o Vb. temperatuur, jaartelling, IQ
Hebben de waarden een rangorde: wel
Meeteenheid: wel
Nulpunt: geen vast nulpunt(kan onder 0)
1 Hoofdstuk 1
1.1 Kwalitatief of kwantitatief onderzoek
Kwalitatief onderzoek: Het verkrijgen van diepgaande informatie, wat leeft er bij de populatie en
waarom?
Kwantitatief onderzoek: Cijfermatig inzicht, tabellen, grafieken en figuren.
1.1.1 Kwalitatief onderzoek
Doel: achterhalen van meningen
Het geven van antwoorden op waaromvragen.
(bv. Waarom zijn onze klanten tevreden over onze dienstverlening?)
1.1.2 Kwantitatief onderzoek
Weergave van resultaten: Tabellen, grafieken en percentages
Doel: Het verkrijgen van cijfermatige inzichten
Het geeft antwoorden op vragen die in de hoeveelheden kunnen worden uitgedrukt.
(bv. Hoeveel % van onze klanten is tevreden over onze dienstverlening?)
Data Metrics = Kwantitatief onderzoek
1.1.2.1 Fasen in een kwantitatief onderzoek
1. Vraagstelling: onderzoeksvraag of onderzoekshypothese
2. Meetbaar maken = operationaliseren
3. Steekproefopzet
Steekproef: mensen van je doelgroep die je bevraagd
Populatie: iedereen die tot je doelgroep behoort
representatief: vertegenwoordigd de steekproef de hele populatie?
4. Gegevens verzamelen: interview, vragenlijst, observatie, experiment…
5. Beschrijving en analyseren van gegevens
alle gegevens uit je onderzoek komen in de Datamatrix
Daarin worden de gegevens van elk individu over alle onderzoeksvariabelen
systematisch naast elkaar gezet. (= vertrekpunt)
enkel de nuttige gegevens komen in de frequentieverdeling
6. Conclusies formuleren: moet representatief zijn (geldig voor de hele populatie)
7. Verband tussen resultaten en theorie: empirische cyclus
Steekproef: goedkoper en sneller dan werken met de populatie
,- Aselecte steekproef: Iedereen uit de populatie heeft een even grote kans om in de
steekproef terecht te komen
- Niet-aselecte steekproef: Je bepaald zelf de steekproef (bv. Alle even pagina’s van een boek)
, 2 Hoofdstuk 2: Operationaliseren
= begrippen meetbaar maken
Bv. Op welke leeftijd start een ondernemer gemiddeld zijn eerste bedrijf?
- Ondernemer?, Geslacht?, Bedrijf?, Sector?...
2.1 Variabelen
= Een begrip waarvan precies is aangegeven hoe het wordt gemeten. (bv. de aanleg die men heeft en
het belang men hecht aan wiskunde)
Discrete variabelen: variabelen nemen sprongsgewijs toe, gehele waarden (1-2-3) (1,25-1,50-1,75)
Het verschil tussen twee verschillende waarden van de variabele bedraagt steeds één of
meer vaste eenheden
o bv. Aantal studenten van KMO102
Continue variabelen: variabelen nemen geleidelijk toe, getallen met komma’s (1,22-1,23-1,24)
bv. Gewicht
2.2 Meetniveaus
Meten is niets anders dan vaststellen welke waarde een object (element, persoon…) op een variabele
heeft.
Variabelen worden op ander meetingsniveau gemeten, omdat ze anders worden uitgedrukt.
Bekijkt steeds de rangorde, de meeteenheid en het nulpunt
- Nominaal meetniveau: Getallen worden enkel gebruikt om categorieën weer te geven,
variabelen die bestaan uit een categorische indeling (bv. Identiteitskaartnummer)
o Waarde zijn verschillend van elkaar, je weet niet hoeveel verschillen (groter, lager…)
o Synoniemen: categorische variabelen, kwalitatieve variabelen
o Vb. geslacht, sport, studierichting, postcode, telefoonnummer…
Hebben de waarden een rangorde: geen
Meeteenheid: geen
Nulpunt: geen
- Ordinaal meetniveau: Variabelen die bestaan uit getallen
o Je kan zeggen dat iets hoger is dan het andere, maar niet zeggen hoeveel hoger
o Vb. T-shirtmaten, volgorde van de aankomst bij een race, diploma’s…
Hebben de waarden een rangorde: wel
Meeteenheid: geen
Nulpunt: geen
- Intervalniveau: Variabelen die bestaan uit getallen
o Je kan zeggen dat iets hoger is dan het andere en ook hoeveel hoger.
o Intervalvariabelen zijn ook altijd ordinaal en dus ook nominaal.
o Vb. temperatuur, jaartelling, IQ
Hebben de waarden een rangorde: wel
Meeteenheid: wel
Nulpunt: geen vast nulpunt(kan onder 0)