0) Historische referentiekader
Tijd: Moderne tijd (19de eeuw)
Ruimte: China
Domein: cultureel, sociaal, economisch, politiek
1) China legt andere accenten dan het westen
↳ In China wordt een andere indeling gebruikt, gebaseerd op hun eigen geschiedenis
↳ De tijdsband die wij hanteren = eurocentrisch
China Westerse landen
POLITIEKE MACHT EN BESTUUR
1 groot rijk versnipperd, soevereine landen
absolute macht scheiding der machten (19E: liberalisme, nationalisme)
mandarijnen → niet specifiek opgeleid voor één ambtenaren specifiek opgeleid voor functie
functie
individu = ondergeschikt aan familie en staat (liberale landen:) individu = centraal
TECHNIEK EN ECONOMIE
- voor 18E: uitvindingen dankzij IR: wetenschappelijke, technologische en
(buskruit, boekdrukkunst) economische voorsprong (vb. machines, wapens, telegrafie,
- landbouwstaat (primitieve technieken) spoorwegen, stoomboten)
GODSDIENST
- ingewikkeld: goede vs. kwade geesten (meestal) godsdienstvrijheid
- beschermgoden (familie)
- confucianisme voornamelijk katholieken en protestanten
- daoïsme (= harmonie met natuur)
, - tolerant t.o.v. vreemde godsdiensten bekeringsijver
- verzet tegen bekeringsijver → sturen missionarissen naar China om te bekeren
DENKEN OVER ZICHZELF
hoogstaande cultuur culturele ‘stilstand’, beschaafd
‘Rijk van het Midden’ kijken neer op andere samenlevingen
( = centrum omringd met barbaarse volkeren)
xenofoob anderen zijn ‘primitief, onderontwikkeld’
2) China in conflict met zichzelf en het Westen
↳ 17E: Mantsjoes controleren Chinese Keizerrijk
→ Qing-dynastie = opeenvolgende keizers van Mantsjoerijnse afkomst
Tot begin 19e E: economische en culturele bloeiperiode onder de Qing-dynastie
MAAR
→ natuurrampen + te snel groeiende bevolking = hongersnood
→ grootgrondbezitters buiten arme boeren uit
→ corruptie onder zwakke keizers
→ Westerse landen (= Groot-Brittannië) dringen zich op
● Westerse landen verzetten zich tegen de Chinese handelspolitiek
○ In China kan je enkel met aangeduide kooplieden handel drijven
○ Westerlingen willen vrij handel kunnen drijven
● Chinezen weinig interesse in Eur. luxeproducten, dus verhandelen opium
○ In ruil voor opium: goud, zilver, porselein, zijde…
● Veel Chinezen raken verslaafd aan opium
● China verzet zich tegen opiumhandel + blijft vrijhandel weigeren
=> OPIUMOORLOGEN (2)
China verliest en moet toegevingen doen (1860) in de ‘ongelijke verdragen’:
- Elk land krijgt enkele havens ter beschikking
- Westerlingse onderdanen mogen vrij door China reizen en handel drijven
- Westerlingen: niet vervolgd worden + minder tol betalen
- Christelijke missionarissen mogen niet gehinderd worden