Geschreven door studenten die geslaagd zijn Direct beschikbaar na je betaling Online lezen of als PDF Verkeerd document? Gratis ruilen 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 137 pagina's
Samenvatting

Samenvatting De rivier van Herakleitos - Historisch overzicht van de wijsbegeerte (A001082A)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 137 pagina's

Dit is een samenvatting per les van wijsbegeerte. Per les worden er enkele delen behandeld van het boek "de rivier van Herakleitos". Op basis van wat er werd behandeld, heb ik per les de slides, mijn lesnotities en de behandelde delen van het boek samengevat. In totaal werden er 10 lessen gegeven. Veel succes!

Voorbeeld van de inhoud

Les 1- Van Thales tot Plato

Inhoudsopgave

Inleiding: Filosofische vragen en kennis ................................................................................................................ 2
1. Wat is een filosofische vraag? .......................................................................................................................... 2
2. Filosofie en haar deelgebieden ........................................................................................................................ 2
3. Invloed van Plato ............................................................................................................................................ 3
4. Socrates en Plato ........................................................................................................................................... 3
5. De socratische methode: begripsanalyse ......................................................................................................... 3
6. Soorten definities ........................................................................................................................................... 4
7. Intensie en extensie ........................................................................................................................................ 4
8. Plato’s Theaetetus ......................................................................................................................................... 5
Samenvattende tabel ......................................................................................................................................... 7

5. De natuurfilosofen (6e – 5e eeuw v.o.t.) .............................................................................................................. 8
5.1 Thales van Milete (± 624 – 546 v.o.t.) ............................................................................................................... 8
5.2 Anaximander (± 610 – 546 v.o.t.) ..................................................................................................................... 8
5.3 Anaximenes (± 585 – 528 v.o.t.) ...................................................................................................................... 9
5.4 Pythagoras (± 570 – 495 v.o.t.) ........................................................................................................................ 9
5.5 Heraclitus (± 540 – 480 v.o.t.) ....................................................................................................................... 10
5.6 Parmenides (± 515 – 450 v.o.t.) & Zeno van Elea ............................................................................................. 10
5.7 Leucippus & Democritus (± 460 – 370 v.o.t.) .................................................................................................. 11
5.8 Betekenis van de natuurfilosofen ................................................................................................................. 11
Overzichtstabel natuurfilosofen ........................................................................................................................ 12

6. De sofisten en Socrates (5e eeuw v.o.t.) ........................................................................................................... 13
6.1 De Sofisten ................................................................................................................................................ 13
6.2 Socrates (± 470 – 399 v.o.t.) ......................................................................................................................... 15
Overzichtstabel: Sofisten vs. Socrates ............................................................................................................... 17

7. Plato (428 – 348 v.o.t.)...................................................................................................................................... 17
7.1 Plato’s kennisleer ....................................................................................................................................... 18
7.2 Platonisme in de natuurwetenschappen ....................................................................................................... 19
7.3 Plato’s moraal en politieke filosofie .............................................................................................................. 21
7.4 Plato’s mensvisie ....................................................................................................................................... 22
7.5 Kritiek op Plato: Popper en de “open samenleving” ........................................................................................ 23
Overzichtstabel: Plato’s kernideeën .................................................................................................................. 24




1

,Inleiding: Filosofische vragen en kennis


1. Wat is een filosofische vraag?


Kenmerken
• Filosofische vragen zijn vaak “Waarom?”- en “Waartoe?”-vragen.
• Weinig “Hoe?”-vragen → dat is typisch voor andere disciplines.
• De eerste vraag die een filosoof zich stelt = “Wat is … ?”:
o Je zoekt de kern, het wezen, de natuur of essentie van iets.
• Voorbeeld:
o “Wat is écht liefde?” → gaat om de kern van het begrip.
• Filosofische vragen gaan meestal over abstracte begrippen:
o “Wat is liefde?”
o “Wat is kennis?”
o “Wat is waarheid?”




2. Filosofie en haar deelgebieden


Filosofische vragen komen voor in alle domeinen
• Filosofie heeft verschillende (sub)domeinen, elk met eigen vragen:


Domein / subdomein Centrale vraag
Kenleer / wetenschapsfilosofie Wat is kennis? Wat is wetenschap?
Demarcatiecriterium Hoe onderscheiden we wetenschap van onzin?
Handelingsfilosofie Wat is morele verantwoordelijkheid?
Ethiek Wat is goed?
Wijsgerige antropologie Wat is de mens?
Wat is de mens t.o.v. andere dieren?
Wat is de mens t.o.v. AI?




2

,3. Invloed van Plato


• De Britse filosoof Whitehead stelde: “The safest general characterization of the European
philosophical tradition is that it consists in a series of footnotes to Plato.”
• Betekenis:
o Vrijwel alle filosofen na Plato bouwen voort op zijn ideeën:
▪ Variaties
▪ Uitbreidingen
▪ Kritieken
o De Europese filosofie = een reeks “voetnoten” bij Plato’s werk.




4. Socrates en Plato


• In de dialogen van Plato speelt Socrates vaak de hoofdrol.
• We weten veel over Socrates via Plato, maar niets rechtstreeks.
• Het stellen van “Wat is?”-vragen staat centraal in Plato’s filosofie:
o Socrates speelt de rol van vragensteller.
o Zijn gesprekspartners zijn vaak sofisten.
o Hij vraagt hen naar de kern (essentie) van begrippen waar zij in gespecialiseerd zijn.




5. De socratische methode: begripsanalyse


Werkwijze
• Typisch patroon in Plato’s dialogen:
o Sofist → geeft voorbeelden of maakt onderscheid tussen soorten (bv. “deugd”).
o Socrates → antwoordt spottend:
“Ik vraag niet naar voorbeelden, maar naar een definitie.”
• Resultaat:
o Dialogen eindigen bijna altijd in een aporie (= onoplosbaar probleem).
• Wat Socrates hier doet = begripsanalyse:
o Een moeilijk, abstract begrip analyseren in eenvoudiger componenten.
3

, 6. Soorten definities


Socrates onderzoekt intentionele definities, maar andere soorten definities zijn ook relevant:


Soort Uitleg Voorbeeld
definitie
Lexicale Hoe een term gebruikt wordt in het gewone “Hond” = huisdier, viervoeter.
taalgebruik.
Stipulatieve Je bepaalt zelf hoe een term gebruikt moet “Met ‘X’ bedoel ik…”
worden.
Ostensieve Je wijst iets aan als voorbeeld. “Dit is rood.”
Intentionele Bepaalt noodzakelijke en voldoende “Mens” = rationeel, sterfelijk
voorwaarden voor een begrip. wezen.
Extensionele Somt alle voorbeelden op die onder het begrip Amerikaanse presidenten:
vallen. Biden, Trump, Obama…


Belangrijk: Socrates zoekt niet naar extensionele definities, maar naar intentionele definities.




7. Intensie en extensie


• Om een begrip goed te analyseren, heb je vaak een evenwicht nodig tussen:
o Intensie = de voorwaarden waaraan voldaan moet worden.
o Extensie = de verzameling van dingen die onder het begrip vallen.
• Begripsanalyse = nagaan:
o Wat is individueel noodzakelijk voor X?
o Wat is gezamenlijk voldoende voor X?


Voorbeelden en tegenvoorbeelden


Voorbeeld: “Wat is een tekening?”
• Hypothese: “Een tekening is een verzameling lijnen op papier die iets voorstellen.”
• Probleem 1: “Op papier” is niet noodzakelijk (tekeningen op canvas, muur, tablet).


4

Inhoudsopgave

  1. 01 1. Wat is een filosofische vraag? 2
  2. 02 2. Filosofie en haar deelgebieden 2
  3. 03 3. Invloed van Plato 3
  4. 04 4. Socrates en Plato 3
  5. 05 5. De socratische methode: begripsanalyse 3
  6. 06 6. Soorten definities 4
  7. 07 7. Intensie en extensie 4
  8. 08 8. Plato’s Theaetetus 5
  9. 09 Samenvattende tabel 7
  10. 10 5.1 Thales van Milete (± 624 – 546 v.o.t.) 8
  11. 11 5.2 Anaximander (± 610 – 546 v.o.t.) 8
  12. 12 5.3 Anaximenes (± 585 – 528 v.o.t.) 9
  13. 13 5.4 Pythagoras (± 570 – 495 v.o.t.) 9
  14. 14 5.5 Heraclitus (± 540 – 480 v.o.t.) 10
  15. 15 5.6 Parmenides (± 515 – 450 v.o.t.) & Zeno van Elea 10
  16. 16 5.7 Leucippus & Democritus (± 460 – 370 v.o.t.) 11
  17. 17 5.8 Betekenis van de natuurfilosofen 11
  18. 18 Overzichtstabel natuurfilosofen 12
  19. 19 6.1 De Sofisten 13
  20. 20 6.2 Socrates (± 470 – 399 v.o.t.) 15
  21. 21 Overzichtstabel: Sofisten vs. Socrates 17
  22. 22 7.1 Plato’s kennisleer 18
  23. 23 7.2 Platonisme in de natuurwetenschappen 19
  24. 24 7.3 Plato’s moraal en politieke filosofie 21
  25. 25 7.4 Plato’s mensvisie 22
  26. 26 7.5 Kritiek op Plato: Popper en de “open samenleving” 23
  27. 27 Overzichtstabel: Plato’s kernideeën 24
  28. 28 1. Inleiding 26
  29. 29 2. Het probleem van universalia 26
  30. 30 3. Hylemorfisme van Aristoteles 27
  31. 31 Deel 2 – Aristoteles’ kennisleer, logica en denkstappen 28
    1. 1. Aristoteles als grondlegger van de logica 28
    2. 2. Deductieve redenering 28
    3. 3. Inductieve redenering 29
    4. 4. Abductieve redenering 29
    5. 5. Aristoteles’ kennisleer 30
  32. 32 Deel 3 – Teleologie, doeloorzaken en praktische filosofie 31
    1. 1. Aristoteles’ wereldbeeld 31
    2. 2. Toepassing van teleologische verklaringen 31
    3. 3. Aristoteles’ praktische filosofie 32
    4. 4. Eindwaarden bij Aristoteles 32
  33. 33 Deel 4 – Hellenistische en Romeinse filosofie 33
    1. 1. Inleiding: overgang naar de Hellenistische periode 33
    2. 2. Cynisme 33
    3. 3. De Stoa (Stoïcisme) 34
    4. 4. Epicurisme 34
    5. 5. Scepticisme (Pyrronisme) 35
    6. 6. Neoplatonisme (Plotinus) 36
    7. 7. Philo van Alexandrië 36
    8. 8. Schematisch overzicht 36
    9. 1. Context van de middeleeuwse filosofie 37
    10. 2. Augustinus van Hippo (354 – 430) 37
    11. 3. Boëthius (480 – 524) 38
    12. 4. Anselmus van Canterbury (1033 – 1109) 38
    13. 5. Soorten godsbewijzen 39
    14. 6. Abelardus (1079 – 1142) 39
    15. 7. Schematische voorstelling 39
    16. 1. Arabische filosofie: synthese van geloof en rede 40
    17. 2. Thomas van Aquino (1225–1274) 40
    18. 3. Willem van Ockham (1287–1347) 41
    19. 4. Schematische voorstelling 42
    20. 1. Inleiding tot de vroegmoderne filosofie 44
    21. 2. Niccolò Machiavelli (1469–1527) 44
    22. 1. Hugo de Groot (Grotius) (1583–1645) 45
    23. 2. Thomas Hobbes (1588–1679) 46
    24. 1. René Descartes (1596–1650) 48
    25. 2. Methodologische twijfel 48
    26. 3. Het kennend subject 49
    27. 4. Rationalisme van Descartes 49
    28. 5. Het lichaam-geest-probleem 50
    29. 6. Belang van Descartes binnen het rationalisme 50
    30. 1. Benedictus de Spinoza (1632–1677) 51
    31. 2. Gottfried Wilhelm Leibniz (1646–1716) 52
    32. 3. Spinoza vs. Leibniz: vergelijking 53
    33. 1. Rationalisme vs. empirisme: het grote debat 53
    34. 2. John Locke (1632–1704) 54
    35. 3. George Berkeley (1685–1753) 55
    36. 4. David Hume (1711–1776) 55
    37. 5. Gevolgen voor filosofie en wetenschap 55
    38. 1. Situering 58
    39. 2. Empirisme: basisidee 58
    40. 3. Empirisme vs. rationalisme 58
    41. 4. Het ontstaan van scepticisme 59
    42. 1. Context 59
    43. 2. Tabula rasa: de menselijke geest bij geboorte 59
    44. 3. Primaire vs. secundaire kwaliteiten 60
    45. 4. Locke’s indirect realisme 61
    46. 5. Locke’s politieke filosofie 61
    47. 6. Belang van Locke 61
    48. 1. Context 62
    49. 2. Berkeley’s immaterialisme 62
    50. 3. De rol van God 62
    51. 4. Kritiek op Berkeley 63
    52. 5. Berkeley vs. Locke 63
    53. 6. Belang van Berkeley 63
    54. 1. Context 64
    55. 2. Impressions en ideas 64
    56. 3. Hume’s vork: twee soorten kennis 64
    57. 4. Causaliteit: gewoonte, geen zekerheid 65
    58. 5. Het inductieprobleem 65
    59. 6. Hume’s scepticisme 65
    60. 7. Hume’s ethiek 66
    61. 8. Invloed van Hume 66
    62. 9. Belang van Hume 66
    63. 1. Jean-Jacques Rousseau (1712–1778) 67
    64. 2. Immanuel Kant (1724–1804) 68
    65. 1. Situering 71
    66. 2. Hoofdwerk 71
    67. 3. De Wil 72
    68. 4. De rol van het onbewuste 72
    69. 5. Pessimisme 72
    70. 6. Hoe het lijden reduceren 72
    71. 7. Ethiek 73
    72. 8. Schopenhauers “boeddhisme” 73
    73. 9. Schopenhauer over humor 73
    74. 1. Auguste Comte (1798 – 1857) 74
    75. 2. John Stuart Mill (1806 – 1873) 75
    76. 3. Jeremy Bentham (1748 – 1832) 76
    77. 4. Herbert Spencer (1820 – 1903) 76
    78. 5. Ernst Mach (1838 – 1916) 77
    79. 6. Charles Sanders Peirce (1839 – 1914) 77
    80. 1. Waarheidsrelativisme 78
    81. 2. Waardenrelativisme / Cultuurrelativisme 78
    82. 3. Historisch relativisme 78
    83. 4. Sociologisch relativisme 79
    84. 5. Psychologisch relativisme 79
    85. 1. Wilhelm Dilthey (1833 – 1911) 79
    86. 2. Wilhelm Windelband (1848 – 1915) 80
    87. 3. Heinrich Rickert (1863 – 1936) 80
    88. 4. Henri Bergson (1859 – 1941) 81
    89. 5. Hans Driesch (1867 – 1941) 82
    90. 1. Hegel (1770 – 1831) 82
    91. 2. Ludwig Feuerbach (1804 – 1872) 84
    92. 3. Karl Marx (1818 – 1883) 84
    93. 1. Situering 85
    94. 2. Wetenschappelijke “vernederingen” van de mens 85
    95. 3. “God is dood” 85
    96. 4. Nihilisme 86
    97. 5. Kritiek op het christendom 86
    98. 6. De Übermensch 86
    99. 7. Der Wille zur Macht (Wil tot Macht) 87
    100. 8. Eeuwige wederkeer 87
    101. 9. Nietzsche en het dualisme 87
    102. 1. John Rawls (1921 – 2002) 88
    103. 2. Robert Nozick (1938 – 2002) 90
    104. 3. Martha Nussbaum (1947 – ) 91
    105. 1. Søren Kierkegaard (1813 – 1855) 91
    106. 2. Edmund Husserl (1859 – 1938) 92
    107. 3. Martin Heidegger (1889 – 1976) 93
    108. 4. Jean-Paul Sartre (1905 – 1980) 94
    109. 1. De Frankfurter Schule 95
    110. 2. Michel Foucault (1926 – 1984) 97
    111. 3. Postmodernisme 97
    112. 1. Bijdrage aan de formele logica 101
    113. 2. Onderscheid tussen Sinn en Bedeutung 101
    114. 3. Belang van dit onderscheid 101
    115. 4. Verband met de analytische filosofie 102
    116. 1. Russell als empirist 102
    117. 2. Twee soorten kennis 102
    118. 3. Het voorbeeld van “De huidige koning van Frankrijk is kaal” 103
    119. 4. Logisch atomisme 103
    120. 5. Invloed op Wittgenstein 103
    121. 1. Twee fasen van Wittgenstein 104
    122. 2. Centraal uitgangspunt van de Tractatus 104
