Oögenese – vanaf foetale periode
Centraal dogma van de reproductiebiologie:
Meisjes hebben vanaf de geboorte een definitieve aangelegde voorraad primaire oöcyten
(500 000 tot 2 000 000)
Definitieve voorraad eicellen in vraag gesteld. Bij muis werden namelijk ovariële stamcellen gevonden waaruit de voorraad eicellen kan worden aangevuld
Verloop oögenese: maand 3 tot 7 van de embryonale ontwikkeling
Maand 7: alle aanwezige oöcyten gelijktijdig in profase I → eicel arrest tot puberteit
= primaire oöcyten
→ Omgeven door 1 laag afgeplatte follikelcellen
→ = primordiale follikel
(kunnen 10-tallen jaren in rustperiode zijn)
Puberteit tot menopauze (10-12j tot 48-55j)
Maandelijks enkele primordiale follikels geactiveerd (5 tot 15)
slechts 1 volledige rijping: 1 eicel/ ovulatie = follikelselectie
→ door follikelstimulerend hormoon (FSH)
& luteïniserend hormoon (LH)
→ Meiose I afgewerkt (maandelijks dus) + Start meiose II (tot metafase II)
Follikelcellen worden kubisch meerlagig → granulosacellen
→ Holten in granulosacellen
Cumulus oophorus
Holtens smelten samen tot groot, centraal follikelholte
Granulosacellen & corona radiata
= antrum
Oöcyte in follikelholte
omgeven door corona radiata (= krans granulosacellen)
- eronder zona pellucida
Cumulus oophorus = follikelholte met oöcyte + corona radiata
Tijdens ontwikkeling (tot follikel van De Graaf):
- Corona radiata legt mantel van glycoproteïnen aan
- Theca folliculi ontwikkeld door uit stromacellen ovarium (aan periferie granulosacellen)
→ Theca-interna = aan binnenkant granulosacellen
afscheiding steroïdehormonen vr productie oestrogeen
→ Theca-externa = aan buitenkant granulosacellen
bindweefselachtig
→ Graafse follikel = rijpe follikel
(diameter = 1,5-2 cm - grote cel)
Gearresteerd in metafase II,
dit enkel afgewerkt na bevruchting
,Follikelatresie (follikelattritie genoemd in foetale periode) = afsterven van eicellen
M5: 6-7 miljoen eicellen
Geboorte: 2 miljoen eicellen
Puberteit: 300 000 eicellen
Menopauze: 400 eicellen
Na de ovulatie:
Rijpe follikel barst open aan oppervlak ovarium (eierstok)
→ secundaire oöcyt komt in het infundibulum (= verbreed, distaal uiteinde van tuba uterina (eileider))
→ Fimbriae (tentakelachtige uiteinden aan rand eileider) zorgen ervoor dat sec. oöcyt in eileider terecht
komt
Corpus luteum (geel lichaam) = massa granulosa- en thecacellen
Blijft achter in ovarium
→ Secretie oestrogeen + progesteron
→ voorbereiding uterus op implantatie
Indien geen (zwangerschap): corpus luteum degenereert tot corpus albicans (wit lichaam)
→ zal gefagocyteerd worden door
macrofagen
Uit 1 primaire oöcyte ontstaat 1 secundaire oöcyte die kan bevrucht worden
→ Andere dochtercellen bij meiose worden poollichaampjes (= polocyte/ polar body)
- geen functie, weinig cytoplasma, sterven snel af
1ste poollichaampje: uitgestoten na 1ste meiotische deling
bevat de helft van de homologe chromosomen
2de poollichaamoje: uitgestoten na bevruchting
bevat een set gescheiden chromatiden
Niet-dysjunctie
Eicellen in arrest kunnen na lange periode veranderingen in het genoom vertonen
→ Zwangerschappen op hogere leeftijd (vanaf 35j) hebben een verhoogde kans op foetus met
genetische defect. (Ook als ouders geen drager zijn van genetische afwijking!)
Niet-dysjunctie = oöcyte meteen overschot/ tekort aan chromosomen
→ monosomie = 45 chromosomen (1 tekort)
→ trisomie = 47 chromosomen (1 teveel)
ALGEMEEN: monosomie van autosoom (chrom. dat geen geslachtschrom is)
is niet levensvatbaar (miskraam)
,Down-syndroom (mongolisme) = trisomie van chr21.
Klinefelter syndroom = trisomie v/h X-chr. : XXY of XXXY (bij mannen)
- onderontwikkelde testes (= hypogonadisme) Lage
- borstontwikkeling (= gynecomastie) testosteronproductie
- abnormaal lange ledematen door cellen van Leydig
Turner syndroom = monosomie v/h X-chr.
