• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 126 pages
Summary

Samenvatting Goederenrecht naslagwerk

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 126 pages

Een samenvatting van de leereenheden 1 tot en met 9 van de oude cursus Goederenrecht 2025. Deze is herzien maar kan wellicht nog als naslagwerk dienen om bepaalde zaken beter te begrijpen.

Content preview

Samenvatting Goederenrecht

Leereenheid 1: Goederenrecht

Inleiding
In de eerste leereenheid van Goederenrecht maakt u kennis met de kernbegrippen: goed, zaak en
vermogensrecht. Het onderscheid tussen goederenrecht en verbintenissenrecht wordt uitgelegd via absolute en
relatieve rechten. Ook komen bestanddeelvorming, natrekking, eigendom van zaken en beperkte rechten aan
bod.

1.1 Kernbegrippen goederenrecht
Het goederenrecht regelt de rechten van personen op goederen, zoals gedefinieerd in:
art. 3:1 BW: Goederenrecht bestaat uit zaken en vermogensrechten.
art. 3:2 BW omschrijft zaken
art. 3:6 BW omschrijft vermogensrechten.

De begrippen goed, zaak en vermogensrecht vormen de kern van het goederenrecht en verdienen daarom extra
aandacht.

Goederen, zaken en vermogensrechten

1. Titel van het boek
Wat vóór 1992 het zakenrecht werd genoemd, heet sinds de invoering van het nieuwe vermogensrecht in 1992
het goederenrecht. Het goederenrecht omvat echter méér dan alleen het zakenrecht: het regelt niet alleen
rechten op zaken, maar ook op vermogensrechten (zoals vorderingen), zoals blijkt uit art. 3:1 BW.

2. Opzet van dit boek
De opbouw van Pitlo Goederenrecht volgt twee hoofdonderdelen:

1. Algemeen deel van het vermogensrecht (Boek 3 BW), met name titels 1, 4 t/m 10 en gedeelten van
titel 11. Dit deel behandelt de algemene regels die gelden voor alle vermogensrechten, dus zowel voor
rechten op zaken als op andere goederen.

2. Zakelijke rechten (Boek 5 BW), oftewel de absolute rechten op zaken. Hierin komen onder andere de
begrippen eigendom, beperkte rechten (zoals erfdienstbaarheden en pand/hypotheek), en de wijzen van
verkrijging en verlies van goederen aan bod.

3. Vermogen
Het vermogensrecht omvat verschillende rechtsgebieden, zoals het goederenrecht, verbintenissenrecht,
erfrecht en huwelijksvermogensrecht.

Goederen bestaan uit zaken en vermogensrechten. Vermogensrechten zijn rechten die een economische
waarde vertegenwoordigen, bijvoorbeeld vorderingen.

Het eigendomsrecht is een vermogensrecht dat rust op een goed (een zaak of vermogensrecht).
Goodwill is geen vermogensrecht omdat het niet om een afgebakend recht gaat.

Zaken zijn stoffelijke, voor menselijke beheersing vatbare objecten. Dit omvat ook zaken die nog geen eigenaar
hebben (res nullius), maar niet lucht of zee.

Zaken worden onderscheiden in hoofdzaken en bestanddelen. Bestanddelen maken onderdeel uit van een
hoofdzaak door het rechtsfiguur natrekking.

Er is een juridisch onderscheid tussen roerende en onroerende zaken:

 Onroerende zaken zijn duurzaam verbonden met de grond en worden als registergoederen
ingeschreven (bijv. een huis). Bij onroerende zaken kan natrekking soms niet tot eigendom leiden, zoals
bij erfpacht.
 Roerende zaken zijn niet duurzaam verbonden aan de grond en worden niet als registergoederen
beschouwd.

4. Goederen (artikel 3:1 BW)
Goederen zijn alle zaken én vermogensrechten die de actieve bestanddelen van iemands vermogen vormen.
Zij zijn de objecten waarop vermogensrechten kunnen rusten en waarover rechten kunnen worden uitgeoefend.

5. Zaken (artikel 3:2 BW)

,Zaken zijn de voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten. Ook zaken die aan niemand toebehoren,
res nullis, zijn zaken. Niet tot zaken behoren onder meer lucht en het zeeoppervlak, je kunt de zee of lucht
namelijk niet beheersen of vastpakken.

6. Grenzen van het begrip ‘zaak’
Een zaak is een stoffelijk, concreet object dat vatbaar is voor menselijke beheersing.
Voor menselijke beheersing vatbaar betekent dat men feitelijke macht over het object kan uitoefenen
(bijvoorbeeld over zuurstof, maar niet over lucht als geheel of de zee).
Stoffelijk wil zeggen dat het object tastbaar is en fysiek kan worden vastgehouden of verplaatst.
Object duidt op iets concreets en waarneembaars, geen abstract begrip.

7. Vermogensrechten (artikel 3:6 BW).
Vermogensrechten zijn rechten die:

1. afzonderlijk of samen met andere rechten overdraagbaar zijn;
2. gericht zijn op het verkrijgen van stoffelijk voordeel, direct of indirect;
3. verkregen kunnen zijn in ruil voor stoffelijk voordeel of het vooruitzicht daarop.

Vermogensrechten zijn immaterieel, in tegenstelling tot zaken, maar vertegenwoordigen wel economische
waarde.

8. Eigendomsrecht vereenzelvigd met zaak
Het eigendomsrecht is een vermogensrecht, zoals bepaald in artikel 5:1 BW. Het is het meest omvattende recht
en is direct verbonden met de zaak waarop het rust: eigendom houdt in dat je het volledige recht op dat goed
hebt.

9. Goodwill
Goodwill, zoals de klantenkring of de gunstige ligging van een onderneming, is geen vermogensrecht. Dit komt
doordat het niet voldoet aan de criteria van artikel 3:6 BW: het is niet zelfstandig overdraagbaar en verschaft
geen direct stoffelijk voordeel, maar slechts een potentieel economisch voordeel.

Algemeenheid van goederen

16. Goederenrechtelijke status
Sommige zaken vormen samen één eenheid, ook wel een inboedel genoemd. Volgens artikel 6:227 BW is
daarvoor voldoende dat partijen bepalen waartoe zij zich verbinden en dat deze zaken als een samenhangende
eenheid worden beschouwd, zoals een kudde schapen, een bibliotheek of een verzameling goederen en
schulden.

17. Gemeenschappen
Voorbeelden van bepaalde gemeenschappen van goederen zijn de maatschap, de vennootschap en de
huwelijkse goederengemeenschap.

Afdeling 3.7.2 BW regelt de positie van de deelgenoten, oftewel hoe zij aanspraak kunnen maken op hun aandeel
in de gemeenschap. Bij vennootschappen gaat het bijvoorbeeld om de rechten verbonden aan aandelen.

,18. Rechtspersonen
Rechtspersonen hebben een zelfstandige juridische identiteit en zijn economisch gerechtigd tot hun vermogen,
bijvoorbeeld de goederen die tot de rechtspersoon behoren.

De overdracht van goodwill valt onder het verbintenissenrecht, omdat het een rechtshandeling tussen personen
betreft en geen zaak of vermogensrecht op zich is.

19. Inboedel
De definitie van inboedel staat in artikel 3:5 BW. Volgens de verkeersopvatting behoort huisraad niet tot de
onroerende zaak en wordt het beschouwd als roerende zaak. Hierdoor moet inboedel als individuele zaak
worden geleverd bij overdracht.

Verschillende soorten vorderingen

28 Vorderingen op naam
Vorderingen op naam zijn een belangrijke categorie vermogensrechten. Het zijn relatieve rechten die kunnen
worden vervreemd en bezwaard, en maken deel uit van het vermogensbestanddeel van een persoon.

Deze vorderingen zijn persoonlijk gebonden aan een bepaalde schuldeiser en kunnen alleen worden
overgedragen via een akte van cessie en mededeling aan de debiteur. De vordering kan dus niet los van de
persoon worden overgedragen.

 Artikel 3:82 BW stelt dat vorderingen op naam niet gescheiden kunnen worden van het recht waaraan
ze zijn verbonden.
 Afdeling 3.4.2 BW bevat de wettelijke regels over de vervreemding en bezwaring van vorderingen.

29. Order- en toondervorderingen
Order- en toondervorderingen zijn vorderingen die eenvoudiger overdraagbaar zijn dan gewone vorderingen op
naam.

 Ordervorderingen worden overgedragen door endossement (ondertekening op het document) en de
levering van het document aan de nieuwe houder, zoals bij wissels en cheques.
 Toondervorderingen worden overgedragen door enkel de overhandiging van het document, waarmee
de nieuwe houder automatisch gerechtigd is.

Deze vorderingen worden ook wel rechtspapieren genoemd, omdat het bezit van het papier zelf de
rechtmatigheid van de houder bepaalt.

 Artikel 3:93 BW regelt dat de overdracht van order- en toondervorderingen plaatsvindt door de levering
van het betreffende document aan de verkrijger.
 Artikel 3:94 BW bepaalt dat gewone vorderingen op naam slechts kunnen worden overgedragen door
een akte van cessie en mededeling aan de schuldenaar.

30. Zakenrechtelijke papieren
Zakelijke papieren vertegenwoordigen meer dan alleen vorderingen; zij geven ook eigendom of rechten over
zaken weer. Dit betreft rechten op naam, aan order en aan toonder.

Voorbeelden zijn:

 Cognossement (artikel 8:399 BW): een document van de vervoerder dat bevestigt dat goederen zijn
overgedragen aan een afzender en op verzoek worden afgeleverd.
 Ceel (artikel 7:607 BW): een document van een opslaghouder als bewijs van het in bewaring nemen van
goederen.

De levering van deze papieren, en daarmee van de onderliggende zaken, geschiedt door overdracht van het
document aan de verkrijger.

31. Aandelen
Aandelen van een NV of BV zijn waardepapieren en kunnen op naam of aan toonder zijn gesteld.

Voor de levering van aandelen op naam gelden de specifieke regels uit Boek 2 BW: Artikel 2:194 BW voor
aandelen op naam in een BV. Artikel 2:82 BW voor aandelen op naam en aan toonder in een NV.
Aandelen aan toonder worden geleverd volgens de algemene bepalingen voor rechten aan toonder uit Boek 3
BW.

, Verschil tussen zaken en vermogensrechten
Zaken zijn voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten waarvan iemand het bezit kan hebben en de
overdracht van kan bewerkstelligen, zoals een huis, een auto of een boek.
Vermogensrechten zijn juridische rechten die onderdeel uitmaken van iemands vermogen, zoals vorderingen,
eigendomsrechten, of het recht op huurbetaling.
Het verschil is dat zaken fysieke objecten zijn, terwijl vermogensrechten immateriële rechten zijn die een
geldwaarde vertegenwoordigen.

Absolute en relatieve rechten

21. Absolute en zakelijke rechten
Er zijn in totaal acht absolute vermogensrechten. Drie daarvan – pand, hypotheek en vruchtgebruik – staan in
Boek 3 BW en kunnen worden gevestigd op alle goederen, dus zowel op zaken als op vermogensrechten. Dit
maakt ze meer algemeen toepasbaar.

De overige vijf absolute rechten – eigendom, erfdienstbaarheid, erfpacht, opstal en appartementsrecht –
staan in Boek 5 BW en kunnen uitsluitend op zaken worden gevestigd.
Deze rechten worden daarom ook wel specifiek zakelijke rechten genoemd.

22. Absoluut versus relatief
Absolute rechten werken tegenover iedereen: ze moeten door eenieder worden gerespecteerd. De houder van
een absoluut recht kan dan ook tegen iedere inbreukmaker optreden. Een voorbeeld is het eigendomsrecht:
wie eigenaar is van een auto, kan optreden tegen iedereen die die auto zonder toestemming gebruikt.

Relatieve rechten gelden alleen tussen bepaalde personen, meestal op basis van een overeenkomst. Zo heeft
een koper van een auto een relatief recht tegenover de verkoper. Als de verkoper de auto aan iemand anders
verkoopt, kan de eerste koper slechts optreden tegen die verkoper wegens contractbreuk.

Soms komt er een derdenbeschermingsregel in beeld. Die kan ertoe leiden dat een tweede koper, die te
goeder trouw is, alsnog eigenaar wordt, ondanks het recht van de eerste koper. In dat geval kan de eerste koper
mogelijk nog wel schadevergoeding eisen, maar niet meer de auto terugvorderen.

23. Onderscheid nader verduidelijkt
Het verschil tussen absolute en relatieve rechten blijkt duidelijk wanneer men rechten met vergelijkbare inhoud
vergelijkt. Zo geeft zowel vruchtgebruik als bruikleen de houder het recht om een auto te gebruiken.

Echter, vruchtgebruik is een absoluut recht: het werkt tegenover iedereen en blijft bestaan ongeacht wie
eigenaar wordt van de auto. Bij afloop van de periode hoeft de vruchtgebruiker de auto in principe niet terug te
geven, tenzij het recht is geëindigd.

Daarentegen is bruikleen een relatief recht, dat slechts geldt tussen de bruiklener en de uitlener. De bruiklener
is verplicht de auto terug te geven na afloop van de afgesproken termijn, omdat zijn recht slechts voortvloeit uit de
onderlinge overeenkomst.

Kwalitatieve rechten zijn een bijzondere vorm van rechten met absolute werking. Zij blijven bestaan ook
wanneer het goed waarop zij rusten van eigenaar verandert. Denk bijvoorbeeld aan zakelijke zekerheidsrechten
zoals hypotheek of pandrecht. Deze rechten behouden hun geldigheid tegenover iedere derde, ook als die
derde te goeder trouw het goed verkrijgt. Hierdoor hebben kwalitatieve rechten, net als andere absolute rechten,
een sterke bescherming tegen derden.

24. Onderscheid in faillissement
Het onderscheid tussen absolute en relatieve rechten is cruciaal bij faillissement.

Absolute rechten (zoals eigendom, pand en hypotheek) blijven ook tijdens faillissement in stand. De
rechthebbende kan zijn recht uitoefenen alsof er geen faillissement is – dit wordt ook wel separatistpositie
genoemd.
Relatieve rechten (zoals vorderingen op een geldsom) moeten worden ingediend bij de curator en worden
doorgaans slechts gedeeltelijk voldaan via de uitdeling in het faillissement.

Hierdoor verkeren schuldeisers met absolute rechten in een aanzienlijk sterkere positie dan concurrente
schuldeisers.

25. Vordering kan voorwerp van absoluut recht zijn

Table of contents

  1. 01 3.4 Verdeling 39
    1. 165. Uitzonderingen op de uitzondering van art. 3:86 lid 3 70
    2. 166. De verhouding tussen eerste en tweede hand 70
    3. 167. De verhouding tussen tweede en derde hand 71
    4. 168. Positie vierde hand 71
    5. Bescherming tegen beperkte rechten (art. 3:86 lid 2) 71
    6. 170. Goede trouw 71
    7. 171. Gestolen zaak 72
    8. 172. Toepassing bij levering onder eigendomsvoorbehoud 72
    9. 173. Bescherming bij overdracht of vestiging van een beperkt recht (art. 3:98) 72
    10. 174. Bescherming bij levering van een aandeel in een roerende zaak (art. 3:96) 72
    11. 175. Beschikkingsonbevoegdheid veroorzaakt door faillissement (art. 35 lid 3 Fw) 72
    12. 176. Systeem, regel en grondslag van art. 3:88 72
    13. 179. Illustratie waartegen art. 3:88 lid 1 beschermt 74
    14. 180. Illustratie waartegen art. 3:88 lid 1 niet beschermt 74
    15. 181. Conclusie 74
    16. 183. Werking art. 3:88 lid 1, positie vierde hand 74
    17. Derdenbescherming bij cessie 75
    18. 746. Verhaalsrecht met recht van parate executie 78
    19. 747. Beperkt recht en separatistpositie 78
    20. 748. Voorrangsrecht 79
    21. Voorrang van pand- en hypotheekhoude 79
    22. Het verhaalsrecht van de pand- en hypotheekhouder is gekoppeld aan een voorrangspositie (art. 3:227 lid 1 jo. art. 3:278). 79
    23. 749. Afhankelijk recht 79
    24. 750. Ondeelbaarheid 80
    25. 751. Tot zekerheid van welke vorderingen? Voldoende bepaalbaarheid (art. 3:231) 80
    26. 753. Rang naar tijdstip van vestiging 81
    27. 753a. Ook verhaal voor vorderingen die pas worden verkregen na de executie van het verbonden goed? 81
    28. 753b. Ook verhaal voor tijdens faillissement verkregen vorderingen? 81
    29. 754. Op welke goederen, art. 3:228? 81
    30. 755. Waarover strekken pand en hypotheek zich uit art. 3:227 lid 2? 82
    31. 756. Zaaksvervanging (art. 3:229) 82
    32. 757. Derdenpand/hypotheek (art. 3:231; 3:233) 82
    33. 758. Verbod tot toe-eigening (art. 3:235) 83
    34. 838. Hypotheek 83
    35. 839. Voor hypotheek vatbare goederen (art. 3:228 jo. art. 3:227) 83
    36. 840. Vestigingsvereisten recht van hypotheek (art. 3:98 jo. art. 3:84 lid 1) 84
    37. 841. De hypotheekakte (art. 3:260) 84
    38. 842. Verdere eisen aan de hypotheekakte 84
    39. 843. Volmacht 85
    40. 844. Verdere inhoud hypotheekakte 85
    41. 845. Inschrijving hypotheekakte (art. 3:260 lid 1) 85
    42. 846. Kosten inschrijving 85
    43. 847. Tijdstip en rangorde van de inschrijving (art. 3:19 lid 2 en art. 3:21) 85
    44. 848. Beschikkingsbevoegdheid is pas ten tijde van de inschrijving vereist 85
    45. 849. Incidenten voor de inschrijving 86
    46. 850. Andere incidenten 86
    47. 851. Het bij voorbaat vestigen van hypotheek is niet mogelijk 86
    48. 852. Reële executie vestiging hypotheek (art. 3:300) 86
    49. 853. Onderzoek openbare registers/Derdenbescherming 86
    50. 762. Vestigingsvereisten pandrecht op roerende zaken c.a. (art. 3:98 jo. art. 3:84 lid 1) 87
    51. Voor de vestiging van een pandrecht op roerende zaken of niet-registergoederen gelden drie constitutieve vereisten: 87
    52. 763. Wijze van vestiging vuistpandrecht (art. 3:236 lid 1) 87
    53. 764. De vuistpandhouder is houder van de verpande zaak voor de pandgever 87
    54. 765. Stil pandrecht: vestiging zonder afgifte (art. 3:237) 87
    55. 766. Het interval voor de registratie van de onderhandse akte 88
    56. 767. Voordelen vestiging bij authentieke akte boven bij geregistreerde onderhandse akte 88
    57. 768. Terminologie 88
    58. 769. Inhoud van de pandakte 88
    59. 770. Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid van de pandgever (art. 3:238) 88
    60. 771. Goede trouw 88
    61. 772. Het betreft een gestolen zaak 89
    62. 773. Bescherming in geval van faillissement en beslag 89
    63. 773a. Soms bescherming door art. 3:36 89
    64. 774. Bekrachtiging (art. 3:58) 89
    65. 776. De vestigingshandeling kan bij voorbaat worden verricht 89
    66. 777. Vestiging bij voorbaat doet nog geen pandrecht ontstaan 90
    67. 777a. Doorkruising door faillissement, niet door beslag 90
    68. Vestiging bij voorbaat leidt niet tot een geldig pandrecht wanneer de pandgever de zaak verkrijgt na zijn faillietverklaring. Dit komt doordat het faillissement de beschikkingsbevoegdheid van de pandgever intrekt. Artikel 20 en 23 Fw bepalen dat de goederen van de failliet onder faillissementsbeslag vallen, waardoor een pandrecht niet meer kan ontstaan. Dit geldt ook bij surseance van betaling. Bij een gewoon beslag heeft de pandhouder-bij-voorbaat geen reden tot zorg, aangezien beslag op toekomstige roerende zaken niet mogelijk is. 90
    69. 778. Vestiging door voorbehoud (art. 3:81) 90
    70. 778a. Pandrecht van rechtswege 90
    71. Bevoegdheden pandgever 91
    72. 779. Vervreemding door de pandgever 91
    73. 780. Meervoudige verpanding (art. 3:238 lid 2; art. 3:97 lid 2) 91
    74. 781. Rangorde pandrechten 91
    75. 782. Meervoudige verpanding bij voorbaat 92
    76. 783. Rechten en verplichtingen pandhouder en pandgever staande het pandrecht 92
    77. 784. Tenietgaan pandrecht 92
    78. 854. Vervreemding door de hypotheekgever 92
    79. 855. Rangorde bij meervoudige verhypothekering of vestiging ander beperkt recht 93
    80. 856. Rangorde bij meervoudige verhypothekering 93
    81. 857. Rangorde ten opzichte van andere beperkte rechten 93
    82. 858. Obligatoire verplichtingen van de hypotheekgever 93
    83. 859. Afwijkingen van de naar tijdstip van inschrijving bepaalde rangorde 93
    84. 805. Inleiding 96
    85. 806a. Op stil pandrecht van toepassing zijnde regels 96
    86. 806. Van stille cessie naar stille verpanding Er zijn twee vormen van pandrecht op vorderingen op naam: het kenbare 'openbare pandrecht', waarvoor mededeling aan de schuldenaar vereist is, en het 'stille pandrecht', waarbij mededeling achterwege kan blijven. Het stille pandrecht is in het huidige recht bedoeld als alternatief voor de door artikel 3:84 lid 3 BW onmogelijk gemaakte stille cessie. Deze laatste werd in het oude recht gebruikt voor zekerheid, maar dit is niet langer toegestaan. Stille verpanding biedt een efficiëntere optie zonder administratieve lasten, zoals mededeling, en heeft in de praktijk meer waarde dan openbare verpanding. De inningsbevoegdheid van de pandhouder wordt expliciet geregeld in het huidige recht. 96
    87. 807. Vestigingsvereisten pandrecht op vorderingen op naam (art. 3:98 jo. art. 3:84 lid 1) 96
    88. 808. Openbaar pandrecht: vestiging gepaard gaand met mededeling (art. 3:236 lid 2) 96
    89. 808a. Het interval voor de mededeling 97
    90. Beslag en faillissement 97
    91. 809. Stil pandrecht: vestiging zonder mededeling (art. 3:239 lid 1) 97
    92. 809a. Het interval voor de registratie 97
    93. 810. Inhoud pandakte; voldoende bepaaldheid van de te verpanden vordering 97
    94. 810a. De akte dient de daarbij te verpanden vordering voldoende te bepalen 98
    95. 811. Beperkte bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid (art. 3:239 lid 4) 98
    96. 820. Pandrecht van rechtswege 98
    97. 821. Vervreemding door de pandgever 98
    98. 822. Meervoudige verpanding 98
    99. 812. Vestiging bij voorbaat (art. 3:98 jo. art. 3:97; 3:239 lid 1) 99
    100. 813. Vestiging bij voorbaat van een ‘openbaar’ pandrecht 99
    101. 814a. Stille en openbare verpanding in één akte 99
    102. 815. Vestiging bij voorbaat doet nog geen pandrecht ontstaan 100
    103. 816. Vestiging bij voorbaat en faillissement 100
    104. 817. Vestiging bij voorbaat en beslag 100
    105. 823. Meervoudige verpanding bij voorbaat 100
    106. Verzamelpandakte 100
    107. 818. Periodiek opmaken van pandakten als alternatief voor vestiging bij voorbaat 100
    108. 819. Periodiek opmaken van pandakten in de praktijk 101
    109. 785. Uitoefening pandrecht buiten faillissement en derdenbeslag 109
    110. 786. Het recht op afgifte (art. 3:237 lid 3) 109
    111. 787. Na afgifte geen achterstelling meer ten opzichte van vuistpand 110
    112. 788. Recht op afgifte bij meervoudige verpanding 110
    113. 789. Reële executie recht op afgifte 110
    114. 790. Het recht van parate executie (art. 3:248 en 3:249) 110
    115. 790a. Het recht van parate executie 110
    116. 791. Lossing, mededelingsplicht executoriale verkoop 110
    117. 792. Wijze van executie (art. 3:250; 3:251; 3:254 en 3:255) 111
    118. 793. Onderhandse executoriale verkoop en verblijf aan de pandhouder 111
    119. 794. Executie volgens de voor hypotheek geldende regels 111
    120. 795. Verhaal op en verdeling van de executieopbrengst (art. 3:253 en 490b Rv) 111
    121. 796. Geen bevoegdheid tot verrekening overwaarde 112
    122. 801. Het recht van de stille pandhouder op afgifte in faillissement 112
    123. Uitoefening pandrechten op vorderingen 113
    124. Verhaal en voorrang 116
    125. 736. Verhaal op alle goederen van de schuldenaar 116
    126. 737. Paritas creditorum 117
    127. 738. Wijze van verhaalsuitoefening/executoriale titel vereist 117
    128. 739. Hoofdregels met uitzonderingen 117
    129. 740. Niet voor uitwinning vatbare goederen 117
    130. 741. Voorrang (art. 3:277 lid 1 jo. art. 3:278) 118
    131. 742. Onderlinge rangorde voorrangsrechten (art. 3:279-3:281) 118
    132. 743. Persoonlijke zekerheid, oneigenlijke of feitelijke voorrang 118
    133. 743a. Kwaliteitsrekening of derdenrekening 119
    134. 744. Achtergestelde vordering (art. 3:277 lid 2) 119

Connected book
 image
W.H.M. Reehuis A.H.T. Heisterkamp Pitlo 3 Goederenrecht
Publisher: februari 2012 ISBN: 9789013052770 Edition: 13

Document information

Study
Summarized whole book?
No
Which chapters are summarized?
Leereenheden 1 tot en met 9 van de cursus
Uploaded on
August 29, 2025
Number of pages
126
Written in
2025/2026
Type
Summary
$8.15

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
benniekooij
3.8
(5)
Sold
85
Followers
46
Items
8
Last sold
6 months ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions