1. ECOLOGIE EN MILIEU
HOOFDSTUK 1 – INLEIDING
Ecologie = wetenschappelijke studie van interacties tussen organismen onderling en tussen
organismen en hun omgeving.
1. Inleidende begrippen
Populatie = groep organismen die behoren tot 1 soort
Levensgemeenschap / biocenose = netwerk van onderlinge betrekkingen tussen planten,
dieren en mensen in een bepaald gebied.
Ecosysteem = kleinste uniforme onderdeel van een landschap en kan als ecosysteem
beschouwd worden met bepaalde levende en niet-levende componenten.
Biotoop = beschrijving van stuk leefgebied met bijhorende abiotische en biotische
componenten, zonder 1 bepaalde soort in het achterhoofd te houden
Habitat = omschrijving van hulpbronnen die een bepaalde soort nodig heeft, en dat is heel
specifiek.
Niche = omschrijving hoe de soort gebruik maakt van omgevingsfactoren en wat zijn effect is
op andere soorten
2. Biomen
= groeperingen van ecosystemen die verspreid liggen over meerdere continenten maar
bepaalde overeenkomsten vertonen op vlak van fauna en flora.
2.1 Terrestrische biomen (land)
Temperatuur Neerslag Typische aanpassingen
Tropisch regenwoud 25 °C - 29°C 200-400 cm/jaar Planten: gelaagd
(minder gelaagd in een droog
regenwoud)
Woestijn -30 °C – 50 < 30 cm/jaar Lage wijde vegetatie
°C Nachtdieren
Dieren: aangepast aan kleine
toegang van water
Savanne 24°C – 29°C 30 – 50 cm/jaar Verspreide bomen met
verschillende dichtheden +
doornig + kleine bladeren =
aanpassing op droge
omstandigheden
Chaparral W: 10°C – Regenachtige Grote diversiteit aan planten voor
12°C winters en droge een grote diversiteit aan dieren
Z: 30°C zomers Taaie groenblijvende balderen
van houtachtige planten
beperken waterverlies
Gematigd grasland -10°C – 30 °C 30-100 cm/jaar Planten: aanpassingen die ervoor
zorgen dat ze korte, droge
periodes kunnen overleven (gras
schiet snel terug na branden)
Taiga W: -50°C 30-70 cm/jaar Kegelvorm van naaldbomen:
Z: 20°C voorkomt dat sneeuw ophoopt en
takken afbreekt
Gematigd loofwoud W: 0°C 70-200 cm/jaar Sommige planten laten bladeren
Z: 35°C voor winter lage temp doet
fotosynthese verminderen +
wateropname uit bevroren grond
, is moeilijk
Tundra W: <-30°C 20-60 cm/jaar Premafrost: beperkt groei van
Z: < 10°C plantenwortels
3 biomen die van nature gevoelig zijn voor branden:
• savanne
• Taiga
• chaparral
2.2 Aquatische biomen (water)
HOOFDSTUK 2 – ABIOTISCHE FACTOREN
Abiotische factor = kan variëren in tijd en ruimte en aan dewelke organismen een
verschillende respons vertonen (temp, relatieve luchtvochtigheid…)
Omgevingscondities waarbij soort optimaal functioneer = soortafhankelijk!
Charles Darwin:
• ‘Survival of the fittest’ -> natuurlijke selectie (de best aangepaste blijft langst leven)
• overerfbare kenmerken max doorgeven in volgende generaties
Wanneer ben je biologisch succesvol?
Als je je overdraagbare kenmerken aan zoveel mogelijk nakomelingen
1. Temperatuur
Natuurlijke variaties door:
• breedtegraadligging
• hoogteligging
• seizoenale variaties
• diurnale variaties
Stand van aarde tegenover zon bepaald temperatuur
Vb.: als zon loodrecht op aarde schijnt => heel hoge temperaturen => lichtbundel is veel
geconcentreerder!!
Sterke instraling thv evenaar = warmere temp = hogere verdamping water
• Warme vochtige lucht stijgt op verwijdert zich weg van de evenaar
• Tijdens verplaatsing: lucht koelt geleidelijk af
• 30ste breedtegraad: afgekoelde lucht zakt naar aardopp. (woestijnen zijn droog)
deeltje luchtmassa stroomt verder naar polen
ander deeltje terug naar evenaar op lage hoogte -> warmt op -> thv evenaar opstijgen
• 60ste breedtegraad: lucht stijgt weer op + verliest vocht onder vorm van neerslag
• aangekomen op polen: lucht koelt af -> lucht zakt -> stroomt terug naar evenaar
Schuine stand aarde: verantwoordelijk voor seizoenale variaties
= ontstaan natte en droge seizoenen
Continentaal gelegen gebieden:
• zomer: sneller opwarmen (weerkaatsing gebouwen, …)
• winter: sneller afkoelen
Maritieme gebieden:
• zomer: verfrissend effect (water warmt trager op – koelt trager af)
• winter: mildere temperaturen
Urban heat island:
= stedelijk hitte eiland
, Steden warmen sneller op dan beboste of beplante oppervlakten
steden: door weerkaatsing gebouwen, voorwerpen…
beboste opp: matigen temperatuur variaties door evapotranspiratie
Meer mensen: in stad leven
mogelijk maar meer leefbaar maken door vergroening!!
Homeothermen = warmbloedigen die constante lichaamstemperatuur aanhouden
Poikilothermen = koudbloedigen die lichaamstemperatuur kennen die varieert in functie
van omgevingstemperatuur
Endothermen = lichaamstemperatuur reguleren door warmte te produceren in lichaam
Ectothermen = lichaamstemperatuur is afhankelijk van omgevingswarmte
MENS: homeotherm + endotherm
INSECT: homeotherm + ectotherm
1.1 Artikel endo- en ectothermie bijenkolonie
Honingbijen en -poppen: sterk afhankelijk van nauwkeurige regeling broednettemp. voor
goede ontwikkeling
Het warm houden van het bijennest gebeurt door een combinatie van actief en passief
gedrag. Bijen werken samen als één groot organisme (een “superorganisme”) om hun kroost
veilig en warm te houden. Iedereen draagt op zijn eigen manier bij, afhankelijk van leeftijd en
plaats in het nest.
Bij ectothermen: ‘(leef)tijd’ is temperatuursafhankelijk
Fysiologische tijd of graaddagen is een manier om te meten hoeveel warmte een
organisme heeft "verzameld" om te groeien of zich te ontwikkelen.
Sommige planten en dieren (zoals insecten) hebben een minimale temperatuur nodig
voordat hun groei of ontwikkeling op gang komt. Deze temperatuur noemen we de
drempeltemperatuur.
Acclimatisatie = blootstelling van een individu aan relatief hoge / lage temperaturen voor
een aantal dagen doet zijn gehele temperatuurrespons verschuiven naar respectievelijk
hogere / lagere temperaturen
Afharden = plantenkwekers doen dit zodat hun planten de winter kunnen weerstaan.
zuurstofverbruik: afh. van temperatuur
waarbij kikkers geacclimatiseerd werden
bij koude temp: klauwkikkers die aan koude
temperatuur geacclimatiseerd werden
verbruiken meer zuurstof (betere prestatie)
dan klauwkikkers die aan warme
temperatuur werden geacclimatiseerd
regel van Allen:
HOOFDSTUK 1 – INLEIDING
Ecologie = wetenschappelijke studie van interacties tussen organismen onderling en tussen
organismen en hun omgeving.
1. Inleidende begrippen
Populatie = groep organismen die behoren tot 1 soort
Levensgemeenschap / biocenose = netwerk van onderlinge betrekkingen tussen planten,
dieren en mensen in een bepaald gebied.
Ecosysteem = kleinste uniforme onderdeel van een landschap en kan als ecosysteem
beschouwd worden met bepaalde levende en niet-levende componenten.
Biotoop = beschrijving van stuk leefgebied met bijhorende abiotische en biotische
componenten, zonder 1 bepaalde soort in het achterhoofd te houden
Habitat = omschrijving van hulpbronnen die een bepaalde soort nodig heeft, en dat is heel
specifiek.
Niche = omschrijving hoe de soort gebruik maakt van omgevingsfactoren en wat zijn effect is
op andere soorten
2. Biomen
= groeperingen van ecosystemen die verspreid liggen over meerdere continenten maar
bepaalde overeenkomsten vertonen op vlak van fauna en flora.
2.1 Terrestrische biomen (land)
Temperatuur Neerslag Typische aanpassingen
Tropisch regenwoud 25 °C - 29°C 200-400 cm/jaar Planten: gelaagd
(minder gelaagd in een droog
regenwoud)
Woestijn -30 °C – 50 < 30 cm/jaar Lage wijde vegetatie
°C Nachtdieren
Dieren: aangepast aan kleine
toegang van water
Savanne 24°C – 29°C 30 – 50 cm/jaar Verspreide bomen met
verschillende dichtheden +
doornig + kleine bladeren =
aanpassing op droge
omstandigheden
Chaparral W: 10°C – Regenachtige Grote diversiteit aan planten voor
12°C winters en droge een grote diversiteit aan dieren
Z: 30°C zomers Taaie groenblijvende balderen
van houtachtige planten
beperken waterverlies
Gematigd grasland -10°C – 30 °C 30-100 cm/jaar Planten: aanpassingen die ervoor
zorgen dat ze korte, droge
periodes kunnen overleven (gras
schiet snel terug na branden)
Taiga W: -50°C 30-70 cm/jaar Kegelvorm van naaldbomen:
Z: 20°C voorkomt dat sneeuw ophoopt en
takken afbreekt
Gematigd loofwoud W: 0°C 70-200 cm/jaar Sommige planten laten bladeren
Z: 35°C voor winter lage temp doet
fotosynthese verminderen +
wateropname uit bevroren grond
, is moeilijk
Tundra W: <-30°C 20-60 cm/jaar Premafrost: beperkt groei van
Z: < 10°C plantenwortels
3 biomen die van nature gevoelig zijn voor branden:
• savanne
• Taiga
• chaparral
2.2 Aquatische biomen (water)
HOOFDSTUK 2 – ABIOTISCHE FACTOREN
Abiotische factor = kan variëren in tijd en ruimte en aan dewelke organismen een
verschillende respons vertonen (temp, relatieve luchtvochtigheid…)
Omgevingscondities waarbij soort optimaal functioneer = soortafhankelijk!
Charles Darwin:
• ‘Survival of the fittest’ -> natuurlijke selectie (de best aangepaste blijft langst leven)
• overerfbare kenmerken max doorgeven in volgende generaties
Wanneer ben je biologisch succesvol?
Als je je overdraagbare kenmerken aan zoveel mogelijk nakomelingen
1. Temperatuur
Natuurlijke variaties door:
• breedtegraadligging
• hoogteligging
• seizoenale variaties
• diurnale variaties
Stand van aarde tegenover zon bepaald temperatuur
Vb.: als zon loodrecht op aarde schijnt => heel hoge temperaturen => lichtbundel is veel
geconcentreerder!!
Sterke instraling thv evenaar = warmere temp = hogere verdamping water
• Warme vochtige lucht stijgt op verwijdert zich weg van de evenaar
• Tijdens verplaatsing: lucht koelt geleidelijk af
• 30ste breedtegraad: afgekoelde lucht zakt naar aardopp. (woestijnen zijn droog)
deeltje luchtmassa stroomt verder naar polen
ander deeltje terug naar evenaar op lage hoogte -> warmt op -> thv evenaar opstijgen
• 60ste breedtegraad: lucht stijgt weer op + verliest vocht onder vorm van neerslag
• aangekomen op polen: lucht koelt af -> lucht zakt -> stroomt terug naar evenaar
Schuine stand aarde: verantwoordelijk voor seizoenale variaties
= ontstaan natte en droge seizoenen
Continentaal gelegen gebieden:
• zomer: sneller opwarmen (weerkaatsing gebouwen, …)
• winter: sneller afkoelen
Maritieme gebieden:
• zomer: verfrissend effect (water warmt trager op – koelt trager af)
• winter: mildere temperaturen
Urban heat island:
= stedelijk hitte eiland
, Steden warmen sneller op dan beboste of beplante oppervlakten
steden: door weerkaatsing gebouwen, voorwerpen…
beboste opp: matigen temperatuur variaties door evapotranspiratie
Meer mensen: in stad leven
mogelijk maar meer leefbaar maken door vergroening!!
Homeothermen = warmbloedigen die constante lichaamstemperatuur aanhouden
Poikilothermen = koudbloedigen die lichaamstemperatuur kennen die varieert in functie
van omgevingstemperatuur
Endothermen = lichaamstemperatuur reguleren door warmte te produceren in lichaam
Ectothermen = lichaamstemperatuur is afhankelijk van omgevingswarmte
MENS: homeotherm + endotherm
INSECT: homeotherm + ectotherm
1.1 Artikel endo- en ectothermie bijenkolonie
Honingbijen en -poppen: sterk afhankelijk van nauwkeurige regeling broednettemp. voor
goede ontwikkeling
Het warm houden van het bijennest gebeurt door een combinatie van actief en passief
gedrag. Bijen werken samen als één groot organisme (een “superorganisme”) om hun kroost
veilig en warm te houden. Iedereen draagt op zijn eigen manier bij, afhankelijk van leeftijd en
plaats in het nest.
Bij ectothermen: ‘(leef)tijd’ is temperatuursafhankelijk
Fysiologische tijd of graaddagen is een manier om te meten hoeveel warmte een
organisme heeft "verzameld" om te groeien of zich te ontwikkelen.
Sommige planten en dieren (zoals insecten) hebben een minimale temperatuur nodig
voordat hun groei of ontwikkeling op gang komt. Deze temperatuur noemen we de
drempeltemperatuur.
Acclimatisatie = blootstelling van een individu aan relatief hoge / lage temperaturen voor
een aantal dagen doet zijn gehele temperatuurrespons verschuiven naar respectievelijk
hogere / lagere temperaturen
Afharden = plantenkwekers doen dit zodat hun planten de winter kunnen weerstaan.
zuurstofverbruik: afh. van temperatuur
waarbij kikkers geacclimatiseerd werden
bij koude temp: klauwkikkers die aan koude
temperatuur geacclimatiseerd werden
verbruiken meer zuurstof (betere prestatie)
dan klauwkikkers die aan warme
temperatuur werden geacclimatiseerd
regel van Allen: