Schema literaire begrippen
1. Personages (instructievideo 1)
● Personage = karakter uit een verhaal, waarvan je de innerlijke en uiterlijke
kenmerken te weten komt, de identiteit en zijn/haar relatie tot anderen.
De schrijver stelt zich deze vragen over de personage(s):
- Wat voor iemand is het?
- Wat doet het?
- Wat zegt, denkt of voelt het?
- Wat zeggen de andere personages over hem/haar?
● Rolverdeling:
○ protagonist = hoofdpersonage, waar meestal het hele verhaal rond draait
○ antagonist = tegenspeler protagonist, die protagonist moeilijk tot
onmogelijk maakt doel te bereiken
○ nevenfiguren = figuren in het verhaal die verschillende functies kunnen
hebben, bv vriend van de protagonist of hulpje van de antagonist etc.
○ figuranten = achtergrondpersonages die het verhaal opvullen en kleur
geven, maar niet echt belangrijk zijn voor het verloop van het verhaal
● Karakters:
○ vol karakter: verschillende karaktertrekken, maakt een evolutie mee, lijkt
op een persoon die je echt leert te kennen
○ vlak karakter: stereotiep personage, vast en onveranderlijk (evolueert niet),
opvallende eigenschappen & reageert steeds op dezelfde manier