• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 74 pages
Summary

Complete samenvatting Internaliserende Stoornissen PSY4751

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 74 pages

Dit document bevat een complete samenvatting van alle literatuur van het blok Internaliserende Stoornissen (Mental Health richting Kind & Adolescent) aangevuld met de informatie uit de colleges.

Content preview

Taak 1: Ontwikkeling

Wat is een normale en abnormale ontwikkeling?

Normale of abnormale ontwikkeling
Ontwikkelingstaken = normale uitdagingen voor een kind op een bepaalde leeftijd

Leeftijd Ontwikkelingstaken Kenmerkende gedragingen

0–2 jaar 1. Gebruik zintuigen en spieren: 1. Zuigen, sabbelen, graaien, kwijlen, uitspugen
lichaamsbeheersing 2. Kruipen, staan, zich vastklampen, vallen, omgooien
2. Aanpassing aan dag/nachtritme en 3. Slecht inslapen, veel wakker worden, huilen,
voedingstijden hoofdbonzen, schommelen
3. Differentiatie van personen; hechting 4. Voedsel weigeren, spugen, volproppen, knoeien met
aan ouders/broertjes/zusjes eten
4. Overwinning scheidingsangst 5. Lachen, geluidjes herhalen, kleven, zich afwenden van
5. Exploreren omgeving/voorwerpen derden
6. Huilen, klampen, duimen, rituelen, knuffelbeest/tapjes;
nachtangsten, paniek, apathie
7. Graaien, sabbelen, bijten, vernielen, smeren, kliederen

2–6 jaar 1. Afhankelijkheid -> zelfstandig gedrag 1. Imitatie, nalopen, willen zijn als ouder, daarna juist niet
2. Experimenteren met temperament en 2. Koppigheid, driftbuien, grenzen testen, angst bij
gedragsstijl overmacht, regressie, magische rituelen
3. Frustratietolerantie vergroten 3. Ruzie en rivaliteit met broertjes/zusjes, soms
4. Plaats delen met anderen, socialer terugtrekken of regressie
gedrag 4. Trots; soms weer separatieangst, nachtmerries,
5. Naar school gaan lichamelijke klachten

6–11 jaar 1. Aanpassing aan leeftijdsgenoten; 1. Spelinitiatieven nemen, vriendschappen sluiten,
sociaal invoelingsvermogen rivaliseren, sociale angst, terugtrekken
2. School en leerstof (concentratie, 2. Presteren, interesses opbouwen
discipline) 3. Soms schoolfobische klachten of leerstoornissen
3. Vorming eigen normen en waarden 4. Minder afhankelijk gedrag, zelfstandiger, gewetensvoller

12–15 1. Omgaan met veranderingen in het 1. Lichamelijke klachten (pijn, eten/slapen ontregeld),
jaar lichaam hormonale problemen
2. Verdere afweging normen en 2. Debatteren, ruzie, dagboeken, schuldgevoelens,
waarden; opbouw identiteit rationaliseren, fantaseren, zich afzetten tegen ouders,
3. Vaardiger omgaan met idolaanbidding
leeftijdsgenoten en anderen 3. Probleemoplossing, vriendschappen/vijandschappen,
sociale angst, terugtrekken, apathie, depressie

15–20 1. Onafhankelijk worden van feedback 1. Experimenteren met extreme gedragsalternatieven,
jaar ouders/leraren debatteren, grenzen testen
2. Kiezen voor eigen strategieën en 2. Zichzelf over- of onderschatten, afkeuren; depressieve
ideeën; steviger gevoel eigenwaarde buien, angst, rationaliseren, intellectualiseren
3. Verdere verwerving 3. Stap voor stap minder afhankelijk gedrag, soms
sociale/beroepsvaardigheden provocerend
4. Losmaken van ouders/nest 4. Gedrag samenhangend met angst, agressie, schuld,
5. Loyaliteitsconflicten oplossen, verdriet; verwerken verlies en afscheidsgevoelens
verwerking verlies/afscheid

Wat normaal is, is moeilijk te bepalen. Onderscheid bij ontwikkelingsachterstand:

1. Een vertraagde ontwikkeling = kind loopt achter op eigen mogelijkheden
2. Een beperkte ontwikkeling = kind loopt achter op leeftijdsgenoten en beschikt qua aanleg
niet over de mogelijkheden om een gemiddeld niveau te behalen.

