Pedagogie
hoofddoel ‘leren kijken’ centraal door via verschillende brillen naar opvoeding en
de maatschappij te kijken: via een brede invulling van pedagogie
1. Opvoeding
1.1. Vakjargon in de pedagogie(k)
- Opvoeden: Het leren van levensregels en omgangsregels om in de
samenleving goed te kunnen functioneren en jezelf te ontwikkelen, en
waarden en normen aanleren.
- Pedagogische verantwoordelijkheid ~ Masschelein:
o = de verantwoordelijkheid hebben om kinderen met de wereld
waarin ze terechtkomen te laten kennismaken en hen te
introduceren
o “kinderen te wereld brengen, en met hen die wereld delen”
o Dit houd ook in dat deze volwassene de verantwoordelijkheid
voor het gedrag van het kind overneemt: het kind is (tijdelijk)
gevrijwaard van expertise die ervoor zorgt dat wat een kind doet
of zegt meteen een functie, verklaring of bestemming heeft en
daarnaast dat we gezag verlenen aan woorden, dingen en
manieren van doen die mee onze gemeenschappelijke wereld
vormen => opvoeders waarborgen een vrije ruimte waarin ze
kunnen oefenen en experimenteren en telkens nieuwe kansen
krijgen.
o => Opvoeden betekent kinderen initiëren in de wereld, het
gaat over die wereld waarin het kind toegeleid wordt.
o Intergenerationele karakter van opvoeden: naast het
toeleiden naar de wereld, gaat opvoeden ook om het doorgeven
van ervaringen en wijsheid aan de volgende generaties.
o We moeten kinderen uitnodigen in onze wereld, maar hoe gaat
het met deze wereld: het gaat beter én slechter dan ooit. We
maken hen dus deelgenot van een onzekere constant
veranderende wereld. Hierrond zijn veel gevoelens van angst,
zowel bij ouders als bij kinderen.
- Pedagogische relatie
o 2 definities:
Omdat het kind aangesproken wordt alsof het reeds een
persoon is, wordt het jonge kind in de relatie met die
andere tot een persoon-in-wording. Dit ‘aanspreken’
noemen we opvoeding. ~ Spiecker
Driehoeksrelatie/triade: kind – opvoeder – wereld
(Driehoeksrelatie: je wil dat ze in de wereld zich kunnen
handhaven, richting volwassenheid brengen) ~ Gieles
o “there is no such thing as a baby” ~ Donald Winnicott: een baby
kan niet los gezien worden van zijn omgeving, vooral niet van de
primaire verzorger.
, o Opvoeder is slechts opvoeder ten aanzien van het kind dat
opgevoed wordt.
- Opvoedingsmilieus
o = verwijst naar de omgeving waarin het kind opgroeit en die
invloed heeft op zijn ontwikkeling. Dit omvat de fysieke, sociale
en culturele context waarin het kind opgroeit.
o Gezin (primair) – school (secundair) – vrije tijd (tertiair) – wereld
(quartair) (met het digitale als parallelle leefwereld, de 5 de, deze
is in ze allemaal aanwezig), deze beïnvloeden elkaar constant.
o Opvoeden is niet uitsluitend een taak van de ouders, naarmate
een kind opgroeit vindt opvoeden in steeds meer verschillende
(opvoed)contexten (opvoedingsmilieus) plaats, verschillende
volwassenen hebben verantwoordelijkheid op te nemen in de
opvoeding van kinderen.
o Verschillende opvoedingsmilieus betekent niet dat alle opvoeders
dezelfde opvoeding moeten geven, maar dat kinderen een
diversiteit aan plekken hebben waar ze groot kunnen worden.
o “It takes a village to raise a child”
- Initiëren in de wereld
o Opvoeding creëert een plek waar volwassenen met
kinderen/jongeren kunnen spreken en samen kunnen uitzoeken
hoe de wereld hun aanspreekt.
o Op eigen benen leren staan kan alleen maar als het kind in staat
is zich af te vragen of dat wat het wil ook waard is om gewild te
worden. Het zal weestand moeten kunnen bieden aan wat, van
binnenuit en van buitenaf, op hem afkomt.
- Intergenerationeel
o Doorgeven van ervaringen en wijsheid aan volgende generaties:
rituelen – tradities – normen – waarden
o Opvoeding over generaties heen, je neemt dingen mee uit je
eigen opvoeding, je partner doet dat ook.
o “ Je kan enkel dingen proberen meegeven en kennis laten
maken, maar zij beslissen om dit op te nemen en ermee verder
te gaan of niet.”
- Weerstand
o Je kan niet bepalen waaraan je kind aandacht gaat geven en gaat
willen herkennen. Het aanbieden helpt wel maar is geen
verzekering op interesse en actie. Als ouder moet je ermee om
kunnen dat kinderen niet altijd doen wat je zegt of zou willen.
- Pedagogische basis (Pedagogische leefomgeving -
Pedagogische sociale relaties)
o = alle contacten, relaties en leefomgevingen die bijdragen aan
het opgroeien en opvoeden van kinderen
Pedagogische leefomgeving: plekken waar kinderen en
opvoeders naartoe kunnen gaan(fysiek en online)
Pedagogische sociale relaties: mensen waarmee kinderen
opgroeien (medeopvoeders)
o In verschillende omgevingen en relaties
Primaire opvoeders: mama en papa
, Secundaire opvoeders: andere mensen die een invloed
hebben op de opvoeding
o De pedagogische basis kan veranderen door de leefsituatie, Hoe
breder de pedagogische basis hoe interessanter voor de kinderen
en hoe meer ze leren.
- Pedagogisch leef-klimaat
o = fysieke, sociale en emotionele omgeving van een
opvoedingsmilieu, dit omvat niet enkel de materiele
omstandigheden, maar ook de interacties tussen kinderen en
opvoeders, de normen en waarden die worden overgedragen, en
de manier van ondersteuning in groei naar zelfstandigheid en
verantwoordelijkheid. Door:
Steun en responsiviteit
Stimuleren van groei en ontwikkeling
Bieden van duidelijke structuur en leefregels
Onderlinge interactie
Atmosfeer
o Het pedagogisch klimaat is:
Afgestemd op basis behoeften van kind Iedereen heeft drie
basisbehoeftes:
sociaal contact, verbinding voelen met andere mensen
Je bekwaam voelen, gevoel dat je vooruit gaat en aan het
bijleren bent, dat je goed bezig bent
Gevoel dat je dat zelf hebt gerealiseerd, fier zijn op jezelf
o Het pedagogisch leefklimaat is voorwaardenscheppend: het gaat
minder over de plaats, maar over de manier waarop die
omgeving zijn invulling krijgt.
- Pedagogisch handelen
o = een vorm van sociaal handelen, georiënteerd op het handelen
van anderen. Je handelt met andere woorden dus steeds binnen
de pedagogische relatie. Het handelen van de opvoeder staat
niet op zich, maar in relatie tot het kind. En wordt verder
aangestuurd door en krijgt verder vorm via de (re)acties van het
kind. (~ Herman Giesecke)
Er is geen ‘juist’ of ‘fout’ handelen, enkel adequaat (=precies zoals
nodig is) handelen. Hieruit vloeien steeds meer mogelijkheden voor
‘verstandig handelen’.
- Alledaagse, ingebed in het volle leven
o Opvoeden is niet datgene dat we nog ‘extra’ ondernemen met
onze kinderen ‘na’ of ‘bovenop’ het voeden. Opvoeders zijn
vanzelfsprekend voortdurend ‘bezig’ met op te voeden. Het is
immers onmogelijk wie we zijn en wie we voor kinderen willen
zijn, compleet uit te schakelen. Ook door onze aanwezigheid,
door de wijze waarop we aanwezig zijn of hen toespreken
voeden we op (~ Mollenhauer).
o Opvoeding is dus ingebed in het alledaagse leven:
Opvoedingsactiviteiten
Maar eigenlijk meestal door kleine voorvallen
- Waardengelanden
, o Intergenerationeel
o Cultureel
o Maatschappelijk
- Existentieel karakter
o = alles wat te maken heeft met het bestaan en fundamenten van
het menselijke leven, het gaat om vragen en overpeinzingen
over de aard van het leven en de betekenis ervan.
• Opvoeders hebben opvattingen over wat goed (genoeg) is in
het leven.
• Vertoont vaak gelijkenis van cultuur of subcultuur waartoe
men behoort.
o Opvoeden is een niet-aflatende poging onze kinderen uit te
nodigen tot wat waardevol is, meer precies: wat wij (persoonlijk,
onze samenleving) waardevol vinden.
o Kinderen zien het gedrag van opvoeders en gaan dit misschien
wel kopiëren.
o Maar misschien juist niet: weerstand
o Belangrijk om als jeugdprofessional mee met het perspectief van
ouders meekijken wat zij belangrijk vinden voor hun kind.
- Westerse pedagogiek
o Opvoeden is op allerlei manieren omschreven, maar niemand
heeft ooit ontkend dat het is:
o Bezig zijn met kinderen, met het oog op de toekomst
- Pedagogische besef
o Verantwoordelijkheid, bewustzijn en je zo gedragen
o Inzicht en ingaan op noden kind
o Afstemming/evenwicht noden kind en noden opvoeder
- Verantwoordelijkheid
o = je kan niet niet-reageren, van het kind gaat zo een kracht, zo
een appél uit dat je niet anders kan dan op zoek gaan naar
antwoorden. Elke baby heeft volwassenen nodig, en die kunnen
niet anders dan reageren op een wenende baby, ze voelen een
appél. (Volwassenen hebben allemaal bepaalde gevoelens die
opkomen bij wenende/lachende baby’s)
- Gedeelde wereld
o Idee dat opvoeding plaatsvindt in een gemeenschappelijke
ruimte waarin kinderen en volwassenen samen leven, leren en
ontwikkelen.
- Traditie, intuïtie, rituelen, gezond verstand
o Mensen ‘weten’ niet hoe ze moeten opvoeden, maar doen het
gewoon, omdat iedereen het altijd al zo gedaan heeft en omdat
ze zelf ook zijn opgevoed.
o Bronnen waaruit opvoeding put:
Traditie: is een gewoonte, gebruik of geloof dat van
generatie op generatie wordt doorgegeven binnen een
bepaalde cultuur, gemeenschap of groep. Het wordt niet
enkel doorgegeven door eigen ervaringen maar ook door
gewoontes, rituelen, gebruiken en gedragspatronen.
-> Traditie als bron voor opvoeding werkt enkel in tijden met
weinig verandering, in de huidige tijdsgeest met de snelle
hoofddoel ‘leren kijken’ centraal door via verschillende brillen naar opvoeding en
de maatschappij te kijken: via een brede invulling van pedagogie
1. Opvoeding
1.1. Vakjargon in de pedagogie(k)
- Opvoeden: Het leren van levensregels en omgangsregels om in de
samenleving goed te kunnen functioneren en jezelf te ontwikkelen, en
waarden en normen aanleren.
- Pedagogische verantwoordelijkheid ~ Masschelein:
o = de verantwoordelijkheid hebben om kinderen met de wereld
waarin ze terechtkomen te laten kennismaken en hen te
introduceren
o “kinderen te wereld brengen, en met hen die wereld delen”
o Dit houd ook in dat deze volwassene de verantwoordelijkheid
voor het gedrag van het kind overneemt: het kind is (tijdelijk)
gevrijwaard van expertise die ervoor zorgt dat wat een kind doet
of zegt meteen een functie, verklaring of bestemming heeft en
daarnaast dat we gezag verlenen aan woorden, dingen en
manieren van doen die mee onze gemeenschappelijke wereld
vormen => opvoeders waarborgen een vrije ruimte waarin ze
kunnen oefenen en experimenteren en telkens nieuwe kansen
krijgen.
o => Opvoeden betekent kinderen initiëren in de wereld, het
gaat over die wereld waarin het kind toegeleid wordt.
o Intergenerationele karakter van opvoeden: naast het
toeleiden naar de wereld, gaat opvoeden ook om het doorgeven
van ervaringen en wijsheid aan de volgende generaties.
o We moeten kinderen uitnodigen in onze wereld, maar hoe gaat
het met deze wereld: het gaat beter én slechter dan ooit. We
maken hen dus deelgenot van een onzekere constant
veranderende wereld. Hierrond zijn veel gevoelens van angst,
zowel bij ouders als bij kinderen.
- Pedagogische relatie
o 2 definities:
Omdat het kind aangesproken wordt alsof het reeds een
persoon is, wordt het jonge kind in de relatie met die
andere tot een persoon-in-wording. Dit ‘aanspreken’
noemen we opvoeding. ~ Spiecker
Driehoeksrelatie/triade: kind – opvoeder – wereld
(Driehoeksrelatie: je wil dat ze in de wereld zich kunnen
handhaven, richting volwassenheid brengen) ~ Gieles
o “there is no such thing as a baby” ~ Donald Winnicott: een baby
kan niet los gezien worden van zijn omgeving, vooral niet van de
primaire verzorger.
, o Opvoeder is slechts opvoeder ten aanzien van het kind dat
opgevoed wordt.
- Opvoedingsmilieus
o = verwijst naar de omgeving waarin het kind opgroeit en die
invloed heeft op zijn ontwikkeling. Dit omvat de fysieke, sociale
en culturele context waarin het kind opgroeit.
o Gezin (primair) – school (secundair) – vrije tijd (tertiair) – wereld
(quartair) (met het digitale als parallelle leefwereld, de 5 de, deze
is in ze allemaal aanwezig), deze beïnvloeden elkaar constant.
o Opvoeden is niet uitsluitend een taak van de ouders, naarmate
een kind opgroeit vindt opvoeden in steeds meer verschillende
(opvoed)contexten (opvoedingsmilieus) plaats, verschillende
volwassenen hebben verantwoordelijkheid op te nemen in de
opvoeding van kinderen.
o Verschillende opvoedingsmilieus betekent niet dat alle opvoeders
dezelfde opvoeding moeten geven, maar dat kinderen een
diversiteit aan plekken hebben waar ze groot kunnen worden.
o “It takes a village to raise a child”
- Initiëren in de wereld
o Opvoeding creëert een plek waar volwassenen met
kinderen/jongeren kunnen spreken en samen kunnen uitzoeken
hoe de wereld hun aanspreekt.
o Op eigen benen leren staan kan alleen maar als het kind in staat
is zich af te vragen of dat wat het wil ook waard is om gewild te
worden. Het zal weestand moeten kunnen bieden aan wat, van
binnenuit en van buitenaf, op hem afkomt.
- Intergenerationeel
o Doorgeven van ervaringen en wijsheid aan volgende generaties:
rituelen – tradities – normen – waarden
o Opvoeding over generaties heen, je neemt dingen mee uit je
eigen opvoeding, je partner doet dat ook.
o “ Je kan enkel dingen proberen meegeven en kennis laten
maken, maar zij beslissen om dit op te nemen en ermee verder
te gaan of niet.”
- Weerstand
o Je kan niet bepalen waaraan je kind aandacht gaat geven en gaat
willen herkennen. Het aanbieden helpt wel maar is geen
verzekering op interesse en actie. Als ouder moet je ermee om
kunnen dat kinderen niet altijd doen wat je zegt of zou willen.
- Pedagogische basis (Pedagogische leefomgeving -
Pedagogische sociale relaties)
o = alle contacten, relaties en leefomgevingen die bijdragen aan
het opgroeien en opvoeden van kinderen
Pedagogische leefomgeving: plekken waar kinderen en
opvoeders naartoe kunnen gaan(fysiek en online)
Pedagogische sociale relaties: mensen waarmee kinderen
opgroeien (medeopvoeders)
o In verschillende omgevingen en relaties
Primaire opvoeders: mama en papa
, Secundaire opvoeders: andere mensen die een invloed
hebben op de opvoeding
o De pedagogische basis kan veranderen door de leefsituatie, Hoe
breder de pedagogische basis hoe interessanter voor de kinderen
en hoe meer ze leren.
- Pedagogisch leef-klimaat
o = fysieke, sociale en emotionele omgeving van een
opvoedingsmilieu, dit omvat niet enkel de materiele
omstandigheden, maar ook de interacties tussen kinderen en
opvoeders, de normen en waarden die worden overgedragen, en
de manier van ondersteuning in groei naar zelfstandigheid en
verantwoordelijkheid. Door:
Steun en responsiviteit
Stimuleren van groei en ontwikkeling
Bieden van duidelijke structuur en leefregels
Onderlinge interactie
Atmosfeer
o Het pedagogisch klimaat is:
Afgestemd op basis behoeften van kind Iedereen heeft drie
basisbehoeftes:
sociaal contact, verbinding voelen met andere mensen
Je bekwaam voelen, gevoel dat je vooruit gaat en aan het
bijleren bent, dat je goed bezig bent
Gevoel dat je dat zelf hebt gerealiseerd, fier zijn op jezelf
o Het pedagogisch leefklimaat is voorwaardenscheppend: het gaat
minder over de plaats, maar over de manier waarop die
omgeving zijn invulling krijgt.
- Pedagogisch handelen
o = een vorm van sociaal handelen, georiënteerd op het handelen
van anderen. Je handelt met andere woorden dus steeds binnen
de pedagogische relatie. Het handelen van de opvoeder staat
niet op zich, maar in relatie tot het kind. En wordt verder
aangestuurd door en krijgt verder vorm via de (re)acties van het
kind. (~ Herman Giesecke)
Er is geen ‘juist’ of ‘fout’ handelen, enkel adequaat (=precies zoals
nodig is) handelen. Hieruit vloeien steeds meer mogelijkheden voor
‘verstandig handelen’.
- Alledaagse, ingebed in het volle leven
o Opvoeden is niet datgene dat we nog ‘extra’ ondernemen met
onze kinderen ‘na’ of ‘bovenop’ het voeden. Opvoeders zijn
vanzelfsprekend voortdurend ‘bezig’ met op te voeden. Het is
immers onmogelijk wie we zijn en wie we voor kinderen willen
zijn, compleet uit te schakelen. Ook door onze aanwezigheid,
door de wijze waarop we aanwezig zijn of hen toespreken
voeden we op (~ Mollenhauer).
o Opvoeding is dus ingebed in het alledaagse leven:
Opvoedingsactiviteiten
Maar eigenlijk meestal door kleine voorvallen
- Waardengelanden
, o Intergenerationeel
o Cultureel
o Maatschappelijk
- Existentieel karakter
o = alles wat te maken heeft met het bestaan en fundamenten van
het menselijke leven, het gaat om vragen en overpeinzingen
over de aard van het leven en de betekenis ervan.
• Opvoeders hebben opvattingen over wat goed (genoeg) is in
het leven.
• Vertoont vaak gelijkenis van cultuur of subcultuur waartoe
men behoort.
o Opvoeden is een niet-aflatende poging onze kinderen uit te
nodigen tot wat waardevol is, meer precies: wat wij (persoonlijk,
onze samenleving) waardevol vinden.
o Kinderen zien het gedrag van opvoeders en gaan dit misschien
wel kopiëren.
o Maar misschien juist niet: weerstand
o Belangrijk om als jeugdprofessional mee met het perspectief van
ouders meekijken wat zij belangrijk vinden voor hun kind.
- Westerse pedagogiek
o Opvoeden is op allerlei manieren omschreven, maar niemand
heeft ooit ontkend dat het is:
o Bezig zijn met kinderen, met het oog op de toekomst
- Pedagogische besef
o Verantwoordelijkheid, bewustzijn en je zo gedragen
o Inzicht en ingaan op noden kind
o Afstemming/evenwicht noden kind en noden opvoeder
- Verantwoordelijkheid
o = je kan niet niet-reageren, van het kind gaat zo een kracht, zo
een appél uit dat je niet anders kan dan op zoek gaan naar
antwoorden. Elke baby heeft volwassenen nodig, en die kunnen
niet anders dan reageren op een wenende baby, ze voelen een
appél. (Volwassenen hebben allemaal bepaalde gevoelens die
opkomen bij wenende/lachende baby’s)
- Gedeelde wereld
o Idee dat opvoeding plaatsvindt in een gemeenschappelijke
ruimte waarin kinderen en volwassenen samen leven, leren en
ontwikkelen.
- Traditie, intuïtie, rituelen, gezond verstand
o Mensen ‘weten’ niet hoe ze moeten opvoeden, maar doen het
gewoon, omdat iedereen het altijd al zo gedaan heeft en omdat
ze zelf ook zijn opgevoed.
o Bronnen waaruit opvoeding put:
Traditie: is een gewoonte, gebruik of geloof dat van
generatie op generatie wordt doorgegeven binnen een
bepaalde cultuur, gemeenschap of groep. Het wordt niet
enkel doorgegeven door eigen ervaringen maar ook door
gewoontes, rituelen, gebruiken en gedragspatronen.
-> Traditie als bron voor opvoeding werkt enkel in tijden met
weinig verandering, in de huidige tijdsgeest met de snelle