- CLASSICAL HOLLYWOOD
- FRANS POËTISCH REALISME
- ORSON WELLES
- ALFRED HITCHCOCK
- ITALIAANS NEOREALISME
- ITALIAANS MODERNISME
- JEAN-LUC GODARD
- RIVE GAUCHE
- TRANSCENDENTAL STYLE
- DE WESTERN
- NEW HOLLYWOOD
- CHANTAL AKERMAN
1
Ella Van Sprengel
,Classical Hollywood 1930-1960
= klassieke narratieve film / klassieke filmtaal
➔ Soort eigen filmtaal en eigen specifieke productie-, distributie- en consumptiesystemen
➔ Soort vastgelegde regels sinds vooravond WOI met Griffith (zelfde moment waarop eerste
studio’s in Hollywood vestigen)
➔ 1920 (moment doorbraak geluidsfilm): systeem van Hollywoodfilms (die klassieke
filmtaal/film) verder geconsolideerd
André Bazin “L’évolution du langage cinématographe" (1955) → essay beschrijft die
ontwikkeling in Frankrijk en US (ontwikkeling filmtaal die in late jaren 1930 klassieke
perfectie bereikt wereldwijde dominantie)
Kenmerken klassieke film(taal) door Bordwell, Thompson & Staiger
• Klassieke verhaalstructuur
- enigma moet opgelost worden
- evenwicht dat hersteld moet worden
- oorzaak-gevolg-relatie
- belang heteroseksuele koppel
- verhaal opgebouwd rond personages
- personages met persoonlijke trekken
- psychologische motivatie
- identificatie met kijker
• Belang van temporele en ruimtelijke coherentie
- ondersteund door continuïteitsmontage (kijker moet opeenvolgende shots kunnen
relateren)
- ellipsen (tijdsprongen)
- montage moet onzichtbaar zijn! (scènes lijken organisch verbonden)
- 180° regel (denkbeeldige 4de wand)
- typische manier opbouwen scène (establishing shot, closer shots)
- match on action (snijden in de actie)
- eyeline match (shots verbonden door ooglijnen)
Classical Hollywood System (1914/1930 – 1960)
Klassieke Hollywood staat dus niet enkel voor filmtaal, maar ook voor specifieke productie-,
distributie- en consumptiesystemen
➔ Enorme output (elke studio 1 film per week)
➔ Massapubliek!
2
Ella Van Sprengel
, Percentage van Amerikaanse bevolking dat ongeveer wekelijks naar de cinema ging
Vanaf doorbraak geluid: standaardisering van programma (klassieke speelfilms in programma)
→ newsreel, short, cartoon, double feature (A- en B-productie)
A-films = prestigieuze films, B-films = meer low budget
“B Movie”
= low budget films, vaak Westerns en later ook sciencefiction en horror, vaak serials, korter
dan hoofdfilms (meestal 70 minuten), veel regisseurs of acteurs leerden vak in B-film
Soms esthetisch interessant → minder duur en dus durfden meer risico nemen
Studio’s
Hollywoodsysteem is gedragen door studio’s
→ massaproductie van massa-entertainment, soms duizenden personeelsleden, enorme
faciliteiten (opnamestudio’s etc.), belangrijke economische (en politieke) factoren, na WOI
enorme investeringen vanuit Wall Street en noodzaak aan codificatie en standaardisatie van
commerciële productie
➔ Oligopolie (weinig studio’s die 95% filmproductie in handen hadden, zie hieronder, en dan
wel nog enkele onafhankelijke bedrijfjes)
➔ Verticale integratie (exhibitie, productie en distributie gebeurde allemaal door studio)
➔ Systeem block booking en blind bidding (als je een bepaalde film wou, moest je er een paar
andere films bijpakken)
➔ Differentiatie in product (A-films en B-films)
➔ Differentiatie in vertoning/consumptie
= oligopolie
→ Big Five (MGM,
Paramount, Warner
Brothers, 20th Century
Fox en RKO)
→ Minors (Universal,
Columbia en United
Artists)
Dus studio-systeem ontstaan WOI en ongeveer zelfde tot latere jaren 1950
3
Ella Van Sprengel
,➔ 1930:
- RKO → nieuwe grote studio, knowhow door bezigheid radio + acteurs vertrouwd met geluid
- Fox aanvankelijk groei, maar terugval tijdens de Depressie
- Warner Bros. klein in stille periode, en nu grote groei
➔ Elke studio eigen stijl en specialisatie (niet strak afgebakend, soms overlappingen)
➔ Mobiliteit van personeel
Ook veel onafhankelijke studio’s (5%)
- independents (prestigieuze A-producties) bv. Samuel Goldwyn, David Selznick
- kleinere studio’s “Poverty Row Studios” (enkel B-films) bv. Republic, Monogram
- low-budget-producties voor specifieke etnische groepen
Genres
→ belangrijk voor productie, distributie en consumptie
→ gestandaardiseerde verhaalstructuren worden gebruikt in genres (exploiteren van eerdere
successen)
→ herhaling en differentiatie: belang verwachtingen publiek
→ terugkerende conventies of patronen, maar ook flexibiliteit
→ elk genre verbonden met eigen iconografie, stijl, structuur
→ ook kruisbestuivingen (bv. musicals die vaak musical-comedies zijn, of musical-westerns)
Filmsterren
Hollywood-systeem / ster-systeem (vaak terugkerende rollen acteurs) → vanaf jaren ‘10
Maar complex: persona van de ster blijft in personage zichtbaar (samensmelting acteur en
personage) → zowel mens als mythisch wezen, zowel publiek als intiem bestaan
Hollywoodcinema beantwoordt aan evenwicht tussen narratieve flux (film moet vooruit gaan,
vlot verhaal) en statische beelden die de ster uitspelen/traagheid in ons de tijd te geven te
vergapen aan de close-up van de filmster (fetisjisme)
Auteur en de problematiek van de auteur
Collectief auteurschap bij productie van film (en is bij elke studio anders wie hoeveel doet)
➔ Producers (centrale rol!) → sommigen sterk betrokken bij productie
➔ Regisseurs → soms ook producers (bv. Hitchcock), konden zich soms ook achteraf
profileren als auteur (door auteurstheorie)
Zelfcensuur
Film werd lang als iets verderfelijks gezien (kritiek moralisten etc.)
