H1: Wat is recht?
Hoofdstuk 1: Het recht
1. Het begrip recht
I. Oorsprong van het recht
Bedoeling recht
Samenleving ordenen
1. Geschillen vermijden door duidelijke regels
2. Geschillen beslechten (straf)
3. Symbool = niet direct functie, het is er gewoon
Voorbeeld: dood geboren kinderen zijn nooit personen geweest (juridisch gezien)
⇒ Akte van een levenloos kind (erkenning voor de ouders, geen rechtsgevolg)
4. Gezag + gebrek aan keuze
Bij basic fit heb je de keuze om de regels te schenden (bij recht niet de keuze)
Recht ~ ethiek (gaan hand in hand)
Recht streeft naar rechtvaardigheid (streeft morele doelen na)
Als denkbeelden veranderen dan verandert ook het recht
Bijvoorbeeld: abortus, transgenders…
Materiële doelen
Fysieke integriteit beschermen (doodslag, verkrachting strafbaar)
Goederen beschermen
Economisch systeem organiseren
Politiek systeem organiseren
Streeft naar rechtszekerheid
→ als je recht wilt handhaven moeten de regels:
1. Bekendmaking
2. Duidelijkheid
3. Coherentie
4. Juridische stabiliteit
H1: Wat is recht? 1
, 💡 Elke maatschappij kent 1 of andere vorm van het recht als systeem om de macht te kaderen.
Recht behoort zo tot het samenleven van mensen. Hoe complex of eenvoudig een maatschappij
ook mag zijn: er is steeds een vorm van rechtssysteem. Recht is deel van de menselijke conditie.
II. Begripsomschrijving van het recht
A. Het verschil
Objectief recht (HET recht)
Het recht hoe het staat in de wetboeken
Objectief contentieux
Naar administratieve rechtscolleges als problemen
Jij vs. De overheid
Je stelt een probleem vast bij HET recht (parkeer regelement die gemeente vastzet)
gemeente volgt regels niet bij benoeming ambtenaar
⇒ Je was niet betrokken in de benoeming, je aanvecht omdat iemand anders de benoeming heeft
gekregen.
Je krijgt er niks uit (als een ambtenaar niet met gelijke kansen is benoemd daardoor ben je het niet
geworden)
Nieuwe procedure
bouwaanvraag wordt geweigerd ⇒de overheid heeft HET recht geschonden
Je had geen recht op de bouwvergunning MAAR de overheid had zijn beslissing niet gemotiveerd
Subjectief recht (MIJN recht)
Mijn individuele aanspraken, de rechten die ik uit de regels kan afleiden
Subjectief contentieux
Naar gewone hoven en rechtbanken als je problemen hebt
Jij vs. andere burgers
Jij vs. de overheid
Je werkgever betaalt je niet ⇒uw recht als werkgever is geschonden
Je aannemer verdwijnt met de noorderzon ⇒ ‘rechter pas HET recht aan op mijn probleem’
Je krijgt je pensioen niet ⇒ UW recht
Je bent mishandeld en wil schadevergoeding ⇒ je gaat recht afdwingen
Wat als ik op student job ziek word = Uw recht leidt u af uit HET recht
Gebuisd en prof geeft geen motivatie
Objectief recht ⇒ je hebt dan niet het recht om geslaagd te zijn maar dat je geen antwoord hebt
gekregen waarom je bent gebuisd
Gebonden bevoegdheid
Het recht zegt wat de overheid moet doen wanneer alle voorwaarden vervuld zijn
Als a ⇒b (als je voldoet aan voorwaarden krijg je iets)
H1: Wat is recht? 2
, Parkeerkaart voor handicappen = subjectief recht als overheid het niet geeft ook al voldoe je aan
voorwaarden
Discretionaire bevoegdheid
Het recht geeft de overheid wanneer alle voorwaarden voldaan is nog een beleidsvrijheid
bouwvergunning = geen subjectief recht, de overheid mag de keuze maken of je wel of niet mag
bouwen ( je hebt het recht niet)
Marginale bevoegdheid van rechter
De rechter: hoe heeft de overheid gehandeld binnen beleidsmarge
Heeft de overheid goed gehandeld?
B. Objectief recht (HET recht)
= het geheel van algemene gedragsregels, opgelegd door een daartoe bevoegde overheid, die de
ordening van het maatschappelijk leven beogen en waarvan de naleving afdwingbaar is.
Kenmerken
1. Algemeen
Het recht is algemeen + onpersoonlijk
Logisch → anders geen regel
Waarborg tegen willekeur
MAAR een wet kan ontstaan door een bepaald misdrijf
Bende van Nijvel
Misdrijven verjaren = je kan niet meer vervolgd worden
De wetgever maakt een wet: het misdrijf dat de bendel van Nijvel heeft gepleegd word over 10
jaar verjaard →20 jaar
Rechtsregel (voor groep personen) ↔ individueel besluit (rechtsbesluit voor 1 of meer personen)
individueel besluit = rechtsgevolg voor 1 of meerdere personen
Rechtsregel = geldt algemeen
2. Gedrag
Denken wat je wilt (niet zegge)
Recht beoordeelt gedrag van rechtssubjecten
= mensen (natuurlijke personen)
= door mensen gecreëerde juridische entiteiten (rechtspersonen)
NIET rechtsobjecten (dieren, goederen…)
Geen juridische verantwoordelijkheid
als robot je aanvalt ga je die niet aanklagen maar de maker
Geen procespartij
H1: Wat is recht? 3
, 3. Opgelegd
Recht legt je dingen op
Acties verbieden en verplichten
Iemand aangevallen? → verplicht politie bellen of hulp bieden en verbied niet helpen
Inspanningsverbintenis
Ik zal mijn best doen ook al ben ik niet zeker of ik het resultaat bereik
aleatoir karakter = veel twijfel (vb. levend uit hartoperatie, levend eruit of niet?)
Chirurg kan niet garanderen dat ik het overleef maar gaat zijn best doen
Hoe beoordeeld? ⇒ zou het een andere chirurg ook voorkomen
Ja? = heeft zijn verbintenis niet geschonden
Nee? = geschonden
‘Culpa levis in abstracto’
Je gsm geven aan vriendin en ze raakt die kwijt
Je gaat vergelijken hoe ze omging met haar spullen en jou spullen
Als ze slecht omgaat met haar spullen ⇒ ook met jouwe
‘Culpa levis in concreto’
Resultaatsverbintenis
Je bent gebonden tegen het resultaat tenzij er overmacht is
Bakker geen taart voorziet op de afgesproken dag
Kan er onder uitkunnen als er overmacht is (een situatie buiten u wil)
Elektriciteit gaat uit/ oven kapot…
Hoe herkennen?
1. Er is een duidelijk gebod/verbod
2. Gebrek aan ‘aleatoir karakter’ = het resultaat is simpel te bereiken
3. Overeenkomst tussen partijen ⇒ vb. op de taart moet peppa pig niet george
4. Ordenend
5. Afdwingbaar
Recht gaat rechttrekken van wat krom is
Afdwing normen geven de voorkeur aan de rechtsherstel
→ Bij onrechtmatige daad
boom van buren op mijn huis ⇒ het recht geeft jou het recht om je buurman aan te klagen = om de
fout te herstellen
→ Bij overeenkomst
100 euro uitlenen maar hij betaalt het niet terug (recht gaat ervoor zorgen dat je rechtsherstel)
→ in relatie met overheid
H1: Wat is recht? 4
, Niet enkel rechtsherstel OOK schade herstel
buurman moet ook bijkomende schade vergoede (hotel terugbetalen)
100 euro terugbetalen OOK schade vergoede (100 euro nodig gehad → probleem)
Ook sancties (leed toevoeging)
Publieke straffen
Straf 1: (repressieve) vrijheidsberoving
Boete
Moordenaar naar gevangenis
Straf 2: Vermogensrechtelijke straffen
Private straffen
Kan in principe niet
Niet buurman extra pijn doen
C. Subjectief recht (MIJN recht)
Rechtsfeit + het recht (objectief recht) = mijn recht (subjectief recht)
vb. buurman zijn boom valt op huis + het recht = schade vergoeding + rechtsherstel
vb. Auto-ongeluk + wie een fout begaat en daardoor schade veroorzaak, moet deze vergoeden =
ik heb recht op een schade vergoeding
2. Het recht opdelen
A. Nationaal - Internationaal - Supranationaal
Nationaal recht = uitgangspunt
Internationaal² en supernationaal³ recht = uitzondering
Landen die verdragen sluiten (VN = een verdrag BUPO)²
Naast verdragen ook instellingen maken die bevoegdheden hebben³
EU = instelling die richtlijnen kan maken die bindend zijn voor lidstaten
B. Publiek - Privaat
H1: Wat is recht? 5
, Privaatrecht: rechtsverhouding tussen 2 individuen (geschillen tussen individuen)
Contract met Jan = Boek 5 BW
Kiezen tussen verschillende taarten
Publiekrecht: de organisatie van de staat + recht
Verhouding tussen burger en de staat
Contract met FOD justitie = overheidsopdrachtenwet
Onderscheid vervaagt
Onrechtmatige daad door overheid
Overheid als ‘private contractant
Belang van onderscheid blijft omdat:
1. Dwingend karakter van publiekrecht
2. Eenzijdig karakter van publiekrecht
Overheid kan beslissingen opleggen (afdwingen) zonder dat hij naar de rechter moet
3. Zwaardere verplichtingen in publiekrecht
Moet eerlijk blijven
4. Overheid neemt zelf initiatief om normenschending af te dwingen
H1: Wat is recht? 6
, H2: Fundamentele beginselen
1. Alleen personen hebben rechtspersoonlijkheid
A. Rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn dragers van rechten en plichten
Rechtspersonen zijn juridische constructies opgericht door de wet of door natuurlijke personen
vb. VZW, KU Leuven ⇒ kunnen in eigen naam en voor eigen rekening optreden in het
rechtsverkeer en hebben een eigen vermogen
vb. België, overheid, gemeentes = rechtspersonen
Binnen bepaalde grenzen :
1. Wettelijkheidsbeginselen 2. Doelbeperkingsbeginsel
Binnen de wettelijke voorwaarden Rechtspersonen hebben een “statutair
doel”
vb. minimum kapitaal
Wat je wilt doen en wat niet
Wet kent beperkt aantal rechtsvormen
vb. Café? Bedoeling drank aankopen +
vb. NV = winst maken;
verkopen
VZW = geen bedoeling om winst te
En mogen enkel binnen dat doel handelen
maken
vb. een appartement kopen als uw
rechtspersoon een café is; dit is niet
het statutair doel
Wat is het nut?
Zodat jij beschermt bent en dat je rechtspersoon failliet gaat
Vb.
Feitelijke verenging = geen rechtspersoon, een groep mensen die samen gaan organiseren
nagellak recept → je investeert → de nagellak flop → de bank gaat naar de rijkste van de groep
Rechtspersoon = 5 mensen creëren een rechtspersoon en geven het een kapitaal, de rechtspersoon
leent het geld van de bank
H2: Fundamentele beginselen 1
, flop? = de bank gaat naar rechtspersoon voor de lening = heeft niet?
⇒ gaat failliet MAAR die 5 personen krijgen geen gevolgen bij persoonlijke vermogen
Rechtssubjecten = dragers rechten + plichten
Ook al heb je het recht kun je het niet uitoefenen
Iemand doet het voor het rechtspersoon
Minderjarige kan geen lening uitoefenen ookal hebben ze het recht ze hebben hun ouders nodig
Rechtsbekwaamheid = hebben van het recht
Een minderjarige kan niet gaan stemmen
Handelingsbekwaam = het recht herkent u als iemand die zelf het recht kan uitoefenen
Niet = kinderen mogen niet zelf handelen, 1 van getrouwde kan niet zelf het huis gaan verkopen
zonder andere toestemming
Wilsbekwaamheid = kan ik het uitoefenen?
als je dronken bent een bus kopen
Rechtssubjecten zijn dragers van rechten + plichten
Maar een recht hebben wil niet steeds zeggen dat je het ook zelfstandig mag en kan uitoefenen
Iemand doet het voor het rechtspersoon
Minderjarige kan geen lening uitoefenen ookal hebben ze het recht ze hebben hun ouders nodig
Rechtsbekwaamheid = heb je het recht?
Een minderjarige kan niet gaan stemmen
Handelingsbekwaam = Mag je het recht zelf(standig) uitoefenen?
het recht herkent u als iemand die zelf het recht kan uitoefenen
Niet vb =
kinderen mogen niet zelf handelen,
1 van getrouwde kan niet zelf het huis gaan verkopen zonder andere toestemming
Wilsbekwaamheid = kan je het recht zelf uitoefenen?
Bij ernstige cognitieve beperkingen, dementie of bepaalde psychiatrische aandoeningen kan een
vertegenwoordiger nodig zijn om beslissingen te nemen.
b) Rechtsobjecten
Rechtsobjecten zijn geen dragers van rechten + plichten
⇒ maar kunnen voor rechtssubjecten aanleiding geven tot rechten en plichten
H2: Fundamentele beginselen 2
, Dieren = art 3.39 BW
2. Bronnen van het recht
A. Materiële en formele bronnen van het recht
vb. ‘Ik heb het recht om te trouwen met iemand van hetzelfde
geslacht
= Over de inhoud van de regel
De plek in uw wetboek waar je de bron terug vindt
Vb. Art 143 oud BW
Bindend
Formele bron → Bindend
(Formele) wetten: een wet gestemd door de parlementen
Wet: gestemd door Federale parlement
Decreet: wat gestemd wordt door de parlementen van de gemeenschappen of gewesten met
uitzondering tot Brussel
Ordonnantie: wat gestemd wordt door parlementen van het Brussels gewest
Besluiten uitvoerende macht
Koninklijk besluit/ besluit van de regering: alle ministers nemen het besluit
Ministerieel besluit: slechts 1 minister neemt het besluit
Provinciale verordening: een beslissing van een provincie (regionaal)
Gemeentelijke verordening: een beslissing van een gemeente (lokaal)
H2: Fundamentele beginselen 3
, Gebruiken en gewoonten
Lopende zaken (nergens neergeschreven
Vb. Oude regering blijft uitvoerende macht uitoefenen tot er een nieuwe regering komt MAAR het
mag geen nieuwe dingen uitvoeren (nieuwe wetten maken)
Algemene rechtsbeginselen
Ne bis in idem: niet 2 keer vervolgd kunnen worden voor hetzelfde misdrijf
Vb. een geldboeten gekregen, de overheid kan niet later zeggen ‘kom terug want we willen een
nieuwe straf geven
Formele bron → Gezaghebbend
Rechtspraak
Interpretaties: de ene rechter kan een bepaalde interpretatie geven aan een zaak, en een andere
rechter kan deze volgen, maar is daartoe niet verplicht en kan zelf een andere interpretatie geven
(in België)
Vb. De manier waarop de Reuzegommers zijn veroordeeld, betekent niet dat rechters in
Brussel dezelfde uitspraak moeten doen.
Precedenten: de rechters moeten op dezelfde manier het recht toepassen (Engeland)
Rechtsleer
Vb. Artikel over dementie: mensen mogen dat lezen en hun eigen mening erover hebben
B. Materiële en formele wetten
Formele wet: gestemd door het parlement
Vaak materieel maar niet altijd: vb. naturalisatiewet, wet op legercontigent…
Individuele beslissingen: vb. een wet voor de koning
Materiële wet: algemeen bindende neergeschreven rechtsregel (geldt voor iedereen + onpersoonlijk)
Niet alle materiële wetten zijn ook een formele wet: vb KB
H2: Fundamentele beginselen 4
Hoofdstuk 1: Het recht
1. Het begrip recht
I. Oorsprong van het recht
Bedoeling recht
Samenleving ordenen
1. Geschillen vermijden door duidelijke regels
2. Geschillen beslechten (straf)
3. Symbool = niet direct functie, het is er gewoon
Voorbeeld: dood geboren kinderen zijn nooit personen geweest (juridisch gezien)
⇒ Akte van een levenloos kind (erkenning voor de ouders, geen rechtsgevolg)
4. Gezag + gebrek aan keuze
Bij basic fit heb je de keuze om de regels te schenden (bij recht niet de keuze)
Recht ~ ethiek (gaan hand in hand)
Recht streeft naar rechtvaardigheid (streeft morele doelen na)
Als denkbeelden veranderen dan verandert ook het recht
Bijvoorbeeld: abortus, transgenders…
Materiële doelen
Fysieke integriteit beschermen (doodslag, verkrachting strafbaar)
Goederen beschermen
Economisch systeem organiseren
Politiek systeem organiseren
Streeft naar rechtszekerheid
→ als je recht wilt handhaven moeten de regels:
1. Bekendmaking
2. Duidelijkheid
3. Coherentie
4. Juridische stabiliteit
H1: Wat is recht? 1
, 💡 Elke maatschappij kent 1 of andere vorm van het recht als systeem om de macht te kaderen.
Recht behoort zo tot het samenleven van mensen. Hoe complex of eenvoudig een maatschappij
ook mag zijn: er is steeds een vorm van rechtssysteem. Recht is deel van de menselijke conditie.
II. Begripsomschrijving van het recht
A. Het verschil
Objectief recht (HET recht)
Het recht hoe het staat in de wetboeken
Objectief contentieux
Naar administratieve rechtscolleges als problemen
Jij vs. De overheid
Je stelt een probleem vast bij HET recht (parkeer regelement die gemeente vastzet)
gemeente volgt regels niet bij benoeming ambtenaar
⇒ Je was niet betrokken in de benoeming, je aanvecht omdat iemand anders de benoeming heeft
gekregen.
Je krijgt er niks uit (als een ambtenaar niet met gelijke kansen is benoemd daardoor ben je het niet
geworden)
Nieuwe procedure
bouwaanvraag wordt geweigerd ⇒de overheid heeft HET recht geschonden
Je had geen recht op de bouwvergunning MAAR de overheid had zijn beslissing niet gemotiveerd
Subjectief recht (MIJN recht)
Mijn individuele aanspraken, de rechten die ik uit de regels kan afleiden
Subjectief contentieux
Naar gewone hoven en rechtbanken als je problemen hebt
Jij vs. andere burgers
Jij vs. de overheid
Je werkgever betaalt je niet ⇒uw recht als werkgever is geschonden
Je aannemer verdwijnt met de noorderzon ⇒ ‘rechter pas HET recht aan op mijn probleem’
Je krijgt je pensioen niet ⇒ UW recht
Je bent mishandeld en wil schadevergoeding ⇒ je gaat recht afdwingen
Wat als ik op student job ziek word = Uw recht leidt u af uit HET recht
Gebuisd en prof geeft geen motivatie
Objectief recht ⇒ je hebt dan niet het recht om geslaagd te zijn maar dat je geen antwoord hebt
gekregen waarom je bent gebuisd
Gebonden bevoegdheid
Het recht zegt wat de overheid moet doen wanneer alle voorwaarden vervuld zijn
Als a ⇒b (als je voldoet aan voorwaarden krijg je iets)
H1: Wat is recht? 2
, Parkeerkaart voor handicappen = subjectief recht als overheid het niet geeft ook al voldoe je aan
voorwaarden
Discretionaire bevoegdheid
Het recht geeft de overheid wanneer alle voorwaarden voldaan is nog een beleidsvrijheid
bouwvergunning = geen subjectief recht, de overheid mag de keuze maken of je wel of niet mag
bouwen ( je hebt het recht niet)
Marginale bevoegdheid van rechter
De rechter: hoe heeft de overheid gehandeld binnen beleidsmarge
Heeft de overheid goed gehandeld?
B. Objectief recht (HET recht)
= het geheel van algemene gedragsregels, opgelegd door een daartoe bevoegde overheid, die de
ordening van het maatschappelijk leven beogen en waarvan de naleving afdwingbaar is.
Kenmerken
1. Algemeen
Het recht is algemeen + onpersoonlijk
Logisch → anders geen regel
Waarborg tegen willekeur
MAAR een wet kan ontstaan door een bepaald misdrijf
Bende van Nijvel
Misdrijven verjaren = je kan niet meer vervolgd worden
De wetgever maakt een wet: het misdrijf dat de bendel van Nijvel heeft gepleegd word over 10
jaar verjaard →20 jaar
Rechtsregel (voor groep personen) ↔ individueel besluit (rechtsbesluit voor 1 of meer personen)
individueel besluit = rechtsgevolg voor 1 of meerdere personen
Rechtsregel = geldt algemeen
2. Gedrag
Denken wat je wilt (niet zegge)
Recht beoordeelt gedrag van rechtssubjecten
= mensen (natuurlijke personen)
= door mensen gecreëerde juridische entiteiten (rechtspersonen)
NIET rechtsobjecten (dieren, goederen…)
Geen juridische verantwoordelijkheid
als robot je aanvalt ga je die niet aanklagen maar de maker
Geen procespartij
H1: Wat is recht? 3
, 3. Opgelegd
Recht legt je dingen op
Acties verbieden en verplichten
Iemand aangevallen? → verplicht politie bellen of hulp bieden en verbied niet helpen
Inspanningsverbintenis
Ik zal mijn best doen ook al ben ik niet zeker of ik het resultaat bereik
aleatoir karakter = veel twijfel (vb. levend uit hartoperatie, levend eruit of niet?)
Chirurg kan niet garanderen dat ik het overleef maar gaat zijn best doen
Hoe beoordeeld? ⇒ zou het een andere chirurg ook voorkomen
Ja? = heeft zijn verbintenis niet geschonden
Nee? = geschonden
‘Culpa levis in abstracto’
Je gsm geven aan vriendin en ze raakt die kwijt
Je gaat vergelijken hoe ze omging met haar spullen en jou spullen
Als ze slecht omgaat met haar spullen ⇒ ook met jouwe
‘Culpa levis in concreto’
Resultaatsverbintenis
Je bent gebonden tegen het resultaat tenzij er overmacht is
Bakker geen taart voorziet op de afgesproken dag
Kan er onder uitkunnen als er overmacht is (een situatie buiten u wil)
Elektriciteit gaat uit/ oven kapot…
Hoe herkennen?
1. Er is een duidelijk gebod/verbod
2. Gebrek aan ‘aleatoir karakter’ = het resultaat is simpel te bereiken
3. Overeenkomst tussen partijen ⇒ vb. op de taart moet peppa pig niet george
4. Ordenend
5. Afdwingbaar
Recht gaat rechttrekken van wat krom is
Afdwing normen geven de voorkeur aan de rechtsherstel
→ Bij onrechtmatige daad
boom van buren op mijn huis ⇒ het recht geeft jou het recht om je buurman aan te klagen = om de
fout te herstellen
→ Bij overeenkomst
100 euro uitlenen maar hij betaalt het niet terug (recht gaat ervoor zorgen dat je rechtsherstel)
→ in relatie met overheid
H1: Wat is recht? 4
, Niet enkel rechtsherstel OOK schade herstel
buurman moet ook bijkomende schade vergoede (hotel terugbetalen)
100 euro terugbetalen OOK schade vergoede (100 euro nodig gehad → probleem)
Ook sancties (leed toevoeging)
Publieke straffen
Straf 1: (repressieve) vrijheidsberoving
Boete
Moordenaar naar gevangenis
Straf 2: Vermogensrechtelijke straffen
Private straffen
Kan in principe niet
Niet buurman extra pijn doen
C. Subjectief recht (MIJN recht)
Rechtsfeit + het recht (objectief recht) = mijn recht (subjectief recht)
vb. buurman zijn boom valt op huis + het recht = schade vergoeding + rechtsherstel
vb. Auto-ongeluk + wie een fout begaat en daardoor schade veroorzaak, moet deze vergoeden =
ik heb recht op een schade vergoeding
2. Het recht opdelen
A. Nationaal - Internationaal - Supranationaal
Nationaal recht = uitgangspunt
Internationaal² en supernationaal³ recht = uitzondering
Landen die verdragen sluiten (VN = een verdrag BUPO)²
Naast verdragen ook instellingen maken die bevoegdheden hebben³
EU = instelling die richtlijnen kan maken die bindend zijn voor lidstaten
B. Publiek - Privaat
H1: Wat is recht? 5
, Privaatrecht: rechtsverhouding tussen 2 individuen (geschillen tussen individuen)
Contract met Jan = Boek 5 BW
Kiezen tussen verschillende taarten
Publiekrecht: de organisatie van de staat + recht
Verhouding tussen burger en de staat
Contract met FOD justitie = overheidsopdrachtenwet
Onderscheid vervaagt
Onrechtmatige daad door overheid
Overheid als ‘private contractant
Belang van onderscheid blijft omdat:
1. Dwingend karakter van publiekrecht
2. Eenzijdig karakter van publiekrecht
Overheid kan beslissingen opleggen (afdwingen) zonder dat hij naar de rechter moet
3. Zwaardere verplichtingen in publiekrecht
Moet eerlijk blijven
4. Overheid neemt zelf initiatief om normenschending af te dwingen
H1: Wat is recht? 6
, H2: Fundamentele beginselen
1. Alleen personen hebben rechtspersoonlijkheid
A. Rechtssubjecten
Rechtssubjecten zijn dragers van rechten en plichten
Rechtspersonen zijn juridische constructies opgericht door de wet of door natuurlijke personen
vb. VZW, KU Leuven ⇒ kunnen in eigen naam en voor eigen rekening optreden in het
rechtsverkeer en hebben een eigen vermogen
vb. België, overheid, gemeentes = rechtspersonen
Binnen bepaalde grenzen :
1. Wettelijkheidsbeginselen 2. Doelbeperkingsbeginsel
Binnen de wettelijke voorwaarden Rechtspersonen hebben een “statutair
doel”
vb. minimum kapitaal
Wat je wilt doen en wat niet
Wet kent beperkt aantal rechtsvormen
vb. Café? Bedoeling drank aankopen +
vb. NV = winst maken;
verkopen
VZW = geen bedoeling om winst te
En mogen enkel binnen dat doel handelen
maken
vb. een appartement kopen als uw
rechtspersoon een café is; dit is niet
het statutair doel
Wat is het nut?
Zodat jij beschermt bent en dat je rechtspersoon failliet gaat
Vb.
Feitelijke verenging = geen rechtspersoon, een groep mensen die samen gaan organiseren
nagellak recept → je investeert → de nagellak flop → de bank gaat naar de rijkste van de groep
Rechtspersoon = 5 mensen creëren een rechtspersoon en geven het een kapitaal, de rechtspersoon
leent het geld van de bank
H2: Fundamentele beginselen 1
, flop? = de bank gaat naar rechtspersoon voor de lening = heeft niet?
⇒ gaat failliet MAAR die 5 personen krijgen geen gevolgen bij persoonlijke vermogen
Rechtssubjecten = dragers rechten + plichten
Ook al heb je het recht kun je het niet uitoefenen
Iemand doet het voor het rechtspersoon
Minderjarige kan geen lening uitoefenen ookal hebben ze het recht ze hebben hun ouders nodig
Rechtsbekwaamheid = hebben van het recht
Een minderjarige kan niet gaan stemmen
Handelingsbekwaam = het recht herkent u als iemand die zelf het recht kan uitoefenen
Niet = kinderen mogen niet zelf handelen, 1 van getrouwde kan niet zelf het huis gaan verkopen
zonder andere toestemming
Wilsbekwaamheid = kan ik het uitoefenen?
als je dronken bent een bus kopen
Rechtssubjecten zijn dragers van rechten + plichten
Maar een recht hebben wil niet steeds zeggen dat je het ook zelfstandig mag en kan uitoefenen
Iemand doet het voor het rechtspersoon
Minderjarige kan geen lening uitoefenen ookal hebben ze het recht ze hebben hun ouders nodig
Rechtsbekwaamheid = heb je het recht?
Een minderjarige kan niet gaan stemmen
Handelingsbekwaam = Mag je het recht zelf(standig) uitoefenen?
het recht herkent u als iemand die zelf het recht kan uitoefenen
Niet vb =
kinderen mogen niet zelf handelen,
1 van getrouwde kan niet zelf het huis gaan verkopen zonder andere toestemming
Wilsbekwaamheid = kan je het recht zelf uitoefenen?
Bij ernstige cognitieve beperkingen, dementie of bepaalde psychiatrische aandoeningen kan een
vertegenwoordiger nodig zijn om beslissingen te nemen.
b) Rechtsobjecten
Rechtsobjecten zijn geen dragers van rechten + plichten
⇒ maar kunnen voor rechtssubjecten aanleiding geven tot rechten en plichten
H2: Fundamentele beginselen 2
, Dieren = art 3.39 BW
2. Bronnen van het recht
A. Materiële en formele bronnen van het recht
vb. ‘Ik heb het recht om te trouwen met iemand van hetzelfde
geslacht
= Over de inhoud van de regel
De plek in uw wetboek waar je de bron terug vindt
Vb. Art 143 oud BW
Bindend
Formele bron → Bindend
(Formele) wetten: een wet gestemd door de parlementen
Wet: gestemd door Federale parlement
Decreet: wat gestemd wordt door de parlementen van de gemeenschappen of gewesten met
uitzondering tot Brussel
Ordonnantie: wat gestemd wordt door parlementen van het Brussels gewest
Besluiten uitvoerende macht
Koninklijk besluit/ besluit van de regering: alle ministers nemen het besluit
Ministerieel besluit: slechts 1 minister neemt het besluit
Provinciale verordening: een beslissing van een provincie (regionaal)
Gemeentelijke verordening: een beslissing van een gemeente (lokaal)
H2: Fundamentele beginselen 3
, Gebruiken en gewoonten
Lopende zaken (nergens neergeschreven
Vb. Oude regering blijft uitvoerende macht uitoefenen tot er een nieuwe regering komt MAAR het
mag geen nieuwe dingen uitvoeren (nieuwe wetten maken)
Algemene rechtsbeginselen
Ne bis in idem: niet 2 keer vervolgd kunnen worden voor hetzelfde misdrijf
Vb. een geldboeten gekregen, de overheid kan niet later zeggen ‘kom terug want we willen een
nieuwe straf geven
Formele bron → Gezaghebbend
Rechtspraak
Interpretaties: de ene rechter kan een bepaalde interpretatie geven aan een zaak, en een andere
rechter kan deze volgen, maar is daartoe niet verplicht en kan zelf een andere interpretatie geven
(in België)
Vb. De manier waarop de Reuzegommers zijn veroordeeld, betekent niet dat rechters in
Brussel dezelfde uitspraak moeten doen.
Precedenten: de rechters moeten op dezelfde manier het recht toepassen (Engeland)
Rechtsleer
Vb. Artikel over dementie: mensen mogen dat lezen en hun eigen mening erover hebben
B. Materiële en formele wetten
Formele wet: gestemd door het parlement
Vaak materieel maar niet altijd: vb. naturalisatiewet, wet op legercontigent…
Individuele beslissingen: vb. een wet voor de koning
Materiële wet: algemeen bindende neergeschreven rechtsregel (geldt voor iedereen + onpersoonlijk)
Niet alle materiële wetten zijn ook een formele wet: vb KB
H2: Fundamentele beginselen 4