Statistiek is de wetenschap, de methodiek en de techniek van het verzamelen, bewerken,
interpreteren en presenteren van gegevens.
Belang
= prestatieanalyse, gegevensgestuurde besluitvorming, professionele communicatie,
administratie, …
Termen
- Steekproef = kleine groep uit een grote groep halen en testen
je kan bv niet alle sedentairen in VL testen, wel een kleine groep hieruit
- populatie = de hele groep
- selecte steekproef = je kiest uit u populatie (daling validiteit => niet erg
representatief)
- aselecte steekproef = niet direct mensen ofz aanduiden
- enkelvoudige steekproefname (getallen laten trekken uit kom bv)
- gestratificeerde s (populatie in doelgroepen obv inkomen , leeftijd, gender, …
en dan daaruit aselect nemen?
- geclusterd (heterogene clusters/groepen uit steekproef)
- systematisch (bv alfabetisch en dan 1e, 5e, 10e, 15e, …
- causaal = A zorgt v B = oorzakelijk (dit gn wij niet doen)
- correlatie = verband mr niet uitsluitend causaal (dit gn wij altijd gebruiken)
- Beschrijvende statistiek = gewoon weergeven wat je gemeten hebt → bv. hoeveel
mannen en vrouwen in de klas
= sorteren, samenvatten, beschrijven, voorstellen (= objectieve voorstelling v feiten)
- variabele = geslacht
- waarden = man , vrouw , x
- Inductieve statistiek= inferentiële? = al een interpretatie aangeven → conclusies
trekken obv steekproef over hele populatie
= schatten en toetsen, hypothese aanvaarden of verwerpen
- variabele = meetbaar kenmerk persoon
- afhankelijke variabele = variabele die je onderzoekt
- onafhankelijke variabele = vaststaand
voorbeelden pwp
- uithoudingstraining is afhankelijk, 10km prestatie is onafhankelijk
- alcohol is onafhankelijk, leervermogen is afhankelijk
- wekelijks lopen is onafhankelijk, cardiovasculaire ziektes is afhankelijk
⇒ onafhankelijke op x-as en afhankelijke op y-as
- waarden = geeft verschillende ‘scoremogelijkheden’ v de variabele
- dispersiemaat = mate v verscheidenheid→ hoe situeren waarden zich rond
centrummaat (grote/kleine spreiding) (bij zo’n norm verdeling grafiek)
, - meetniveaus
a. meetniveaus van de categorien (bv. man vrouw, sporten, kleuren…)
- nominaal = je hebt categorie die je niet kan rangschikken
→ man vrouw bv. , je kan niet zeggen dat ene beter is dan andere
- ordinaal = categorie maar wel rangschikbaar
→ bv. tevredenheidschalen?, leeftijdsgroepen, …
weergeven : frequentietabel, cirkeldiagram, staafdiagram
b. meetniveaus v opeenvolgende cijfers
- Metrisch met : interval en ratio
⇒ verschil metrisch en ordinaal : afstand tussen ordinale waarden kan
je niet meten/staat niet vast
metrisch = bv. 10-12j , 13-15j, … = telkens 2j
ordinaal = tevredenheidsniveau bv. = ik voel mij slecht, ok, goed, zeer
goed,.. = je weet de afstand tussen deze waarden dus niet
weergeven : kengetallen, histogram, lijndiagram, boxplot, spreidingsdiagram, ..
kwalitatieve waarden
- continu : lengte 1m78, 1m65, …
- descreet : borg 1, 2 , 3, …
Meetniveaus voorbeelden (welke variabele heb je nodig en welk meetniveau is het)
- snelheid op 100m sprint= metrisch
- aantal punten = metrisch
- favoriete sporten? = nominaal
- rangschikking? =ordinaal
- aantal x getraind = metrisch
Weergave meetniveaus
- nominaal =frequentieverdeling, modus / cirkeldiagram, staaf/kolomdiagram,
stapeldiagram (1verticale kolom ingedient zoals cirkeldiagram)( geen rangschikking)
- ordinaal = frequentieverdeling, modus, mediaan, Q1 en Q3 / staafdiagram,
spindiagram (geen cirkel want dan kan je geen rangschikking weergeven)
- metrisch = gem, stnd dev, min, max / kengetallen, histogram, frequentiepolygoon,
staafdiagram, boxplot, lijndiagram, dotplot ..
Praktijkgericht onderzoek
oriënteren → richten → plannen → verzamelen → analyseren en concluderen →
rapporteren en presenteren →
Onderzoeksvragen (stap 2 => richten)
- beschrijvende vraag = iets zo volledig in kaart brengen (bv. hoeveel % heeft
overgewicht) (crikel en staafdiagrammen, tabellen, gem, sd, %, ..)
- vergelijkende vraag = verschillen tussen X en Y ( staafdia, boxplot, t-toets, regressie
analyse, …)
interpreteren en presenteren van gegevens.
Belang
= prestatieanalyse, gegevensgestuurde besluitvorming, professionele communicatie,
administratie, …
Termen
- Steekproef = kleine groep uit een grote groep halen en testen
je kan bv niet alle sedentairen in VL testen, wel een kleine groep hieruit
- populatie = de hele groep
- selecte steekproef = je kiest uit u populatie (daling validiteit => niet erg
representatief)
- aselecte steekproef = niet direct mensen ofz aanduiden
- enkelvoudige steekproefname (getallen laten trekken uit kom bv)
- gestratificeerde s (populatie in doelgroepen obv inkomen , leeftijd, gender, …
en dan daaruit aselect nemen?
- geclusterd (heterogene clusters/groepen uit steekproef)
- systematisch (bv alfabetisch en dan 1e, 5e, 10e, 15e, …
- causaal = A zorgt v B = oorzakelijk (dit gn wij niet doen)
- correlatie = verband mr niet uitsluitend causaal (dit gn wij altijd gebruiken)
- Beschrijvende statistiek = gewoon weergeven wat je gemeten hebt → bv. hoeveel
mannen en vrouwen in de klas
= sorteren, samenvatten, beschrijven, voorstellen (= objectieve voorstelling v feiten)
- variabele = geslacht
- waarden = man , vrouw , x
- Inductieve statistiek= inferentiële? = al een interpretatie aangeven → conclusies
trekken obv steekproef over hele populatie
= schatten en toetsen, hypothese aanvaarden of verwerpen
- variabele = meetbaar kenmerk persoon
- afhankelijke variabele = variabele die je onderzoekt
- onafhankelijke variabele = vaststaand
voorbeelden pwp
- uithoudingstraining is afhankelijk, 10km prestatie is onafhankelijk
- alcohol is onafhankelijk, leervermogen is afhankelijk
- wekelijks lopen is onafhankelijk, cardiovasculaire ziektes is afhankelijk
⇒ onafhankelijke op x-as en afhankelijke op y-as
- waarden = geeft verschillende ‘scoremogelijkheden’ v de variabele
- dispersiemaat = mate v verscheidenheid→ hoe situeren waarden zich rond
centrummaat (grote/kleine spreiding) (bij zo’n norm verdeling grafiek)
, - meetniveaus
a. meetniveaus van de categorien (bv. man vrouw, sporten, kleuren…)
- nominaal = je hebt categorie die je niet kan rangschikken
→ man vrouw bv. , je kan niet zeggen dat ene beter is dan andere
- ordinaal = categorie maar wel rangschikbaar
→ bv. tevredenheidschalen?, leeftijdsgroepen, …
weergeven : frequentietabel, cirkeldiagram, staafdiagram
b. meetniveaus v opeenvolgende cijfers
- Metrisch met : interval en ratio
⇒ verschil metrisch en ordinaal : afstand tussen ordinale waarden kan
je niet meten/staat niet vast
metrisch = bv. 10-12j , 13-15j, … = telkens 2j
ordinaal = tevredenheidsniveau bv. = ik voel mij slecht, ok, goed, zeer
goed,.. = je weet de afstand tussen deze waarden dus niet
weergeven : kengetallen, histogram, lijndiagram, boxplot, spreidingsdiagram, ..
kwalitatieve waarden
- continu : lengte 1m78, 1m65, …
- descreet : borg 1, 2 , 3, …
Meetniveaus voorbeelden (welke variabele heb je nodig en welk meetniveau is het)
- snelheid op 100m sprint= metrisch
- aantal punten = metrisch
- favoriete sporten? = nominaal
- rangschikking? =ordinaal
- aantal x getraind = metrisch
Weergave meetniveaus
- nominaal =frequentieverdeling, modus / cirkeldiagram, staaf/kolomdiagram,
stapeldiagram (1verticale kolom ingedient zoals cirkeldiagram)( geen rangschikking)
- ordinaal = frequentieverdeling, modus, mediaan, Q1 en Q3 / staafdiagram,
spindiagram (geen cirkel want dan kan je geen rangschikking weergeven)
- metrisch = gem, stnd dev, min, max / kengetallen, histogram, frequentiepolygoon,
staafdiagram, boxplot, lijndiagram, dotplot ..
Praktijkgericht onderzoek
oriënteren → richten → plannen → verzamelen → analyseren en concluderen →
rapporteren en presenteren →
Onderzoeksvragen (stap 2 => richten)
- beschrijvende vraag = iets zo volledig in kaart brengen (bv. hoeveel % heeft
overgewicht) (crikel en staafdiagrammen, tabellen, gem, sd, %, ..)
- vergelijkende vraag = verschillen tussen X en Y ( staafdia, boxplot, t-toets, regressie
analyse, …)