Ontwikkelingspsychopathologie = het verklaren en het voorspellen van afwijkende gedragingen en
processen door de tijd heen

1. Categoriale benadering = er is wel/geen probleem -> afwijkend functioneren wordt gezien als
kwalitatief anders dan normaal (zoals in DSM en ICD-10 -> termen als diagnose en stoornissen)
2. Dimensionele/kwantitatieve benadering = er zijn in meer of mindere kenmerken van een
bepaald probleem op een of meerdere dimensies (inter-/externaliserend) -> psychologische
problemen liggen op een spectrum/continuüm -> bottom-up benadering (zoals CBCL ->
sumscore bepaalt mate van psychopathologie)
o Termen als psychologische problemen en subklinische symptomen
 Momenteel zijn beide benaderingen bruikbaar -> ze vullen elkaar aan

,Risicofactoren en beschermende factoren
1. Risicofactoren/bedreigende factoren:
a. Gefixeerde markers = niet veranderbaar (bijv. geslacht)
b. Variabele markers = deels veranderbaar binnen bepaalde
grenzen
c. Risicoperioden = effect van risicofactor is afhankelijk van
leeftijdsfase waarin deze zich voordoet
d. Risicomechanismen = processen die voorafgaan aan
risicofactor -> bijv. ruzies en conflicten voorgaande aan een
echtscheiding
o Verwante begrippen die niet hetzelfde zijn als risicofactoren:
i. Correlaten = factoren die voorkomen op hetzelfde
moment als een stoornis (risicofactor gaat vooraf aan
stoornis!)
ii. Kwetsbaarheid = relatief, onderliggende gevoeligheid voor problemen (op
organisch of intrapersoonlijk vlak)
2. Beschermende/protectieve factoren = verkleinen kans op problemen en bevorderen
veerkracht/resilience

Veerman’s model: risicofactoren in lagen van dichtbij het kind naar ver af: opvoeder-kindinteracties -
> overige gezinsinteracties -> gezinssituaties (bijv. echtscheiding) -> gezinsomstandigheden (bijv.
SES)

 Meervoudig risicomodel = geen verband tussen één bepaalde risicofactor en
gedragsstoornissen of problemen bij kinderen -> combinatie van risicofactoren = 4x grotere
kans op problemen
o Niet elk kind met risico’s ontwikkelt problemen:
i. Multifinaliteit = eenzelfde combinatie risicofactoren -> verschillende uitkomsten
ii. Equifinaliteit = verschillende sets van risicofactoren -> dezelfde uitkomst
 Verschillende niveaus voor risicofactoren en beschermende factoren:
a. Organisch niveau (ondervoeding, neurologische defecten, genetische aanleg, etc.)
b. Intrapersoonlijk niveau (onveilige hechting, temperament (callous-unemotional (CU)-
traits: kilheid, ongevoeligheid, gemeenheid, hardheid), intelligentie, etc.)
c. Interpersoonlijk niveau (familieconflicten, stressvolle ervaringen, etc.)
d. Hogere orde niveau (armoede, etc.)
o Distale factoren (bijv. lage SES) -> indirect risico (verhogen kans op voorkomen van
proximale factoren). Proximale factoren (bijv. negatieve opvoedingsstijl) -> direct effect.
 Culturele context beïnvloedt opvoeding -> kan een risico/bescherming vormen.
 Bijv. liefdeloze/structuurloze opvoeding = risicovol
 Loyaliteit van kind aan ouders kan hulpverlening belemmeren

Potjesverhaal
= manier om te praten met kinderen en ouders over gedrag -> potje staat symbool voor iemands
gedrag, gevormd door karakter + persoonlijkheid + temperament + driften (Freud: angst, agressie,
seksualiteit). Iedereen heeft een uniek potje.

 Driften zijn normaal en nuttig, maar moeten leren gereguleerd worden
o Baby/peuter/kleuter: gedrag wordt niet gestuurd -> primair gedrag (huilen,
schreeuwen) -> ouders reageren en helpen met sturen (zodat potje in rust kan
ontwikkelen)
 Gedrag is een soort blokje -> gedrag dat past in een bepaalde situatie, dus
verschillende blokjes op school, thuis, winkel, etc. Als gedragstherapeut hou je het
rooster boven een potje zodat er blokjes uitkomen, want kinderen hebben nog
niet zo een goed rooster.
 Iedere ouder biedt een ander rooster
o Start basisschool: potje stabiliseert, maar vermoeidheid door leren en sociaal contact
is normaal. Ouders/leerkrachten helpen met het rooster.
 Ouders zijn er niet meer om het rooster er de hele tijd op te hebben, dus soms
schiet er nog wat naast
o Pubertijd: potje gaat rammelen door vragen als wie ben ik en invloed van hormonen
 Stress van buitenaf (school, vrienden, verwachtingen) maakt het lastiger het
rooster op het potje te houden. Alle docenten verwachten ook andere blokjes, die
weer verschillen van de verwachtingen thuis -> rooster gaat er soms af of wordt
soms dichtgemetseld.

,  Dichtgemetseld -> internaliserende problematiek -> eventueel
hulpverlening
 Rooster volledig eraf -> externaliserende problematiek -> eventueel
criminaliteit
 Ontwikkeling remblokjes: normen, ego, EQ, IQ, zelfbeeld
o Rond 22 jaar: potje is meestal stabiel, men kan zich de hele dag reguleren
 Toch kan na deze leeftijd het rooster er af schieten door bijv. stress
 Stressoren kunnen ervoor zorgen dat het potje niet in rust kan ontwikkelen
o Jonge kinderen kijken eerst naar het gedrag van hun ouders bij stress
 Soms kunnen ouders geen rooster bieden of er is te veel stress van buitenaf ->
ontwikkelingsstoornis of te veel van een drift.


Welke verschillende ontwikkelingsmodellen zijn er?

Het trek-/traitmodel
Ontwikkeling bepaald door traits = aangeboren kenmerken (bijv. temperament of genetica) of
verworven eigenschappen (bijv. copingvaardigheden)

 Is een trek eenmaal gevestigd, dan blijft deze relatief onbeïnvloedbaar
 Houdt geen rekening met effecten van de omgeving (achterhaald)

Het omgevings-/contextueel model
Omgevingsfactoren bepalen ontwikkeling -> eigenschappen van kind kunnen bijgestuurd worden,
mits juiste omgeving wordt aangeboden

 Verstoorde omgevingen kunnen abnormaal gedrag
produceren: zwak ouderschap -> onveilig gehecht kind
 (Sociale) leertheorie (Granic & Patterson): gedrag
wordt geleerd via beloning, observatie van anderen die
gestraft/beloond worden of door bijv. de herinnering aan een
beloning of straf

Het interactiemodel
Ontwikkeling wordt bepaald door interactie tussen aanleg/kindkenmerken (nature) en omgeving
(nurture)

1. Aanleg/nature = datgene waarmee het kind geboren wordt: erfelijk materiaal, prenatale groei
en de gevolgen van invloeden rond de geboorte (bijv. zuurstoftekort tijdens de bevalling)
2. Omgeving/nurture = alle krachten die van buitenaf op het kind inwerken
o Er zijn beperkingen in wat de omgeving kan bewerkstelligen -> aanleg stelt marges
waarbinnen het kind zich kan ontwikkelen
 Grondleggers nature vs. nurture:
a. John Locke (nurture): kinderen worden geboren als een tabula rasa = onbeschreven
blad -> onze omgeving moet ons leren hoe te handelen en te gedragen
b. Rousseau (nature): mens is van nature goed -> maatschappij kan de mens slechts
schaden
 Plomin -> 3 vormen van samenhang tussen erfelijke aanleg en omgeving:
a. Passief = het kind ondergaat de omgeving
b. Evocatief = het kind roept reacties op
c. Actief = het kind neemt vanuit zijn aanleg selectief waar
o Kind wordt steeds actiever in interactie met omgeving

Goodness-of-fit model
Interactie tussen kindkenmerken en omgeving kan positief zijn (goodness of fit) of negatief (poorness
of fit). Mismatch -> onaangepast gedrag.

