• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 50 pages
Summary

Samenvatting Sociale psychologie 1

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 50 pages

Dit is de samenvatting van het boek. Dit is vele duidelijker dan zijn PowerPoint en bevat soms voorbeelden die alles verduidelijken. Alles staat in het boek. De PowerPoint van de prof zijn een zeer korte samenvatting van het boek. Bevat niet de samenvatting van de video’s en van zijn lessen.

Content preview

1. Inleiding tot de sociale
psychologie
1.1 Wat is sociale psychologie
= de wetenschap die bestudeert hoe de werkelijke of denkbeeldige aanwezigheid van anderen de
gedachten, gevoelens en gedragingen van mensen beïnvloedt.
Centraal: sociale invloed = het effect dat de woorden, daden of alleen al de aanwezigheid van
andere mensen hebben op onze gedachten, gevoelens, houdingen en/of gedrag. Sociale media
heeft ook een invloed.

1.1.1 Sociale psychologie, wetenschap en gezond verstand
Mensen zich vaak niet bewust van de redenen achter hun eigen gevoelens en reacties. Taak van
de sociale psycholoog: specifieke omstandigheden onderzoeken waaronder de ene of de andere
reactie meer waarschijnlijk is.
Het werk van de filosofen vormt een deel van de basis van de hedendaagse psychologie. Bv
Spinoza: ‘als we verliefd worden op iemand die we daarvoor haatten, zal de liefde uiteindelijk
sterker zijn dan wanneer we die persoon niet eerst hebben gehaat.’
We gaan sociaal gedrag empirisch en systematisch onderzoeken ipv af te gaan op
volkswijsheden, gezond verstand, politici,… . Empirische methode begint met een hypothese die
we zullen toetsen. Daarna volgt het onderzoek (toetsen).

1.1.2 Sociale psychologie en het verband met verwante
disciplines
Disciplines bv: biologie, neurowetenschap, economie, sociologie, … .deze disciplines doen ook
onderzoek naar determinanten (= bepalende factor in een ontwikkeling of toestand). Ze verschillen
met de sociale psychologie op vlak van het analyseniveau.
Evolutionaire psychologie: Hypothesen uit de evolutietheorie. Natuurlijke selectie = het
verschijnsel dat in de evolutie sommige organismen uit een bepaalde populatie beter in hun
omgeving passen en zo meer kans hebben om te zorgen voor overlevende nakomelingen dan
minder goed aangepaste organismen. Deze psychologie gaat sociaal gedrag verklaren op basis
van erfelijke factoren die doorheen de tijd zijn ontwikkeld adhv natuurlijke selectie => evolutie is
een uitermate traag proces. Ons hedendaags sociaal gedrag is het resultaat van onze
aanpassingen aan de omgeving in een ver verleden. Deze hypothesen kunnen niet empirisch
getoetst worden.
Persoonlijkheidspsychologie: Sociaal gedrag verklaren mbv karaktereigenschappen.
Concentreren zich algemeen op individuele verschillen (= die aspecten van de persoonlijkheid die
mensen onderscheiden van anderen). Een essentieel onderdeel is ook de sociale invloed. We zijn
allemaal in staat tot zowel verlegen als spontaan gedrag. Het analyseniveau is het individu.
Sociologie en andere sociale wetenschappen: ipv individu ligt de focus bij brede sociale,
economische, politieke en historische factoren. Sociologie focus: sociale klasse, sociale structuur
en sociale instituties. Analyseniveau sociologie: de groep, institutie of samenleving als geheel. ><
Analyseniveau sociale psychologie: individu in een groep,… .
Sociale psychologie richt zich vooral op hoe mensen hun sociale omgeving interpreteren, dus hoe
hun construct (= manier waarop mensen de sociale wereld waarnemen, begrijpen en
interpreteren) hen beïnvloedt. Je kunt pas begrijpen hoe hun sociale wereld mensen beïnvloedt als
je begrijpt hoe ze die sociale wereld waarnemen, begrijpen en interpreteren.
Sociale psychologie: hoe hun sociale omgeving mensen beïnvloedt. Sociaal gedrag: universeel
of cultureel bepaald. Vooral in VS ontwikkeld. Tussen de sociologie en
persoonlijkheidspsychologie.



Pagina 1 van 50

,1.2 De macht van de situatie
Situatie heeft een grote invloed op de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Mensen
houden zelden rekening met de situatie.

1.2.1 De fundamentele attributiefout ofwel de
correspondentievertekening
Fundamentele attributiefout = de neiging om de mate waarin iemands gedrag wordt veroorzaakt
door de rol van persoonlijke eigenschappen en andere interne factoren te overschatten en de rol
van externe, situationele factoren te onderschatten = correspondentievertekening.
Attributie = het toeschrijven van oorzaken aan het eigen of aan andermans gedrag en het
daarmee voorzien van verklaringen.
In westerse samenleving hebben we de neiging het gedrag te verklaren in termen van hun
persoonlijkheid => geeft ons een onterecht gevoel van veiligheid. = fundamentele attributiefout.
Macht van situatie niet volledig doorgronden => neiging om het probleem te vereenvoudigen.

1.2.2 onderzoek naar de fundamentele attributiefout
Experiment van Stanford University: leerlingen in 2 keer 2 teams zetten nl competitief en
coöperatief voor een spel. 2 verschillende namen voor het spel: gemeenschapsspel -> 1/3
competitief & beursspel -> 2/3 competitief. Naam spel bevatte een duidelijke boodschap.
Gedrag zowel uitleggen in termen van persoonlijkheid, als in termen van de situatie. De
fundamentele attributiefout is contextafhankelijk.


1.3 De macht van sociale interpretatie
1.3.1 Het behaviorisme
Behaviorisme = psychologische stroming die ervan uitgaat dat je om menselijk gedrag te kunnen
begrijpen slechts hoeft te kijken naar de bekrachtigende of straffende eigenschappen van de
omgeving. In gang gezet door Skinner.
Gedrag wordt dus verklaard adhv beloningen en straffen vanuit de omgeving => niet nodig om er
subjectieve zaken als het denken, voelen en cognitie bij te betrekken, want die zijn te vaag en te
slecht waarneembaar. Ze vergaten het belang van de manier waarop mensen hun omgeving
interpreteren.

1.3.2 De gestaltpsychologie
Gestaltpsychologie = psychologische stroming die het belang benadrukt van het bestuderen van
de persoonlijke (subjectieve) manier waarop een object wordt waargenomen (het gestalt of
geheel), ipv het bestuderen van de manier waarop de objectieve, fysieke eigenschappen zich
combineren tot het object. Het geheel is a,deed dan de som der delen. Je moet je richten op de
fenomenologie = filosofische stroming die probeert door de geestelijk-intuïtieve beschouwing
(door de directe ervaring) van de dingen, niet door de rationele kennis, de wereld en het wezen
der dingen te beschrijven -> hoe een object op iemand overkomt en hoe diegene dit dus ervaart
(gebaseerd op Husserl).
Duits.
Lewin: beschouwd als grondlegger moderne experimentele sociale psychologie. Joodse die
naziregime ontvluchte. Deed onderzoek naar de oorzaken en mogelijke oplossingen van
vooroordelen en etnische stereotypering. Paste gestaltprincipes niet alleen op de perceptie van
objecten toe, maar ook op de perceptie van de sociale wereld. Subjectieve waarschijnlijkheid.
Heider: andere grondlegger sociale psychologie. We gissen voortdurend naar de
gemoedstoestand, motieven en gedachten van anderen -> constructen hebben gevolgen.
Naïef realisme = de overtuiging dat we dingen waarnemen zoals ze echt zijn, daarbij
onderschattend hoeveel we dat wat we zien, interpreteren of zelfs verdraaien. Bv Politieke partijen
denken dat zij de kwesties helder zien, maar ook dat de andere partijen een vertekend beeld van
de kwesties hebben. Constructen kunnen variëren van eenvoudig tot zeer complex en
beïnvloeden ons dagelijks leven.

Pagina 2 van 50

,1.4 De oorsprong van constructen: fundamentele
menselijke motieven
Van essentieel belang: de behoefte om ons goed te voelen over onszelf (positieve zelfwaardering)
en de behoefte om de wereld zo accuraat mogelijk waar te nemen.
Festinger: Ziet dat deze twee motieven meestal in tegengestelde richtingen brengt (bv om wereld
accuraat waar te nemen moeten we toegeven dat we ons idioot of immoreel hebben gedragen)
=> op dat moment kunnen de waardevolste inzichten verworven worden in de werking van de
menselijke gevoelens en gedachten.