    123. 3. Logisch atomisme 104
    124. 4. Picture theory of meaning (afbeeldingstheorie) 104
    125. 5. Taal, zinledigheid en betekenis 105
    126. 6. Grenzen van taal 105
    127. 7. Kritiek en invloed 105
    128. 1. Kernidee 106
    129. 2. Twee contexten van wetenschap (Reichenbach) 106
    130. 3. Het verificatiecriterium 106
    131. 4. Analytische vs. synthetische uitspraken 107
    132. 5. Eliminatie van de metafysica 107
    133. 6. Probleem: universaliteit 107
    134. 7. Observatietaal vs. theoretische taal 107
    135. 8. Conflicten binnen de Wiener Kreis 108
    136. 9. Eenheid van de wetenschappen 108
    137. 1. Popper en de Wiener Kreis 109
    138. 2. Het demarcatiecriterium 109
    139. 3. Wetenschap = falsificatie, niet verificatie 109
    140. 4. Popper vs. Freud 109
    141. 5. Het probleem van inductie 110
    142. 6. Corroboratie 110
    143. 1. Hoofdwerk 110
    144. 2. Wat is een paradigma? 111
    145. 3. Normale wetenschap 111
    146. 4. Anomalieën en crises 111
    147. 5. Wetenschappelijke revoluties 111
    148. 6. Incommensurabiliteit van paradigma’s 112
    149. 7. Kritiek op Kuhn 112
    150. 1. Doel van Lakatos 112
    151. 2. Wetenschappelijke onderzoeksprogramma’s 112
    152. 3. Progressieve vs. degeneratieve programma’s 113
    153. 4. Wetenschappelijke vooruitgang volgens Lakatos 113
    154. 5. Kritiek op Lakatos 114
    155. 1. Hoofdwerk 114
    156. 2. “Anything goes” – epistemisch anarchisme 114
    157. 3. Rol van creativiteit 114
    158. 4. Kritiek op Popper, Kuhn en Lakatos 115
    159. 5. Methodologisch pluralisme 115
    160. 6. Kritiek en invloed 115
    161. 1. Hoofdwerk 116
    162. 2. Kernidee: Wetenschap = probleemoplossing 116
    163. 3. Theoretische pluraliteit 116
    164. 4. Wetenschappelijke vooruitgang volgens Laudan 117
    165. 5. Kritiek op Laudan 117
    166. 1. Hoofdwerken 117
    167. 2. Dennett’s naturalisme 118
    168. 3. Het intentional stance 118
    169. 4. Bewustzijn: multiple drafts model 118
    170. 5. Het Darwinistische perspectief 119
    171. 6. Dennett vs. dualisme 119
    172. 7. Kritiek op Dennett 119
    173. 1. De Vedische Traditie 120
    174. 2. Boeddha 121
    175. 3. Nagarjuna en het Mahayana-boeddhisme 122
    176. 4. Shankara en hindoeïstische filosofie 123
    177. 5. Confucius en het confucianisme 123
    178. 6. Lao Zi, Zhuang Zi en het taoïsme 124
    179. 7. Het Chanboeddhisme 125
    180. 8. Het Shintoïsme 125
    181. 9. Dōgens Zenboeddhisme 126
    182. 1. Ibn Siena (Avicenna) (10e – 11e eeuw) 127
    183. 2. Ghazali (1058 – 1111) 127
    184. 3. Ibn Roesjd (Averroës) (1126 – 1198) 128
    185. 1. Hipparchia (ca. 3e eeuw v.o.t.) 129
    186. 2. Sophie Oluwole (1935 – 2018) 130
    187. 3. Hannah Arendt (1906 – 1975) 131
    188. 4. Iris Murdoch (1919 – 1999) 132
    189. 5. Martha Nussbaum (1947 – ) 133
    190. 6. Susan Haack (1945 – ) 134
    191. 7. Sally Haslanger (1955 – ) 135

Gekoppeld boek
 image
Etienne Vermeersch, Johan Braeckman De rivier van Herakleitos
Uitgever: Onbekend ISBN: 9789089247346 Druk: 1

Documentinformatie

Studie
Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
12 september 2025
Aantal pagina's
137
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
$13.12

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
2
Laatst verkocht
-



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen