Europa en daarbuiten: Ottomanen
● Europa geen afgesloten gebied
○ géén volledig gesloten systeem → contacten en invloeden van buitenaf
(ottomanen).
○ europa in wisselwerking met andere beschavingen, ook al bevonden die zich
buiten de 'christelijke wereld'.
● periode gekenmerkt door expansie van Ottomanen
○ Ottomanen breidden hun rijk sterk uit richting Europa.
○ = grote geopolitieke macht die Europa militair, politiek en cultureel
beïnvloedde.
● 1453: Constantinopel ingenomen door Ottomaanse sultan Mehmed II De Veroveraar
○ einde Byzantijnse Rijk.
○ Sultan Mehmed II kreeg bijnaam "De Veroveraar".
○ = begin van nieuwe machtsorde in oosten van Europa.
● 1529: Ottomanen belegeren voor het eerst Wenen (tevergeefs)
○ eerste grote poging van Ottomanen om door te stoten tot in Centraal-Europa.
○ Wenen = hoofdstad van Habsburgse rijk = symbool Europese weerstand.
○ mislukt, maar toont wel hoe ver hun invloed reikte.
● 1571: Ottomanen verslagen tijdens Slag bij Lepanto
○ zeeslag tussen ottomaanse vloot en christelijke alliantie (oa Spanje en
pauselijke staten).
○ Ottomanen verliezen, maar niet definitief gestopt.
● 1683: Ottomanen staan opnieuw aan poorten van Wenen
○ nieuwe poging om Habsburgse hoofdstad in te nemen.
○ = Ottomaanse dreiging nog steeds reëel.
● Polen onder Jan Sobieski:
○ Sobieski stelt coalitie samen van Europese machten → leidt troepen die
Wenen ontzetten en ottomanen verslaan.
○ belangrijke overwinning voor Europa, keerpunt in strijd tegen Ottomanen.
● Paus laat Heilige Liga oprichten:
○ Christelijke alliantie voor gezamenlijk verzet tegen Ottomanen.
○ = gecoördineerde militaire campagnes tegen Ottomaanse Rijk.
● Niet alles is zwart-wit:
○ ondanks strijd, zijn verhoudingen niet altijd vijandig.
○ Lodewijk XIV van Frankrijk sluit zelfs alliantie met Ottomanen.
○ = choqueert rest van Europa: politieke belangen soms belangrijker dan
religieuze grenzen.
,economisch overwicht
Spanje
Spaanse expansie gebeurde in concurrentie met Portugal, met afbakeningslijnen zoals die
van bul Inter Caetera (1493) en Verdrag van Tordesillas (1494): alles ten oosten Portugees
en ten westen Spaans → leidde later tot conflicten met andere Europese mogendheden
zoals Frankrijk, Engeland en Verenigde Provinciën.
Spanje verloor in tweede helft van 17e eeuw kolonies aan Engeland en Verenigde
Provinciën = bleef koloniaal actief tot eind 18e eeuw tot de Atlantische Revoluties en
onafhankelijkheidsoorlogen in Latijns-Amerika
De Verenigde Provinciën
erg actief, mede door financiële druk na Spaanse Successieoorlog
Engeland
Engeland kende vooral in 18e eeuw belangrijke opmars dankzij financieel systeem:
- hoge belastingen goedgekeurd door parlement = staatsobligaties betrouwbaar →
Frankrijk daarentegen vertrouwde op indirecte belastingen die werden geïnd door
privébedrijven = risicovoller en Franse staat bleef met schulden zitten
Engeland breidde verder uit door o.a.
- verdragen met Portugal: voor edelmetaal uit Brazilië
- opbrengsten tabak/katoenproductie
- verdrijving van Fransen uit Canada: verloor wel kolonies aan VS, maar breidde
verder uit in Australië en NZ
→ I.R. leidde tot nieuwe massaproductie en een groeiende wereldmarkt, wat in de 19e eeuw
resulteerde in het British Empire.
duale model bepaalde lange tijd IN verhoudingen binnen europa
= volgens middeleeuwse visie mochten christenen elkaar alleen bevechten onder specifieke
voorwaarden = bellum iustum-model (rechtvaardige oorlog): → bedoeld om geweld tussen
christelijke heerseres te beperken
- alleen als christelijke vorst voldoende gezag had (auctoritas)
- streed om rechtvaardige reden (causa iusta)
- met oprechte intentie (recta intentio)
- proportioneel geweld gebruikte
tegen heidenen oorlog wel toegestaan = spanningen toen er verdragen werden gesloten met
niet-christelijke rijken; theologen vaak in bochten wringen om dat te verantwoorden
,conciliarisme
idee kwam voort uit religieus geïnspireerde politieke theorie: Katholieke Kerk zag zichzelf als
erfgenaam van Romeinse Rijk → sterke verweving van religie met politieke theorie. Die
invloed nam pas af door opkomst van kolonisatie en machtscentralisatie door verschillende
Europese heersers.
in de 17e E = nieuwe visie: staten zelf beschouwd als volwaardige rechtssubjecten → staten
onderhandelden, sloten verdragen en voerden oorlog – IR voortaan gebaseerd op gedrag
van staten, niet op dat van individuen = invloed van religieuze moraal verder verdrongen uit
rechtsorde tussen staten
OPKOMST NATIESTAAT
nationalisme en FR
= doorheen burgerschap behoort men tot Franse natie en wordt men als onderdaan direct
verbonden met de staat.
nationalisme en niet-inmenging na CvW
= F onder Napoleon III stapte later af van basisideeën van CvW, dat gericht was op
Europees machtsevenwicht via allianties, en keerde terug naar idee van natiestaat →
gebruikte dat om terug dominant te worden in Europa en roep om terugkeer van
Bourbon-monarchie of republiek in de kiem te smoren
opkomst pruisen en bismarck
= Bismarck richtte zich vanaf begin op Noord-Duitse Bond en probeerde Zuid-Duitse staten
via nationalisme aan te trekken → speelde daarbij kaart van ‘Franse dreiging’ uit om steun te
krijgen
natiestaat als nieuwe politieke orde
= in deze context ontstond ‘romantisch nationalisme’: opvatting waarbij naties ontstonden uit
collectieve wil van volk, geïnspireerd door denkers als Rousseau en Sieyès → in D leidde dit
tot nationalisme dat sterk gericht was op etnisch-culturele eenheid
frankrijk versus duitsland (1870-1871)
= F probeerde de Duitse eenmaking te verhinderen want bang dat verenigd Duitsland
Bismarck te machtig zou maken → Bismarck gebruikte angst juist om Frankrijk te
provoceren:
● Bismarck lokte oorlog uit met Frankrijk in 1870.
● Pruisen bezette Parijs, Napoleon III gevangengenomen.
● In Frankrijk viel Tweede Keizerrijk → riep de republiek uit.
● Bismarck riep in Versailles Duitse keizerrijk uit, onder Wilhelm I.
, volkenbond 1919
● geen automatische sanctie bij miskenning van uitspraak PCIJ
→ Hof kon arresten vellen, maar staten niet verplicht ze na te leven.
→ alleen Raad kon optreden, en dan enkel met unanimiteit.
● Hof legde fundamentele principes van IR vast
→ uitspraken droegen bij aan ontwikkeling van recht tussen staten, ook zonder
directe afdwingbaarheid.
● hiërarchie van rechtsbronnen bleef ongewijzigd
1. Verdragen
2. Gewoonten
3. Algemene rechtsbeginselen
4. Rechtspraak en rechtsleer
Bescherming van minderheden
● veel WO I-gebieden (vooral ex-Oostenrijk-Hongarije) telden etnische minderheden.
● Volkenbond bood bescherming:
→ Onderwijs in eigen taal
→ Non-discriminatie
● staten moesten hierover rapporteren aan Volkenbond-organen.
FRANKRIJK
grondwet van 1793
● Montagnards nemen heel progressieve Grondwet aan, maar nooit uitgevoerd
→ montagnards waren radicale vleugel binnen Franse Revolutie.
→ grondwet was zeer modern, maar niet ingevoerd door oorlogssituatie en interne
spanningen.
● Algemeen stemrecht
→ alle mannelijke burgers kregen stemrecht, ongeacht rijkdom of afkomst (dus geen
cijnskiesrecht meer).
→ uitzonderlijk voor de tijd: pure volkssoevereiniteit.
● Bevolkingsconsultatie via referenda
→ wetten aan bevolking voorgelegd, zodat ze rechtstreeks konden stemmen.
→ = directe democratie.
● Uitgebreide sociale rechten (arbeid, bijstand, progressieve belastingen)
→ grondwet erkende expliciet sociale rechten:
○ recht op werk
○ recht op steun bij armoede
○ belastingen naargelang vermogen (progressief)
● God verlaten voor gelaïciseerde ‘Opperwezen’
→ religieuze termen of macht van kerk vervangen.
→ ‘Opperwezen’ = neutrale, niet-confessionele aanduiding – geen klassieke
christelijke god meer.
● Elke handeling van overheid tegen burger buiten gevallen en vormvoorwaarden van
wet = arbitrair en tiranniek