Samenvatting bacteriële en mycotische ziekten
= vaak examenvraag / belangrijk
Disease ecology: ziektes begrijpen
Disease triangle: gastheer, pathogeen en omgeving
Bacteriën die eindigen op -ella: G-
Bacteriën die eindigen op -coccus: G+
1. Gastheer
- Spectrum: voor de meeste bacteriën is dit relatief breed. Specifieke bacteriën zijn
zeldzaam.
- Gastheer gevoeligheid heeft vaak te maken met:
Genetische achtergrond: carnivoren vaak minder gevoelig aan bacteriën
zelden een primair bacterieel probleem.
Soort: rotkreupel door Dichelobacter nodosus (hoorn komt los + stinken). Er zijn
verschillende stammen van deze bacterie. Vaak geen klinische problemen bij de
koe maar wel bij het schaap.
Ras: aspergillose komt overal voor, maar langsnuitige rassen zoals Collies
hebben een predispositie. Bij bepaalde hondenrassen zoals herders diepe
pyodermie van genetische achtergrond. Pyodermie: bacteriële infectie van de
huid.
Raskenmerken: otitis vnl bij hond (vb Cocker spaniël bacteriën hebben graag
vochtige en warme plek) Bacteriële infecties van de huid vnl bij Sharpei en
brachycephale rassen vanwege de huidplooien.
Geslacht: blaasontsteking (cystitis) vaker bij vrouwelijke dieren vanwege
kortere en bredere urethra bacteriën makkelijker in blaas.
Afweer: aangeboren mechanisch (huid), secreties (HCl), microbioom
(darm) en cellen (macrofagen etc). Adaptief actief vs passief
(maternaal). Je ziet sneller ziekte bij de YOPI groep. (Young, Old,
Pregenant, Immunesuppressed).
Leeftijd:
Voorbeeld 1: neonatale
septicemie. Bij neonatale
septicemie is er een
vermeerdering van bacteriën in
de BB. Dier krijgt vaak hoge
koorts, is suf en na een tijdje vestigt het in de organen/gewrichten polyartritis.
Dit komt vaak door slechte maternale immuniteit (colostrum). Probleem zit in de
immunity gap. Hier zijn de maternale As te laag en de As die foetus zelf
produceert ook. Jong zou dus beschermd moeten zijn door de maternale As, maar
dit is bij neonatale septicemie niet het geval. Kan bijv bij een vroeggeboorte, of
nog geen colostrum aanmaak of moeder maakt te weinig As aan. Neonatale
, septicemie vaak door opportunistische bacteriën hoge infectiedruk. Deze
bacteriën zijn vaak al aanwezig zoals E. coli of Streptococcus equi subsp.
zooepidemicus (komt voor in ieder paard). Behandeling moet snel en agressief
gebeuren AB en symptomatisch. Ook goede preventie van belang: moeder
voor partus vaccineren en omgeving schoonhouden infectiedruk naar
beneden. Daarnaast neonaat veel en snel colostrum geven.
Voorbeeld 2: paratuberculose bij jonge kalfjes door Mycobacterium avium
subsp. paratuberculosis (G+). Gevoeligheid stopt op bepaalde leeftijd. Komt tot
uiting na 1.5 jaar want de bacterie nestelt in de gastheercellen en komt
tevoorschijn tijdens 1e dracht/lactatie. Veroorzaakt chronische darminfectie,
vermageren en diarree dood. Bij hoogproductief melkvee.
Voorbeeld 3: droes door Streptococcus equi subsp. equi (G+). Deze bacterie is
niet aanwezig bij alle paarden, maar zodra ze aanwezig is geeft ze problemen. Er
is ettervorming thv keel, neus en lymfeknopen + abcesvorming. Ernstige ziekte
bij paarden <5 jaar. Droes kan na ziekte nog persisteren in de luchtzakken.
Voorbeeld 4: rhodococcus equi bij veulens zorgt voor chronisch progressieve
aantasting van de longen granulomen en abcessen. Volwassen paard gaat via
complement de bacterie opsoniseren waardoor de bacterie daarna afgedood kan
worden. Rhodococcus equi kan in mest van veulens vermeerderen op stoffige
weide hygiënestandaard hoog houden.
Voorbeeld 5: kennelhoest is een bacteriële infectie bij de hond
door Bordetella bronchiseptica (G-). Komt voor in de bovenste
luchtwegen en komt bij alle honden voor. Het wordt een probleem als een pup
veel bacteriën binnen krijgt crowding effect in asiel. Vaak neusvloei en
zelflimiterende hoest.
Voorbeeld 6: roetbiggen pyodermie bij zeer jonge biggen. Vaak door te weinig
maternale immuniteit waardoor ze gevoelig zijn voor Streptococcus hyicus (G+).
Deze bacterie zit vaak bij de zeugen ter hoogte van de mucocutane overgangen.
Biggetjes krijgen ernstige pyodermie + uitgebreide sterfte.
Meeste bacteriële ziektes zijn secundair. Als er iets misloopt in het normaal functioneren van
een orgaan kan een bacterie secundair ziekte veroorzaken.
Voorbeeld: Clostridium perfringens enterotoxaemie. Als er iets misloopt in de darm (vb
motiliteitsprobleem, overmaat aan eiwit of verstoring van microbioom) dan kan je
hemorrhagische necrotiserende enteritis krijgen en toxemie (toxine in BB shock). Komt vaak
voor in de dunne darm, behalve bij Eq daar thv dikke darm door bijv verkeerd AB gebruik.
Dracht/lactatie:
Voorbeeld 1: abortus bij het schaap frequent door Chlamydia abortus
(intracellulaire bacterie). Chlamydia is obligaat aanwezig in kudde en kan
opflakkeren bij dracht/lactatie.
= vaak examenvraag / belangrijk
Disease ecology: ziektes begrijpen
Disease triangle: gastheer, pathogeen en omgeving
Bacteriën die eindigen op -ella: G-
Bacteriën die eindigen op -coccus: G+
1. Gastheer
- Spectrum: voor de meeste bacteriën is dit relatief breed. Specifieke bacteriën zijn
zeldzaam.
- Gastheer gevoeligheid heeft vaak te maken met:
Genetische achtergrond: carnivoren vaak minder gevoelig aan bacteriën
zelden een primair bacterieel probleem.
Soort: rotkreupel door Dichelobacter nodosus (hoorn komt los + stinken). Er zijn
verschillende stammen van deze bacterie. Vaak geen klinische problemen bij de
koe maar wel bij het schaap.
Ras: aspergillose komt overal voor, maar langsnuitige rassen zoals Collies
hebben een predispositie. Bij bepaalde hondenrassen zoals herders diepe
pyodermie van genetische achtergrond. Pyodermie: bacteriële infectie van de
huid.
Raskenmerken: otitis vnl bij hond (vb Cocker spaniël bacteriën hebben graag
vochtige en warme plek) Bacteriële infecties van de huid vnl bij Sharpei en
brachycephale rassen vanwege de huidplooien.
Geslacht: blaasontsteking (cystitis) vaker bij vrouwelijke dieren vanwege
kortere en bredere urethra bacteriën makkelijker in blaas.
Afweer: aangeboren mechanisch (huid), secreties (HCl), microbioom
(darm) en cellen (macrofagen etc). Adaptief actief vs passief
(maternaal). Je ziet sneller ziekte bij de YOPI groep. (Young, Old,
Pregenant, Immunesuppressed).
Leeftijd:
Voorbeeld 1: neonatale
septicemie. Bij neonatale
septicemie is er een
vermeerdering van bacteriën in
de BB. Dier krijgt vaak hoge
koorts, is suf en na een tijdje vestigt het in de organen/gewrichten polyartritis.
Dit komt vaak door slechte maternale immuniteit (colostrum). Probleem zit in de
immunity gap. Hier zijn de maternale As te laag en de As die foetus zelf
produceert ook. Jong zou dus beschermd moeten zijn door de maternale As, maar
dit is bij neonatale septicemie niet het geval. Kan bijv bij een vroeggeboorte, of
nog geen colostrum aanmaak of moeder maakt te weinig As aan. Neonatale
, septicemie vaak door opportunistische bacteriën hoge infectiedruk. Deze
bacteriën zijn vaak al aanwezig zoals E. coli of Streptococcus equi subsp.
zooepidemicus (komt voor in ieder paard). Behandeling moet snel en agressief
gebeuren AB en symptomatisch. Ook goede preventie van belang: moeder
voor partus vaccineren en omgeving schoonhouden infectiedruk naar
beneden. Daarnaast neonaat veel en snel colostrum geven.
Voorbeeld 2: paratuberculose bij jonge kalfjes door Mycobacterium avium
subsp. paratuberculosis (G+). Gevoeligheid stopt op bepaalde leeftijd. Komt tot
uiting na 1.5 jaar want de bacterie nestelt in de gastheercellen en komt
tevoorschijn tijdens 1e dracht/lactatie. Veroorzaakt chronische darminfectie,
vermageren en diarree dood. Bij hoogproductief melkvee.
Voorbeeld 3: droes door Streptococcus equi subsp. equi (G+). Deze bacterie is
niet aanwezig bij alle paarden, maar zodra ze aanwezig is geeft ze problemen. Er
is ettervorming thv keel, neus en lymfeknopen + abcesvorming. Ernstige ziekte
bij paarden <5 jaar. Droes kan na ziekte nog persisteren in de luchtzakken.
Voorbeeld 4: rhodococcus equi bij veulens zorgt voor chronisch progressieve
aantasting van de longen granulomen en abcessen. Volwassen paard gaat via
complement de bacterie opsoniseren waardoor de bacterie daarna afgedood kan
worden. Rhodococcus equi kan in mest van veulens vermeerderen op stoffige
weide hygiënestandaard hoog houden.
Voorbeeld 5: kennelhoest is een bacteriële infectie bij de hond
door Bordetella bronchiseptica (G-). Komt voor in de bovenste
luchtwegen en komt bij alle honden voor. Het wordt een probleem als een pup
veel bacteriën binnen krijgt crowding effect in asiel. Vaak neusvloei en
zelflimiterende hoest.
Voorbeeld 6: roetbiggen pyodermie bij zeer jonge biggen. Vaak door te weinig
maternale immuniteit waardoor ze gevoelig zijn voor Streptococcus hyicus (G+).
Deze bacterie zit vaak bij de zeugen ter hoogte van de mucocutane overgangen.
Biggetjes krijgen ernstige pyodermie + uitgebreide sterfte.
Meeste bacteriële ziektes zijn secundair. Als er iets misloopt in het normaal functioneren van
een orgaan kan een bacterie secundair ziekte veroorzaken.
Voorbeeld: Clostridium perfringens enterotoxaemie. Als er iets misloopt in de darm (vb
motiliteitsprobleem, overmaat aan eiwit of verstoring van microbioom) dan kan je
hemorrhagische necrotiserende enteritis krijgen en toxemie (toxine in BB shock). Komt vaak
voor in de dunne darm, behalve bij Eq daar thv dikke darm door bijv verkeerd AB gebruik.
Dracht/lactatie:
Voorbeeld 1: abortus bij het schaap frequent door Chlamydia abortus
(intracellulaire bacterie). Chlamydia is obligaat aanwezig in kudde en kan
opflakkeren bij dracht/lactatie.