 De traits en omgeving veranderen niet door deze interactie -> nieuw gedrag wordt toegevoegd,
maar vervangt het oude niet
o Regressie = kind keert terug naar een oud gedrag bijv. onder stress
o Kwetsbaarheid (onaangepast gedrag) komt pas tot uiting bij negatieve omgeving
 Kritiek:
o Neiging tot relativisme -> er zijn echter omgevingen of kindkenmerken zijn die op
zichzelf al voldoende zijn om psychopathologie te veroorzaken

, o Wat gebeurt er met het eerdere gedrag voordat de omgeving ermee interacteerde?

Transactioneel model
Trekken van het kind interacteren met de omgeving die beide als gevolg van die interactie veranderen
-> niet regressie, maar interactie staat centraal. Men spreekt over centrale kwetsbaarheidsfactoren
(meestal kindkenmerken) die geactiveerd kunnen worden door omgevings- of stressfactoren.

 Scarr: aanleg bepaalt hoe het kind de omgeving waarneemt -> beïnvloedt gedrag -> gedrag
vormt omgeving
o Pijn bij baby -> veel huilen en slecht slapen -> vergt veel aandacht van ouders ->
slaaptekort en oververmoeidheid ouders -> kunnen niet optimaal met kind omgaan
 Kind maakt zo moeilijke ouders en schept voor zichzelf een moeilijke omgeving
o Aanleg staat centraal: kinderen uit eenzelfde gezinsmilieu kunnen verschillend opgroeien
+ verschillen tussen deze kinderen worden steeds groter met het ouder worden
 Gradualisme = een reeks kleine veranderingen resulteert uiteindelijk in complexe uitkomsten

Littekenmodel = bepaalde ervaringen laten blijvende sporen na in ontwikkeling (zoals depressie ->
veranderde cognities -> vergrote kans latere depressie)

1. Diathese-stressmodel (depressie) = een kwetsbaarheid (diathese) komt pas tot uiting (bijv.
depressie) bij stress (vanuit de omgeving). Hoe groter de kwetsbaarheid, hoe minder stress
nodig is. Kwetsbaarheid en stress beïnvloeden elkaar wederzijds.
2. Model van Cichetti, Toth & Maugan = psychopathologie bij kinderen ontstaat door de
interactie tussen systemen op micro-, meso- en macroniveau, i.c.m. beschermende factoren


Welke verschillende stromingen inclusief theorieën zijn er voor ontwikkeling?
1. Kwantitatieve ontwikkeling = uitbreiden van al bestaande vaardigheden
2. Kwalitatieve ontwikkeling = nieuwe manier van reageren in specifieke periodes

Het psychodynamisch perspectief – Erikson & Freud
Onbewuste innerlijke krachten, herinneringen en conflicten, vaak geworteld in de kindertijd,
beïnvloeden gedrag (gedurende hele leven)

 Kritiek: moeilijk om gedrag van een individu precies te voorspellen

De psychoanalytische theorie van Freud (nature & nurture)

Onbewuste krachten bepalen iemands gedrag en persoonlijkheid. Het onbewuste is het deel van
iemands persoonlijkheid waarvan hij zich niet bewust is -> infantiele wensen, verlangens en behoeften
die vanwege hun verstorende aard afgesloten zijn van het bewustzijn. 3 onderdelen persoonlijkheid;

1. Het id = aangeboren, primitieve driften (honger, seks, agressie, irrationele impulsen) -> werkt
via genotsprincipe -> doel: zo veel mogelijk bevrediging en zo min mogelijk spanning creëren
2. Het ego = rationeel en redelijk deel, bemiddelt tussen id en realiteit -> werkt vanuit
realiteitsprincipe: instinctieve energie wordt in toom gehouden om veiligheid van individu te
bewaren en integratie in samenleving te bevorderen
3. Het superego = iemands geweten, maakt onderscheid tussen goed en kwaad.
o Ontwikkelt zich rond 5- of 6-jarige leeftijd
o Mensen nemen het over van hun ouders, onderwijzers en andere belangrijke personen

De psychoseksuele ontwikkeling: kinderen doorlopen fasen waarin genot/bevrediging, steeds op
een andere biologische functie en ander lichaamsdeel is gericht (oraal -> anaal -> fallisch -> genitaal)

 Fixatie = gedrag blijft steken in een fase door over- of onderbevrediging (onopgelost conflict)
 Ontwikkeling is min of meer compleet wanneer individu de adolescentie heeft bereikt.
 Rol van opvoeding: regulatie van de aangeboren driften is een taak (vooral vanaf 3 e jaar)
o Oedipuscomplex = problematiek waarbij het mannelijk kind zijn seksuele driften naar
zijn moeder probeert te onderdrukken uit angst gecastreerd te worden

Table of contents

  1. 01 Wat is een normale en abnormale ontwikkeling? 1
    1. Normale of abnormale ontwikkeling 1
    2. Risicofactoren en beschermende factoren 2
    3. Potjesverhaal 2
  2. 02 Welke verschillende ontwikkelingsmodellen zijn er? 3
    1. Het trek-/traitmodel 3
    2. Het omgevings-/contextueel model 3
    3. Het interactiemodel 3
    4. Goodness-of-fit model 3
    5. Transactioneel model 4
  3. 03 Welke verschillende stromingen inclusief theorieën zijn er voor ontwikkeling? 4
    1. Het psychodynamisch perspectief – Erikson & Freud 4
    2. De psychosociale theorie van Erikson (nature & nurture) 5
    3. De objectrelatieheorie – Melanie Klein 5
    4. Het behavioristisch perspectief: Watson, Skinner & Bandura 5
    5. Klassieke conditionering – Watson (nurture) 5
    6. Operante conditionering - Skinner (nurture) 5
    7. De sociaal-cognitieve leertheorie – Bandura (voornamelijk nurture) 5
    8. Kritiek/meningen 6
    9. Het cognitief perspectief – Bruner, Piaget, neo-Piaget & Pennington 6
    10. De cognitieve ontwikkelingstheorie van Piaget (nature & nurture) 6
    11. Bruner 6
    12. De informatieverwerkingstheorie – Neo-piagetianen (nature & nurture) 6
    13. Cognitieve neurowetenschap – Pennington 7
    14. Het contextueel perspectief – Bronfenbrenner & Vygotsky 7
    15. Het bio-ecologisch model van Bronfenbrenner 7
    16. De sociaal-culturele theorie van Vygotsky (vooral nurture) 8
    17. Het evolutionair perspectief – Darwin, Bowlby & Lorenz 8
    18. Kindgerichte opvoeding - Gesell 9
    19. Rijpingstheorie – Delfos 9
    20. Samenvatting perspectieven/theorieën 9
    21. Visies van theoretici op specifieke aspecten van de ontwikkeling 9
  4. 04 Wat is angst? 11
    1. Verschil tussen vrees en angst 11
    2. Verschil tussen normale en pathologische angst 11
    3. Onderzoeken van angstgeneralisatie 11
    4. Neurale (hippocampale) mechanismen 11
  5. 05 Welke angststoornissen zijn er en hoe zit het met angstgeneralisatie? 12
    1. Gegeneraliseerde angststoornis (GAS) 12
    2. Specifieke fobie en sociale angst (SAS) 12
    3. Specifieke fobie 12
    4. Sociale angst 12
    5. Voorlopige conclusies over angstgeneralisatie bij beide stoornissen 12
    6. Paniekstoornis 12
    7. Overig 13
    8. PTSS 13
    9. OCD 13
    10. Diagnostiek angststoornissen 13
  6. 06 Wat is een sociale angststoornis (SAS)? 13
    1. Factoren geassocieerd met GSP 14
    2. Genetische factoren 14
    3. Temperament 14
    4. Omgevingsfactoren 14
    5. Reinforcement sensitivity theory (RST) – Gray 15
    6. Kernideëen 15
    7. Persoonlijkheid en erfelijkheid 15
    8. Aangeboren vreesstimuli en ontwikkeling van fobieën 15
    9. Een model voor de ontwikkeling en instandhouding van GSP 16
    10. Distale oorzaken van GSP 16
    11. Proximale oorzaken van GSP 16
    12. Behandelingen 17
    13. GSP en alcoholgebruikstoornissen (AUDs) 17
  7. 07 Wat zijn (Rachman’s) pathways of fear? 17
    1. Tweefactorentheorie/conditionering (directe pathway) 17
    2. Informatieoverdracht/threat information transmission (indirecte pathway) 18
    3. Bewijs voor deze route voor angst bij kinderen 18
    4. Experimenteel onderzoek naar de effecten van dreiginformatie op kinderangsten 18
    5. Contextuele variabelen in de vatbaarheid voor dreiginformatie 19
    6. De bron van dreiginformatie 19
    7. Soort stimulus waarover informatie wordt gegeven 19
    8. Andere soorten verbale informatie 19
