1 Wat is sociale interactie?:………………………………………………..
2 Wat is primaire beïnvloeding?:…………………………………………………………………………….
3 Wanneer is er sprake van massacommunicatie:
A wanneer er veel mensen staan te kijken
B wanneer er sprake is van openbare communicatie
C Wanneer de massa behoefte heeft aan veel communicatie
4 Waarom heeft nieuws een grote invloed op de publieke opinie?
A Omdat het publiek ervan uit gaat dat het nieuws onafhankelijk gebracht wordt
B Omdat het nieuws is gemaakt voor de opinie van mensen
C Omdat nieuws ten gevolge heeft dat mensen een opinie creeëren die naar het nieuws staat
5 Wat is de belangrijkste indirecte invloed van de directie van een krant?
…………………………………………………………………………………………………….
6 Wie geeft de boodschap betekenis?
A zender
B ontvanger
C zowel zender als ontvanger
7 Waarvoor is de journalistieke houding essentieel? ………………………………………………………………………
8 Nieuwsorganisaties worden beïnvloedt door:
A Adverteerders
B Adverteerders, bronnen en publiek
C Het publiek
9 Welk medium is per definitie geen publiek medium?
A TV
B Radio
C Dagblad
10 Wanneer vindt de ontzuiling bij de omroepen plaats?
A Tegelijk met de ontzuiling van de kranten
B 10 jaar eerder dan de ontzuiling van de kranten
C 10 jaar na de ontzuiling van de kranten
11 Ingezonden brieven horen in een krant thuis in de rubriek:
A opinie
B Expressie
C kritiek
12 Waarom wordt pluriformiteit in de Nederlandse pers benadrukt?
……………………………………………………………………………………………………………….
2 Wat is primaire beïnvloeding?:…………………………………………………………………………….
3 Wanneer is er sprake van massacommunicatie:
A wanneer er veel mensen staan te kijken
B wanneer er sprake is van openbare communicatie
C Wanneer de massa behoefte heeft aan veel communicatie
4 Waarom heeft nieuws een grote invloed op de publieke opinie?
A Omdat het publiek ervan uit gaat dat het nieuws onafhankelijk gebracht wordt
B Omdat het nieuws is gemaakt voor de opinie van mensen
C Omdat nieuws ten gevolge heeft dat mensen een opinie creeëren die naar het nieuws staat
5 Wat is de belangrijkste indirecte invloed van de directie van een krant?
…………………………………………………………………………………………………….
6 Wie geeft de boodschap betekenis?
A zender
B ontvanger
C zowel zender als ontvanger
7 Waarvoor is de journalistieke houding essentieel? ………………………………………………………………………
8 Nieuwsorganisaties worden beïnvloedt door:
A Adverteerders
B Adverteerders, bronnen en publiek
C Het publiek
9 Welk medium is per definitie geen publiek medium?
A TV
B Radio
C Dagblad
10 Wanneer vindt de ontzuiling bij de omroepen plaats?
A Tegelijk met de ontzuiling van de kranten
B 10 jaar eerder dan de ontzuiling van de kranten
C 10 jaar na de ontzuiling van de kranten
11 Ingezonden brieven horen in een krant thuis in de rubriek:
A opinie
B Expressie
C kritiek
12 Waarom wordt pluriformiteit in de Nederlandse pers benadrukt?
……………………………………………………………………………………………………………….