Filosofie – SEMESTER 2
WETENSCHAPSFILOSOFIE
1. WAT IS WETENSCHAP?
Wetenschap = wat we weten & zijn er grenzen aan w?
1. wetenschappelijke grenzen?
2. cultureel-historische grenzen?
3. ethische grenzen?
Demarcatievraagstuk: Welke kennis wordt als ‘wetenschap’ beschouwd en welke niet?
o Demarceren = afbaken
o Duidelijk afbakenen wat wel en wat niet als w beschouwd kan worden.
Vroegere wetenschappers Moderne wetenschappers
= NATUURFILOSOFIE = WETENSCHAP
- Probleem: nog niet gespecialiseerd, - Vandaag: vss specialisaties: houden zich
werkzaam op vss domeinen (bio, fysica) met 1 tak bezig
- Nog geen nadruk - Nadruk ligt op meetbare
eigenschappen + waarneembare
werkelijkheid
hechten veel belang aan rationele argumenten en aan kritische traditie
Def. w = het systematisch verzamelen, ordenen en controleren van menselijke kennis
Geen wetenschap:
≠ Alchemie (het vervaardigen van de Steen der wijzen om metalen in goud om te
zetten, ziektes te genezen en de levensduur te verlengen)
≠ Astrologie (niet meetbaar)
2. ONTWIKKELING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE
2.1. Premoderne tijd
2.1.1. Aristoteles: gezien als eerste wetenschapper, uitvinder logica
in logica vooral deductieve redenering
Inductieve-deductieve methode:
1. Inductie (op grond van waarnemingen → tot een algemene regel)
! maar kon nooit volstaan als basis van w
1
,Vb. je ziet dat appels vallen van bomen, stenen vallen naar beneden.
2. Deductie (theorie/rede - toetsen aan realiteit → tot waarnemingen)
Vb. Alle dingen vallen naar beneden omdat ze naar de aarde worden aangetrokken
3. Controle: conclusies uit deductieve fase controleren door waarnemingen, experimenten
Vb. Als je iets laat vallen en het valt inderdaad naar beneden, dan lijkt je theorie juist
2.1.2. Ibn Al-Haythan (10de eeuw, Egypte): leverde bijdrage: ontwikkeling w methode
Hij gebruikte in zijn beroemde werk rond optica: observatie & experimentatie
→ benadrukt belang van waarnemingen als uitgangspunt & kritisch nadenken & niet
blindelings aannemen wat anderen schrijven
→ kritiek op Aristoteles: → hij had de inductieve methode onvoldoende uitgewerkt
2.2. Moderne tijd
2.2.1. Francis Bacon (16de - 17de eeuw, Engeland)
Kennis verwerven alleen door empirische observatie & experimenten
Geest = bevooroordeeld met empirisch onderzoek: vooroordelen overwinnen
idee leidde tot nieuwe, op ervaring gebaseerde w methode.
Empirische observatie (start met twijfel en kom tot conclusie) = Inductieve methode
1. Vertrekt vanuit observatie, betrouwbare waarneming - zoals Aristoteles
→ legt voorwaarden vast om te omschrijven hoe je tot nauwkeurige en systematische
waarnemingen kunt komen (= observatie is niet vrijblijvend)
Vb. je ziet verschillende zwanen in het park
2. Inductie: uit waarnemingen, worden stellingen afgeleid (mag niet meer afleiden uit de
waarneming dan er verteld wordt!) en theorieën gevormd worden
Vb. je ziet dat alle zwanen in het park wit zijn
3. Het toetsen van je stelling ahv nieuwe experimenten, nieuwe feiten = door nieuwe feiten
te verzamelen, samenvoegen van bestaande feiten en stellingen nieuwe stellingen te
komen
Vb. conclusie: alle zwanen zijn wit – maar je ziet dan ineens een zwarte zwaan
2
, = Baconiaanse methode: cyclus
!! je mag je niet laten leiden door vooroordelen of je aannemen!!
Het bewijzen van iets met de Baconiaanse methode
2.2.2. Auguste Comte (18de – 19de eeuw, Frankrijk)
Geloofde: vooruitgang & orde, doel: samenleving verbeteren door nieuwe, theoretische
w ontwikkelen over die samenleving (“wereld kan mooier zijn als we luisteren naar w”)
Grondlegger logisch positivisme = 1ste STROMING OVER HOE WE BEST AAN W DOEN
W of niet? 2 zaken bepalend
1. W: moet bewezen kunnen worden (niet toetsbaar ≠ geen w)
2. Empirische basis = bron kennis = verificatiecriterium
Breidde dit uit van natuurw mensw
o Nieuwe w = sociologie = studie van samenleving geënt op model NW
Kennis ontwikkelen door 3 stadiums in de wetenschap = wet van de 3 stadia
Theologisch stadium = mensen riepen goden in om wereld te begrijpen.
Mythen verklaarden alle natuurwetenschappen (onzin, maar noodzakelijk stadium)
Vb. Bliksem door Zeus in de Griekse mythologie
Metafysisch stadium = mensen riepen onzichtbare krachten in om wereld te
begrijpen (bv. Goedheid, waarheid) irrationeel maar ook noodzakelijk
Vb. Plato's Ideeënleer over een perfecte, onzichtbare wereld.
Positivisme = mens denkt enkel nog in feitelijke verbanden (natuurwetenschappen,
Bacon) = enige juiste, enige die maatschappij vooruithelpt
Vb. Newton zwaartekrachtwet, gebaseerd op observaties
2.2.3. Wiener Kreis = groep wetenschappers en filosofen in Wenen (j’ 1920-30) die
geloofden: echte kennis komt alleen uit logica en empirische observatie
Enkel tautologie of verifieerbare uitspraak had zin
• Tautologie: waarheid van uitspraak zit in zin zelf besloten
• Verifieerbare uitspraak: kan je meten en dus verifiëren
3
WETENSCHAPSFILOSOFIE
1. WAT IS WETENSCHAP?
Wetenschap = wat we weten & zijn er grenzen aan w?
1. wetenschappelijke grenzen?
2. cultureel-historische grenzen?
3. ethische grenzen?
Demarcatievraagstuk: Welke kennis wordt als ‘wetenschap’ beschouwd en welke niet?
o Demarceren = afbaken
o Duidelijk afbakenen wat wel en wat niet als w beschouwd kan worden.
Vroegere wetenschappers Moderne wetenschappers
= NATUURFILOSOFIE = WETENSCHAP
- Probleem: nog niet gespecialiseerd, - Vandaag: vss specialisaties: houden zich
werkzaam op vss domeinen (bio, fysica) met 1 tak bezig
- Nog geen nadruk - Nadruk ligt op meetbare
eigenschappen + waarneembare
werkelijkheid
hechten veel belang aan rationele argumenten en aan kritische traditie
Def. w = het systematisch verzamelen, ordenen en controleren van menselijke kennis
Geen wetenschap:
≠ Alchemie (het vervaardigen van de Steen der wijzen om metalen in goud om te
zetten, ziektes te genezen en de levensduur te verlengen)
≠ Astrologie (niet meetbaar)
2. ONTWIKKELING VAN DE WETENSCHAPPELIJKE METHODE
2.1. Premoderne tijd
2.1.1. Aristoteles: gezien als eerste wetenschapper, uitvinder logica
in logica vooral deductieve redenering
Inductieve-deductieve methode:
1. Inductie (op grond van waarnemingen → tot een algemene regel)
! maar kon nooit volstaan als basis van w
1
,Vb. je ziet dat appels vallen van bomen, stenen vallen naar beneden.
2. Deductie (theorie/rede - toetsen aan realiteit → tot waarnemingen)
Vb. Alle dingen vallen naar beneden omdat ze naar de aarde worden aangetrokken
3. Controle: conclusies uit deductieve fase controleren door waarnemingen, experimenten
Vb. Als je iets laat vallen en het valt inderdaad naar beneden, dan lijkt je theorie juist
2.1.2. Ibn Al-Haythan (10de eeuw, Egypte): leverde bijdrage: ontwikkeling w methode
Hij gebruikte in zijn beroemde werk rond optica: observatie & experimentatie
→ benadrukt belang van waarnemingen als uitgangspunt & kritisch nadenken & niet
blindelings aannemen wat anderen schrijven
→ kritiek op Aristoteles: → hij had de inductieve methode onvoldoende uitgewerkt
2.2. Moderne tijd
2.2.1. Francis Bacon (16de - 17de eeuw, Engeland)
Kennis verwerven alleen door empirische observatie & experimenten
Geest = bevooroordeeld met empirisch onderzoek: vooroordelen overwinnen
idee leidde tot nieuwe, op ervaring gebaseerde w methode.
Empirische observatie (start met twijfel en kom tot conclusie) = Inductieve methode
1. Vertrekt vanuit observatie, betrouwbare waarneming - zoals Aristoteles
→ legt voorwaarden vast om te omschrijven hoe je tot nauwkeurige en systematische
waarnemingen kunt komen (= observatie is niet vrijblijvend)
Vb. je ziet verschillende zwanen in het park
2. Inductie: uit waarnemingen, worden stellingen afgeleid (mag niet meer afleiden uit de
waarneming dan er verteld wordt!) en theorieën gevormd worden
Vb. je ziet dat alle zwanen in het park wit zijn
3. Het toetsen van je stelling ahv nieuwe experimenten, nieuwe feiten = door nieuwe feiten
te verzamelen, samenvoegen van bestaande feiten en stellingen nieuwe stellingen te
komen
Vb. conclusie: alle zwanen zijn wit – maar je ziet dan ineens een zwarte zwaan
2
, = Baconiaanse methode: cyclus
!! je mag je niet laten leiden door vooroordelen of je aannemen!!
Het bewijzen van iets met de Baconiaanse methode
2.2.2. Auguste Comte (18de – 19de eeuw, Frankrijk)
Geloofde: vooruitgang & orde, doel: samenleving verbeteren door nieuwe, theoretische
w ontwikkelen over die samenleving (“wereld kan mooier zijn als we luisteren naar w”)
Grondlegger logisch positivisme = 1ste STROMING OVER HOE WE BEST AAN W DOEN
W of niet? 2 zaken bepalend
1. W: moet bewezen kunnen worden (niet toetsbaar ≠ geen w)
2. Empirische basis = bron kennis = verificatiecriterium
Breidde dit uit van natuurw mensw
o Nieuwe w = sociologie = studie van samenleving geënt op model NW
Kennis ontwikkelen door 3 stadiums in de wetenschap = wet van de 3 stadia
Theologisch stadium = mensen riepen goden in om wereld te begrijpen.
Mythen verklaarden alle natuurwetenschappen (onzin, maar noodzakelijk stadium)
Vb. Bliksem door Zeus in de Griekse mythologie
Metafysisch stadium = mensen riepen onzichtbare krachten in om wereld te
begrijpen (bv. Goedheid, waarheid) irrationeel maar ook noodzakelijk
Vb. Plato's Ideeënleer over een perfecte, onzichtbare wereld.
Positivisme = mens denkt enkel nog in feitelijke verbanden (natuurwetenschappen,
Bacon) = enige juiste, enige die maatschappij vooruithelpt
Vb. Newton zwaartekrachtwet, gebaseerd op observaties
2.2.3. Wiener Kreis = groep wetenschappers en filosofen in Wenen (j’ 1920-30) die
geloofden: echte kennis komt alleen uit logica en empirische observatie
Enkel tautologie of verifieerbare uitspraak had zin
• Tautologie: waarheid van uitspraak zit in zin zelf besloten
• Verifieerbare uitspraak: kan je meten en dus verifiëren
3