- hypogonadisme bij vrouwen
- zeer kleine gestalte
- afwijkend aortaboog
Samenvattende figuren:
Bekijk ook morfologische parameters van eicelkwaliteit (PPW)
, Geovuleerde follikel zit
in metafase II en heeft al
een PL
EXAMEN:
Zaadcel haploïd wnr het de eicel
bevrucht
Centraal dogma van de reproductiebiologie:
Meisjes hebben vanaf de geboorte een definitieve aangelegde voorraad primaire oöcyten
(500 000 tot 2 000 000)
Definitieve voorraad eicellen in vraag gesteld. Bij muis werden namelijk ovariële stamcellen gevonden waaruit de voorraad eicellen kan worden aangevuld
Verloop oögenese: maand 3 tot 7 van de embryonale ontwikkeling
Maand 7: alle aanwezige oöcyten gelijktijdig in profase I → eicel arrest tot puberteit
= primaire oöcyten
→ Omgeven door 1 laag afgeplatte follikelcellen
→ = primordiale follikel
(kunnen 10-tallen jaren in rustperiode zijn)
Puberteit tot menopauze (10-12j tot 48-55j)
Maandelijks enkele primordiale follikels geactiveerd (5 tot 15)
slechts 1 volledige rijping: 1 eicel/ ovulatie = follikelselectie
→ door follikelstimulerend hormoon (FSH)
& luteïniserend hormoon (LH)
→ Meiose I afgewerkt (maandelijks dus) + Start meiose II (tot metafase II)
Follikelcellen worden kubisch meerlagig → granulosacellen
→ Holten in granulosacellen
Cumulus oophorus
Holtens smelten samen tot groot, centraal follikelholte
Granulosacellen & corona radiata
= antrum
Oöcyte in follikelholte
omgeven door corona radiata (= krans granulosacellen)
- eronder zona pellucida
Cumulus oophorus = follikelholte met oöcyte + corona radiata
Tijdens ontwikkeling (tot follikel van De Graaf):
- Corona radiata legt mantel van glycoproteïnen aan
- Theca folliculi ontwikkeld door uit stromacellen ovarium (aan periferie granulosacellen)
→ Theca-interna = aan binnenkant granulosacellen
afscheiding steroïdehormonen vr productie oestrogeen
→ Theca-externa = aan buitenkant granulosacellen
bindweefselachtig
→ Graafse follikel = rijpe follikel
(diameter = 1,5-2 cm - grote cel)
Gearresteerd in metafase II,
dit enkel afgewerkt na bevruchting
,Follikelatresie (follikelattritie genoemd in foetale periode) = afsterven van eicellen
M5: 6-7 miljoen eicellen
Geboorte: 2 miljoen eicellen
Puberteit: 300 000 eicellen
Menopauze: 400 eicellen
Na de ovulatie:
Rijpe follikel barst open aan oppervlak ovarium (eierstok)
→ secundaire oöcyt komt in het infundibulum (= verbreed, distaal uiteinde van tuba uterina (eileider))
→ Fimbriae (tentakelachtige uiteinden aan rand eileider) zorgen ervoor dat sec. oöcyt in eileider terecht
komt
Corpus luteum (geel lichaam) = massa granulosa- en thecacellen
Blijft achter in ovarium
→ Secretie oestrogeen + progesteron
→ voorbereiding uterus op implantatie
Indien geen (zwangerschap): corpus luteum degenereert tot corpus albicans (wit lichaam)
→ zal gefagocyteerd worden door
macrofagen
Uit 1 primaire oöcyte ontstaat 1 secundaire oöcyte die kan bevrucht worden
→ Andere dochtercellen bij meiose worden poollichaampjes (= polocyte/ polar body)
- geen functie, weinig cytoplasma, sterven snel af
1ste poollichaampje: uitgestoten na 1ste meiotische deling
bevat de helft van de homologe chromosomen
2de poollichaamoje: uitgestoten na bevruchting
bevat een set gescheiden chromatiden
Niet-dysjunctie
Eicellen in arrest kunnen na lange periode veranderingen in het genoom vertonen
→ Zwangerschappen op hogere leeftijd (vanaf 35j) hebben een verhoogde kans op foetus met
genetische defect. (Ook als ouders geen drager zijn van genetische afwijking!)
Niet-dysjunctie = oöcyte meteen overschot/ tekort aan chromosomen
→ monosomie = 45 chromosomen (1 tekort)
→ trisomie = 47 chromosomen (1 teveel)
ALGEMEEN: monosomie van autosoom (chrom. dat geen geslachtschrom is)
is niet levensvatbaar (miskraam)
,Down-syndroom (mongolisme) = trisomie van chr21.
Klinefelter syndroom = trisomie v/h X-chr. : XXY of XXXY (bij mannen)
- onderontwikkelde testes (= hypogonadisme) Lage
- borstontwikkeling (= gynecomastie) testosteronproductie
- abnormaal lange ledematen door cellen van Leydig
Turner syndroom = monosomie v/h X-chr.
- hypogonadisme bij vrouwen
- zeer kleine gestalte
- afwijkend aortaboog
Samenvattende figuren:
Bekijk ook morfologische parameters van eicelkwaliteit (PPW)
, Geovuleerde follikel zit
in metafase II en heeft al
een PL
EXAMEN:
Zaadcel haploïd wnr het de eicel
bevrucht