1.4.1 Het zelfverheffingsmotief: de behoefte aan een positieve
zelfwaardering
De meesten hebben de behoefte aan een positieve zelfwaardering (= een positieve waardering
van zichzelf, dat wil zeggen: zichzelf beschouwen als bv goed, competent en beschaafd).
Zelfverheffingsmotief = voorkeur die mensen hebben voor info die hen in een positief daglicht
stelt, ofwel voor info die hun zelfwaardering doet stijgen. => beïnvloedt hoe we de wereld zien.
Gedrag achteraf rechtvaardigen: Is een positieve zelfwaardering. Het staat zelfverbetering in de
weg. Het erkennen van onze tekortkomingen is moeilijk
Lijden en zelfrechtvaardiging: bv bij ontgroening focussen op de goede kanten -> hoe
onaangenamer de ontgroeningsproces, hoe leuker ze de groep vinden. Vernederingscomponent
zorgt ervoor dat mensen negatieve associaties met de vereniging ontwikkelen. Belangrijkste
bevindingen rond zelfverheffingsmotief: 1) mensen zijn gemotiveerd om een positief beeld van
zichzelf stand te houden, deels door hun gedrag te rechtvaardigen 2) dit brengt hen er onder
bepaalde omstandigheden toe dingen te doen die in eerste instantie verrassend of paradoxaal
lijken.

1.4.2 het accuraatheidsmotief: de behoefte om accuraat waar
te nemen
Sociale cognitie = hoe mensen denken over zichzelf en de sociale wereld; het selecteren,
interpreteren, herinneren en gebruiken van sociale info om oordelen te vormen en beslissingen te
nemen.
Accuraatheidsmotief = de behoefte van mensen om een beeld te creëren dat zo veel mogelijk met
de werkelijkheid overeenkomt.
Het is nooit mogelijk om alle relevante feiten te kennen van tevoren -> hebben er vaak ook geen
tijd om het geduld voor. We kunnen op veel manieren de mist ingaan en er de verkeerde
overtuigingen op na houden. Elke dag nemen we veel beslissingen.
Zelfvervulling prophecies kunnen vertekend werken: Onze verwachtingen over sociale wereld
beïnvloeden soms ons vermogen om die wereld accuraat waar te nemen. Je verwacht bepaald
gedrag van jezelf/iemand, dus je handelt op zo’n manier dat je verwachting waarheid wordt (bv als
leerkracht slimme kids moeilijker leerstof geven). Ook al wil je accuraat zijn, er zijn vele manieren
waarop we toch een foute indruk kunnen krijgen.

1.4.3 overige motieven
- Biologische drijfveren (bv honger, dorst,…).
- Psychologisch niveau: angst, liefde, goedkeuring,…
- Behoefte aan controle: mensen willen graag een voorspelbaarheid ervaren => een oorzaak van
de fundamentele attributiefout -> omstandigheden veranderen, eigenschappen zijn redelijk
stabiel -> onvriendelijk persoon niet meer om hulp vragen = controle.


1.5 Het nut en de toepassing van de sociale psychologie
- Nieuwsgierigheid -> sociaal gedrag begrijpen + hoe beïnvloedt + waarom aantrekking/afkeer.
- Bijdragen aan de oplossing van maatschappelijke problemen. (Altruïsme en tolerantie).
- Als we ons/iemands gedrag willen veranderen moeten we de fundamentele oorzaken weten.
Pagina 3 van 50

, 2. Methodologie: hoe doen
sociale psychologen onderzoek?
2.1 Sociale psychologie: een empirische wetenschap
Hindsight bias = de neiging van mensen om hun vermogen om een uitkomst te voorspellen te
overdrijven nadat ze te weten zijn gekomen hoe die uitkomst eruitziet.

2.1.1 inspiratie uit eerdere theorieën en onderzoeken
Elk onderzoek begint met een hypothese die men gaat testen. Veel onderzoeken hebben als
aanleiding dat een wetenschapper ontevreden is met bestaande theorieën en verklaringen.
Festinger bv was ontevreden met het behaviorisme en formuleerde een nieuwe theorie, de
cognitieve dissonantietheorie.

2.1.2 hypothesen gebaseerd op persoonlijke observaties
Persoonlijke observaties leiden ook vaak naar nieuwe onderzoeksvragen.
Bystander effect = het fenomeen dat hoe meer mensen bij elkaar zijn, hoe minder ze geneigd zijn
om een persoon in nood te helpen, omdat de verantwoordelijkheid om in te grijpen verdeeld wordt
over het aantal aanwezigen. => spreiding van verantwoordelijkheid (Latané en Darley) (1968)
- moord op Kitty Genovese


2.2 De observationele methode: sociaal gedrag
beschrijven
Observationele methode = techniek waarbij een onderzoeker mensen observeert een metingen of
indrukken over hun gedrag systematisch vastgelegd.
Beantwoord de vraag: wat is de aard van het fenomeen?
Etnografie: methode waarbij een onderzoeken probeert een groep of cultuur te begrijpen door die
van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en waarde op te leggen. =>
kennis over rijkdom en complexiteit van een groep verzamelen. Etnografie is de belangrijkste
methode van de culturele antropologie, de studie naar menselijke culturen en samenlevingen.
Festinger bedacht de theorie van cognitieve dissonantie: geeft een verklaring voor het
oncomfortabele gevoel dat ons bekruipt als we iets doen wat ons zelfvertrouwen bedreigt.
Operationaliseren = het meetbaar maken van een concept door observeerbare fenomenen te
selecteren die het abstract concept representeren, waardoor het abstract concept als meetbare
variabele te gebruiken is in onderzoek.
Beoordelaarsbetrouwbaarheid = de maten van overeenkomst tussen de resultaten van twee of
meer mensen die onafhankelijk van elkaar een dataset observeren en coderen.

2.2.1 analyse van archieven
Archiefanalyse: vorm van de professionele methode waarbij de onderzoeker de verzamelde
documentatie, oftewel de archieven, van een cultuur onderzoekt. Bv: dagboeken, romans,
songteksten, films, internetgebruik, televisieprogramma’s, tijdschriften,…

2.2.2 beperkingen van de observationele methode
- geen info over waarom
- Sommige soorten gedrag moeilijk observeer, omdat ze zelden voorkomen of alleen in de privé-
sfeer




Pagina 4 van 50

Table of contents

  1. 01 Inleiding tot de sociale psychologie 1
  2. 02 1.1 Wat is sociale psychologie 1
    1. 1.1.1 Sociale psychologie, wetenschap en gezond verstand 1
    2. 1.1.2 Sociale psychologie en het verband met verwante disciplines 1
  3. 03 1.2 De macht van de situatie 2
    1. 1.2.1 De fundamentele attributiefout ofwel de correspondentievertekening 2
    2. 1.2.2 onderzoek naar de fundamentele attributiefout 2
  4. 04 1.3 De macht van sociale interpretatie 2
    1. 1.3.1 Het behaviorisme 2
    2. 1.3.2 De gestaltpsychologie 2
  5. 05 1.4 De oorsprong van constructen: fundamentele menselijke motieven 3
    1. 1.4.1 Het zelfverheffingsmotief: de behoefte aan een positieve zelfwaardering 3
    2. 1.4.2 het accuraatheidsmotief: de behoefte om accuraat waar te nemen 3
    3. 1.4.3 overige motieven 3
  6. 06 1.5 Het nut en de toepassing van de sociale psychologie 3
  7. 07 2. Methodologie: hoe doen sociale psychologen onderzoek? 4
  8. 08 2.1 Sociale psychologie: een empirische wetenschap 4
    1. 2.1.1 inspiratie uit eerdere theorieën en onderzoeken 4
    2. 2.1.2 hypothesen gebaseerd op persoonlijke observaties 4
  9. 09 2.2 De observationele methode: sociaal gedrag beschrijven 4
    1. 2.2.1 analyse van archieven 4
    2. 2.2.2 beperkingen van de observationele methode 4
  10. 10 2.3 de correlationele methode: sociaal gedrag voorspellen 5
    1. 2.3.1 Survey: vragenlijstonderzoek 5
    2. 2.3.2 beperkingen van de correlationele methode: correlatie is niet hetzelfde als causaliteit 5
  11. 11 2.4 de experimentele methode: causale vragen beantwoorden 5
    1. 2.4.1 onafhankelijke en afhankelijke variabelen 5
    2. 2.4.2 interne validiteit 6
    3. 2.4.3 externe validiteit 6
    4. 2.4.4 fundamenteel vs toegepast onderzoek 7
  12. 12 2.5 nieuwe ontwikkelingen in het sociaalpsychologisch onderzoek 7
    1. 2.5.1 cultuur en sociale psychologie 7
    2. 2.5.2 evolutietheorie 7
    3. 2.5.3 sociale neurowetenschap 7
  13. 13 2.6 ethische thema’s in de sociale psychologie 8
    1. 2.6.1 fraude in de sociale psychologie 8
  14. 14 3. Sociale cognitie: hoe we denken over de sociale wereld 9
  15. 15 3.1 de sociale denker: 2 soorten sociaal denken 9
  16. 16 3.2 automatisch denken met schema’s: mensen als alledaagse theoretici 9
    1. 3.2.1 het belang en het risico van schema’s 9
    2. 3.2.2 welke schema’s gebruiken we? Toegankelijkheid en priming 9
    3. 3.2.3 de hardnekkigheid van weerlegde schema’s: het perseveratie-effect 10
    4. 3.2.4 schema’s die zichzelf waarmaken: de selffulfilling prophecy 10
  17. 17 3.3. Soorten automatisch denken 10
    1. 3.3.1 automatisch doelen nastreven en beslissen 10
    2. 3.3.2 automatisch denken op basis van zintuiglijke en lichamelijke gewaarwordingen 11
    3. 3.3.3 mentale strategieën en snelkoppelingen: beoordelingsheuristieken 11
  18. 18 3.4 de invloed van cultuur op automatisch sociaal denken: holistisch vs analytisch denken 11
  19. 19 3.5 gecontroleerde sociale cognitie: bewust denken 12
    1. 3.5.1 gecontroleerd denken en vrije wil 12
    2. 3.5.2 het verleden mentaal ongedaan maken: contrafeitelijk denken 12
    3. 3.5.3 gedachteonderdrukking 12
    4. 3.5.4 beter leren denken 12
  20. 20 4. Sociale perceptie: hoe we andere mensen waarnemen en begrijpen 14
  21. 21 4.1 non-verbale communicatie 14
    1. 4.1.1 gezichtsuitdrukkingen van emoties 14
    2. 4.1.2 cultuur en de vormen van non-verbale communicatie 14
  22. 22 4.2 eerste indrukken: snel en hardnekkig 15
    1. 4.2.1 de aanhoudende invloed van eerste indrukken 15
    2. 4.2.2 een eerste indruk in je voordeel gebruiken 15
  23. 23 4.3 causale attributie: het beantwoorden van het waarom 16
    1. 4.3.1 de aard van het attributieproces 16
    2. 4.3.2 het covariatiemodel: interne vs externe attributies 16
    3. 4.3.3 de fundamentele attributiefout: de mens als persoonijkheidspsycholoog 17
    4. 4.3.4 zelfdienende attributies 18
    5. 4.3.5 de ‘blinde vlek’-bias 18
  24. 24 4.4 cultuur en sociale perceptie 18
    1. 4.4.1 holistisch vs analytisch denken 18
    2. 4.4.2 culturele verschillen in de fundamentele attributiefout 19
    3. 4.4.3 cultuur en andere attributionele biases 19
  25. 25 5. Het zelf: onszelf begrijpen in een sociale context 20
  26. 26 5.1 de oorsprong en aard van het zelfconcept 20
    1. 5.1.1 culturele invloeden op het zelfconcept 20
    2. 5.1.2 functies van het zelf 20
  27. 27 5.2 zelfkennis 21
    1. 5.2.1 zelfkennis door middel van introspectie 21
    2. 5.2.2 zelfkennis door middel van zelfobservatie 22
    3. 5.2.3 andere mensen gebruiken om zelfkennis op te doen 24
  28. 28 5.3 zelfcontrole: de uitvoerende functie van het zelf 25
  29. 29 5.4 impressiemanagement: de wereld is een schouwtoneel 25
    1. 5.4.1 strategieën voor impressiemanagement: vleien en zelfsabotage 25
    2. 5.4.2 cultuur, impressiemanagement en zelfverbetering 26
  30. 30 5.5 zelfwaardering: hoe we over onszelf denken 26
    1. 5.5.1 angstmanagementtheorie en self-efficacy 26
    2. 5.5.2 narcisme en gevaren van te veel zelfwaardering 26
  31. 31 6. Cognitieve dissonantie en de behoefte om ons zelfbeeld te beschermen 27
  32. 32 6.1 een stabiel, positief zelfbeeld in stand houden 27
    1. 6.1.1 cognitieve dissonantietheorie 27
    2. 6.1.2 beslissingen 27
    3. 6.1.3 dissonantie in verschillende culturen 28
  33. 33 6.2 zelfrechtvaardiging 28
    1. 6.2.1 je inspanningen rechtvaardigen 28
    2. 6.2.2 contra-attitude gedrag 29
  34. 34 6.3 nieuwe inzichten in en uitbreidingen van de cognitieve dissonantie 31
    1. 6.3.1 zelfbevestigingstheorie 31
    2. 6.3.2 dissonantie in hechte relaties: de zelfevaluatie onderhoudstheorie 31
    3. 6.3.3 cognitieve dissonantie in relatie tot extreem gedrag en wreedheden 32
  35. 35 6.4 cognitieve dissonantie overwinnen 32
  36. 36 7. Attitudes en attitudeverandering: gedachten en gevoelens beïnvloeden 33
  37. 37 7.1 de aard en oorsprong van attitudes 33
    1. 7.1.1 ontstaan van attitudes 33
    2. 7.1.2 expliciete vs impliciete attitudes 34
  38. 38 7.2 attitudes en het voorspellen van gedrag 34
    1. 7.2.1 spontaan gedrag voorspellen 35
    2. 7.2.2 gepland gedrag voorspellen 35
  39. 39 7.3 attitudeverandering 36
    1. 7.3.1 attitudes veranderen door gedrag te veranderen: opnieuw de cognitieve dissonantie 36
    2. 7.3.2 persuasieve communicatie en attitudeverandering 36
    3. 7.3.3 emotie en attitudeverandering 37
    4. 7.3.4 attitudeverandering en het lichaam 38
  40. 40 7.4 macht van reclame 38
    1. 7.4.1 hoe werkt reclame? 38
    2. 7.4.2 subliminale reclame 39
    3. 7.4.3 reclame, stereotypen en cultuur 39
  41. 41 7.5 persuasieve boodschappen weerstaan 39
    1. 7.5.1 inenten tegen attitudeverandering 40
    2. 7.5.2 alert zijn op sluikreclame 40
    3. 7.5.3 druk van leeftijdsgenoten weerstaan 40
    4. 7.5.4 als persuasieve pogingen averechts werken: reactantietheorie 40
  42. 42 8. Attributies 41
  43. 43 8.1 fundamenten 41
    1. 8.1.1 inhoud van causale attributies 41
    2. 8.1.2 causale dimensies 41
    3. 8.1.3 spontaan en bewust zoeken naar oorzaken 41
    4. 8.1.4 afleiden van oorzaken: covariatie 41
  44. 44 9. Sociale brein 43
  45. 45 9.1 spiegelsysteem 43
    1. 9.1.1 spiegelactivatie voor doelen 43
  46. 46 9.2 mentaliserend systeem voor gedachte te lezen 44
    1. 9.2.1 brein evolutie 44
    2. 9.2.2 zeven netwerken 44
    3. 9.2.3 metalliserende brein 45
    4. 9.2.4 sociale cerebellum 46
    5. 9.2.5 voorspellende sequentie leren 46
  47. 47 9.3 functies van het sociale brein 48
    1. 9.3.1 spiegel en mentaliseren 48
    2. 9.3.2 andere functies? 48
  48. 48 9.4 controle door het sociale brein 48
    1. 9.4.1 Disfuncties van het sociale brein 49
    2. 9.4.2 training en breinstimulatie 49

Document information

Study
Uploaded on
August 31, 2025
Number of pages
50
Written in
2024/2025
Type
Summary
$7.01

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Sold
2
Followers
0
Items
6
Last sold
9 months ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions