2.1 Gemiddelde boekhoudkundige opbrengstvoet ARR
→ bij lineaire afschrijvingen : gemiddelde investering wordt zo bepaald
Beslissingsregel van de ARR:
- als ARR > minimum vereist rendement → project aanvaarden
- als ARR < minimum vereist rendement → project niet aanvaarden
evaluatie:
→ voordelen :
- ARR = eenvoudig te berekenen
- interpretatie is eenvoudig
→ nadelen:
- ARR gebruikt boekhoudkundige winst i.p.v. cashflows
- minimum vereist rendement wordt arbitrair bepaald (= bepaald op willekeurige basis)
- tijdswaarde van geld wordt buiten beschouwing gelaten (geen actualisatie)
voorbeeld:
beschouw : 2 projecten met :
- initiële investering = 1.500.000
- vereist rendement van minimaal 10%
nettowinst van beide projecten:
→ welk project verkies je obv de ARR?
,project A:
gemiddelde nettowinst = ( 150 000 + 150 000 + 150 000 + 150 000 + 150 000) / 5
→
project B:
gemiddelde nettowinst = 750 000
→
obv ARR → indifferent tussen project A en B
MAAR : als je rekening houdt met tijdswaarde → verkies je project A
conclusie:
ARR = geen goede methode voor evaluatie van investeringsprojecten
2.2 Terugbetalingstermijn Methode (Payback Period)
De payback methode
= maakt gebruik van de vrije cashflows + geeft het aantal jaren weer dat nodig is om de initiële
investeringsuitgave te recupereren
beslissingsregel van Payback Methode:
- als terugbetalingstermijn < max. aanvaardbaar terugbetalingstermijn → aanvaard project
- als terugbetalingstermijn > max. aanvaardbaar terugbetalingstermijn → verwerp project
max. aanvaardbare terugbetalingstermijn = vastgelegd door bedrijfsleiding
,voorbeeld
gegeven :
- FCF = 450 000 per jaar (= constant)
- initiële investering = 1.500.000
→ Payback periode = (initiële investering) / jaarlijkse FCF
= 1.500. 000 per jaar
= 3,3333 jaar
De onderneming heeft de initiële investering op 3,33 jaar terugverdiend
evaluatie:
→ voordelen:
- FCFs worden gebruikt
- eenvoudig te berekenen + interpretatie is eenvoudig
→ nadelen:
- max. aanvaardbare terugbetalingstermijn wordt arbitrair vastgelegd door de bedrijfsleiding
- tijdswaarde van geld wordt buiten beschouwing gelaten (geen actualisatie)
- methode houdt geen rekening met de CF’s die na de terugbetalingstermijn worden
gerealiseerd
voorbeeld 1:
Beschouw 2 projecten A en B :
- beide hebben een initiële investering van 1.500.000
- vereist rendement van minimaal 10%
De nettowinst van beide projecten in de volgende jaren is respectievelijk:
→ Welk project verkies je op basis van het payback period criterium?
A : payback period = 3 jaar
- jaar 1 (= 500 000) + jaar 2 (500 000) + jaar 3 (500 000) = 1 500 000
B : payback period = 4 jaar
- jaar 4 = 1 500 000
maar : als je rekening houdt met tijdswaarde van geld zou je altijd project A kiezen
(probleem van tijdswaarde van geld)
, voorbeeld 2:
Beschouw 2 projecten A en B :
- beide hebben een initiële investering van 1.500.000
- vereist rendement van minimaal 10%
De nettowinst van beide projecten in de volgende jaren is respectievelijk:
→ Welk project verkies je op basis van het payback period criterium?
A : payback period = 3 jaar
- jaar 1 (= 500 000) + jaar 2 (500 000) + jaar 3 (500 000) = 1 500 000
B : payback period = 3 jaar
- jaar 1 (= 500 000) + jaar 2 (500 000) + jaar 3 (500 000) = 1 500 000
MAAR: rekening houdend met alle cashflows zal je duidelijk B kiezen
(probleem van geen rekening houden met FCF’s na terugbetalingsprobleem)
2.3 Profitability Index (PI)
Profitability Index (PI) = winstgevendheidindex
= geeft de verhouding weer van de AW(de toekomstige FCF’s) / het initiële investeringsbedrag
met:
- r = kapitaalkost
- I0 = initiële investering
interpretatie:
- deze methode bepaalt hoeveel maal de AW( FCF) na de initiële investering → de initiële
investering overtreft
beslissingsregel PI :
- als PI > 1 → aanvaard project
- als PI < 1 → verwerp project