    9. Mechanismen van dreigingsinformatie 19
    10. Leren door observatie/vicarieel leren (indirecte pathway) 19
    11. Vroeg bewijs 19
    12. Retrospectieve zelfrapportage in angstige individuen 20
    13. Beperkingen van de zelfrapportage literatuur 20
    14. Studies met apen (Mineka et al.) 20
    15. Studies met niet-angstige kinderen 21
    16. De mechanismen van vicarieel leren 21
    17. Interactie tussen de pathways 22
    18. Kritiek op pathways 22
    19. Het afleren van angsten 22
  8. 08 Wat is schoolweigering? 22
    1. Onderzoek naar definities 23
    2. Onderzoek naar betekenissen en dominante discoursen 23
    3. Onderzoek naar betekenissen en alternatieve discoursen 23
    4. Reacties op langdurig schoolverzuim 23
    5. Interventies 24
  9. 09 Wat is de behandeling van angststoornissen in het algemeen? 24
    1. Gedragstherapie 24
    2. CGT 25
    3. ACT (3e generatie) 25
    4. EMDR (eye movement desensitization reprocessing) 25
    5. Moeilijkheden bij behandeling 25
    6. Protocollen bij behandeling 26
    7. Overige behandelingen 26
  10. 10 Hoe kunnen ouders betrokken worden bij de behandeling? 26
    1. Resultaten huidige studie 26
  11. 11 Hoe werkt exposure therapie? 27
    1. Veranderde visies op exposure 27
  12. 12 Wat is een depressie? 28
    1. Disruptieve stemming disregulatiestoornis 28
    2. Major depressive disorder (MDD) 28
    3. Rumineren en overgeneralisatie van autobiografische herinneringen – Hamlat 29
    4. Resultaten en discussie 29
  13. 13 Wat zijn verklarende modellen? 29
    1. Cognitieve kwetsbaarheidstheorieën 29
    2. Hopeloosheidstheorie 30
    3. Beck’s cognitieve model 30
    4. Neurobiologische correlatie (uitgebreid van Beck) 31
    5. Responsstijlen theorie 31
    6. Persoonlijkheid en predispositie voor depressie 31
    7. Aangeleerde hulpeloosheid (Seligman) 32
    8. Attributietheorie (Ambranson) 32
    9. Gedragstheorie (Lewinson) – externe kwetsbaarheden 32
    10. Zelfcontrole theorie (Rehm) – interne kwetsbaarheden 32
    11. Conceptualiseren van relaties tussen verschillende cognitieve kwetsbaarheidsfactoren 32
  14. 14 Hoe kunnen de hopeloosheidstheorie en Beck’s cognitieve theorie geïntegreerd worden? 32
    1. Verschillen en overeenkomsten 32
    2. Resultaten en conclusies 33
  15. 15 Welke behandelingen zijn er bij kinderen/jongeren? 33
    1. Effectiviteit SSRI’s 35
    2. Veiligheid SSRIs 35
    3. Psychotherapie – Watanabe et al. 35
    4. Resultaten en discussie 36
    5. Interpersoonlijke psychotherapie – Mufson et al. 36
    6. Resultaten 36
    7. Psychotherapie, farmacotherapie en combinaties – Zhou et al. 36
    8. Resultaten 36
  16. 16 Hoe groot is de kans op een terugval? 37
    1. TADS-follow-upstudie 37
    2. Resultaten en discussie 37
  17. 17 Wat is de preventie van depressie bij jongeren? 37
    1. Resultaten en discussie 37
  18. 18 Hoe is de visie op pijn veranderd? 38
  19. 19 Wat is chronische pijn? 38
    1. Etiologie 39
    2. Klinische presentatie van chronische pijn 39
    3. Beoordeling van chronische pijn 40
    4. Epidemiologie - Artikel King et al., 2011 40
    5. Chronische hoofdpijn/migraine studies 40
    6. Buikpijnstudies 40
    7. Rugpijnstudies 40
    8. Musculoskeletale/ledemaatpijnstudies 40
    9. Gecombineerde pijn studies 40
    10. Algemene pijnstudies 40
    11. Discussie 41
    12. Hoe kan chronische pijn verklaard worden vanuit een psychiatrisch beeld volgens DSM-5? 41
    13. Wat is de behandeling van chronische pijn? 41
    14. Wat is het vrees-vermijdingsmodel? 44
    15. Hoe kunnen omgevingsfactoren het beloop van pijnklachten beïnvloeden? 45
    16. Wat zijn overeenkomsten en verschillen van CGT bij angst, depressie en chronische pijn? 48
  20. 20 Wat is een eetstoornis? 48
    1. Prevalenties, verloop en comorbiditeit 50
  21. 21 Wat is het verschil tussen de DSM-4 en de DSM-5? 50
  22. 22 Welke soorten behandeling zijn er? 51
    1. Anorexia Nervosa 51
    2. Psychologische behandelingen 51
    3. Farmacologische behandelingen 51
    4. Gecombineerde psychologische en farmacologische behandelingen 51
    5. Boulimia Nervosa 51
    6. Psychologische behandelingen 51
    7. Farmacologische behandelingen 51
    8. Gecombineerde psychologische en farmacologische behandelingen 52
    9. Onderhouds- en terugvalpreventiebehandelingen 52
    10. Binge-Eating Disorder 52
    11. Psychologische behandelingen 52
    12. Farmacologische behandelingen 52
    13. Gecombineerde psychologische en farmacologische behandelingen 53
    14. Transdiagnostische behandeling met uitgebreide cognitieve gedragstherapie (CGT-E) 53
    15. Blootstelling aan voedselprikkels bij overgewicht en obesitas – Schyns et al., 2015 53
    16. Resultaten en discussie 53
    17. Behandeling ARFID 54
  23. 23 Wat is het model van Fairburn (2003) en hoe is behandeling hierop gebaseerd? 54
    1. Cognitief-gedragsmatige theorie van BN 54
    2. Bewijs voor theorie 54
    3. CGT 54
    4. Nieuwe cognitief-gedragsmatige theorie van BN 55
    5. Transdiagnostisch perspectief 55
    6. Anorexia Nervosa 55
    7. Atypische eetstoornissen of EDNOS (eating disorder not otherwise specified) 55
    8. Implicaties voor de instandhouding van eetstoornissen 56
    9. Transdiagnostische behandeling 56
  24. 24 Wat is de rol van perfectionisme bij eetstoornissen? 56
    1. Bardone-Cone et al., 2007 56
    2. Beoordeling van perfectionisme 57
    3. Resultaten 57
    4. Mogelijke onderliggende mechanismen 58
    5. Bardone-Cone et al. (2017) 58
    6. Resultaten en discussie 58
  25. 25 Uitwerking artikel Smeets et al. (2010) 59
  26. 26 Wat is hechting? Welke hechtingsstoornissen zijn er? 59
    1. Factoren 60
  27. 27 Wat zijn maladaptieve schema’s? 60
  28. 28 Wat is schematherapie? 65
    1. Artikel van Vlierberghe, 2010 67
    2. Artikel Rijkeboer & de Boo, 2010 67
  29. 29 Wat is dialectische gedragstherapie? 68
    1. DGT bij adolescenten 69
    2. Waarde van DGT bij adolescenten 69
  30. 30 Wat is temperament? Hoe is dit gekoppeld aan hechting? 69
    1. Vaughn & Gretchen, 1989 70
    2. Resultaten en discussie 70
  31. 31 Welke soort persoonlijkheidsstoornissen zijn er? 70
  32. 32 Hoe onderscheid je autisme van hechtingsstoornissen? 71
  33. 33 Beargumenteer: mag je bij kinderen/jongeren (onder de 18 jaar) een persoonlijkheidsstoornis vaststellen? 71
  34. 34 Fasen van IPT 72
  35. 35 Experimenteel onderzoek opzetten 72
    1. Voorbeeld 1 – artikel Smeets 72
    2. Voorbeeld 2 73
    3. Korte voorbeelden model Fairburn 74

Document information

Study
Uploaded on
October 11, 2025
File latest updated on
October 22, 2025
Number of pages
74
Written in
2025/2026
Type
Summary
$8.31

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
eamgx
4.7
(6)
Sold
81
Followers
4
Items
31
Last sold
1 month ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions