DE GEIT
Geitenrassen ingedeeld in 5 grote groepen:
1. Europese geiten (Zwitserse):
Saanengeit, Appenzeller, Toggenburger, Alpine geit, Walliser zwarthals, Verzasca nera
→ Zwitserland is bakermat van geiten
→ 19de eeuw: geitenrassen en stamboeken ontstaan
2. Belgische melkgeiten: Witte geit, Hertegeit, Bonte geit
→ vroeger: geiten veel belangrijker in Lage landen als melkproducent voor gezin
(in kleine wei gehouden en makkelijk hanteerbaar)
3. Wolgeiten: Angorageit, Cashmeregeit
→ verspreiding (Turkije en Centraal-Azië):
4. Tropische geiten: Anglonubische geit, boergeit
→ betekenis voor moslims
→ geitenhouderij rond menselijke woongelegenheden: rondzwervende geiten leven van
keuken- of plantageafval → kosten praktisch niets aan onderhoud
→ geslacht bij feestelijke gebeurtenissen
→ vlees jonge dieren: aantrekkelijk lichtrood, zeer mals, smakelijk
→ gemolken: lage producties (200-300 kg)
→ behaarde geitenvellen in woningen als vloerkleedjes
→ haar van langharige geiten verwerkt in kledingstukken
5. Dwerggeiten: West-Afrikaanse dwerggeit, Oost-Afrikaanse dwerggeit
→ vaak als gezelschapsdier → niet zindelijk binnenshuis, genoeg ruimte nodig
, 1. Europese geiten:
Saanengeit
- afkomst: Zwitserland
- 1 v/d meest verspreide melkgeitenrassen
- soms topproducties boven 3500 kg melk
- volledig wit
- gefokt op hoornloosheid (gemak bij melken)
→ gehoornde dieren gebruikt om probleem van kwenen tegen te gaan
- beharing: steeds kort (baarden en halsklokjes kunnen aan- of afwezig zijn)
- minder sterk dan lokale landgeiten
- in stallen gehouden + goed verzorgd worden
- uier: onbehaard, goed aangesloten met groot ophangingsoppervlak, rel. kleine tepels
- bok: draagt op rug ‘manen’ → bij opwinding opgericht
Appenzeller
- oorsprong: kanton Appenzell (19de eeuw)
→ graasde in hoge alpenweiden
- volledig wit
- lange, golvende beharing
- nu: hobbyras
- verschillen Saanengeit (met rozige verkleuring
om oogleden en neusgaten):
- duidelijk kleiner
- gedrongener
- lichter
Geitenrassen ingedeeld in 5 grote groepen:
1. Europese geiten (Zwitserse):
Saanengeit, Appenzeller, Toggenburger, Alpine geit, Walliser zwarthals, Verzasca nera
→ Zwitserland is bakermat van geiten
→ 19de eeuw: geitenrassen en stamboeken ontstaan
2. Belgische melkgeiten: Witte geit, Hertegeit, Bonte geit
→ vroeger: geiten veel belangrijker in Lage landen als melkproducent voor gezin
(in kleine wei gehouden en makkelijk hanteerbaar)
3. Wolgeiten: Angorageit, Cashmeregeit
→ verspreiding (Turkije en Centraal-Azië):
4. Tropische geiten: Anglonubische geit, boergeit
→ betekenis voor moslims
→ geitenhouderij rond menselijke woongelegenheden: rondzwervende geiten leven van
keuken- of plantageafval → kosten praktisch niets aan onderhoud
→ geslacht bij feestelijke gebeurtenissen
→ vlees jonge dieren: aantrekkelijk lichtrood, zeer mals, smakelijk
→ gemolken: lage producties (200-300 kg)
→ behaarde geitenvellen in woningen als vloerkleedjes
→ haar van langharige geiten verwerkt in kledingstukken
5. Dwerggeiten: West-Afrikaanse dwerggeit, Oost-Afrikaanse dwerggeit
→ vaak als gezelschapsdier → niet zindelijk binnenshuis, genoeg ruimte nodig
, 1. Europese geiten:
Saanengeit
- afkomst: Zwitserland
- 1 v/d meest verspreide melkgeitenrassen
- soms topproducties boven 3500 kg melk
- volledig wit
- gefokt op hoornloosheid (gemak bij melken)
→ gehoornde dieren gebruikt om probleem van kwenen tegen te gaan
- beharing: steeds kort (baarden en halsklokjes kunnen aan- of afwezig zijn)
- minder sterk dan lokale landgeiten
- in stallen gehouden + goed verzorgd worden
- uier: onbehaard, goed aangesloten met groot ophangingsoppervlak, rel. kleine tepels
- bok: draagt op rug ‘manen’ → bij opwinding opgericht
Appenzeller
- oorsprong: kanton Appenzell (19de eeuw)
→ graasde in hoge alpenweiden
- volledig wit
- lange, golvende beharing
- nu: hobbyras
- verschillen Saanengeit (met rozige verkleuring
om oogleden en neusgaten):
- duidelijk kleiner
- gedrongener
- lichter