➔ Systeem zelfcontrole in 1922 (want schandalen)
→ MPPDA (Motion Picture Producers and Distributors of America) o.l.v. Will Hays, ging
samenvatting scenario keuren, vrij los systeem wel
➔ Vroegere jaren ’30: nieuwe kritiek na schandaalfilms dus verstrenging systeem zelfcensuur
➔ 1933: PCA (Production Code Administration) = meer repressieve vorm van censuur
(belachelijke regels, heiligheid huwelijk, verbod op naaktheid/seksuele kostuums of
gebaren, godslastering verboden, subversieve personages moesten gestraft worden)
➔ Elke uitgebrachte film diende certificaat PCA te hebben (anders geen vertoning)
PCA beïnvloedde de stijl en inhoud van films wel
→ beperking zorgde wel voor voordeel: kracht van de suggestie (bv. strategische fade-out,
gebruik van “off-screen”)
→ bizarre dynamiek ontstaat: publiek wordt geprikkeld zonder grens te overschrijden
4
Ella Van Sprengel
,Dus veel kon worden verteld zonder het echt te vertellen (bv. innige kus in scène, vervolgens
scène van een post-coïtale sigaret dus suggestie dat ze seks hebben gehad)
Einde klassieke Hollywoodsysteem
➔ Na WOII neergang klassieke Hollywoodsysteem: bioscopen sluiten, RKO stopt productie
→ 98 miljoen kijkers per week in 1946, in 1957 maar 47 miljoen
➔ Doorbraak televisie (cinema niet meer belangrijkste vorm entertainment en nieuwsgaring)
→ cinema gaat proberen zich te differentiëren van televisie (kleur, widescreen)
→ suburbanisatie
→ Hollywoodstudio’s gaan later ook investeren in televisie, mee Tv-shows produceren
→ films worden op televisie getoond
➔ Anti-trustwetten
- 1938: Paramount Case
→ gevolgen: toename onafhankelijke producties, sterren en regisseurs verbreken contracten
(bv. United Artists), verdwijning block booking (productie van minder maar duurdere films)
➔ Blacklist 1947-1951: Hollywood was ook trekpleister intellectuelen, linkse sympathieën
en dat werd versterkt door WOII, maar heksenjacht 1947 (HUAC), “unfriendly witnesses”
➔ PCA niet langer houdbaar in nieuwe klimaat: MPAA verliest macht, steeds meer
onafhankelijke producties, meer gedurfde inhoud (want poging tot differentiatie van
televisie), films zonder certificaat uitgebracht, aanpassing MPAA standaarden
➔ Target Audiences (bv. kinderen en adolescenten: Disney)
- Art House Cinemas: vertonen Europese meesterwerken en nieuwe onafhankelijke
Amerikaanse films voor hoger opgeleid publiek
Classical Hollywood Musical (1930-1955)
→ genre nauw verbonden met opkomst geluidsfilm (’20)
→ veel geluidsfilms waren musicals (bv. The Jazz Singer)
Probleem vroegere geluidsfilms: soort “verfilmd theater” dus publiek wou eerder film
beluisteren i.p.v. kijken en er was een soort regressie/achteruitgang in film door
geluidstechnologie
Gevolg van beperkingen vroegere geluidstechnologie:
• Aanvankelijk slechts één geluidsspoor
• Geluid dicteert montage (dialogen gingen ritme montage dicteren)
• Gestandaardiseerde opnamesnelheid was vereist (voor synchronisatie geluid en beeld)
• Weinig gevoelige, statische microfoons (eigenlijk wat terugkeer naar de allereerste films: de
statische camera’s)
5
Ella Van Sprengel
, Musical en vroege geluidsfilm:
➔ Snelle evolutie en sofisticatie van geluidstechnologie
➔ Regisseurs die goed weten omgaan met beperkingen bv. Paramount, Ernst Lubitsch
bv. Love Me Tonight (Mamoulian): interessante en experimentele openingssequence
(omgevingsgeluiden van stad worden geïncorporeerd in film)
Jaren 1930: grote evolutie geluidstechnologie
→ musical wordt heel belangrijk genre
→ vaak gezien als vorm escapisme tijdens de Depressie
→ belangrijkste figuren: Fred Astaire en Busby Berkeley
➔ Busby Berkeley (1895-1976)
- Als kind op planken met de ouders, militaire academie, leger
- Na oorlog: succesvol choreograaf op Broadway (reputatie voor complexe danspatronen,
gebruik van trappen, indrukwekkende belichting)
- 1930: naar Hollywood, 1933: naar Warner Brothers
→ ontpopt zich als choreograaf die taal van cinema onder knie krijgt
→ gesofisticeerde technische infrastructuur ter beschikking
→ dansregisseur (maar voor andere filmregisseurs!)
→ in sommige gevallen ook zelf filmregie, “Berkeley Girls” (danseressen van zijn films)
- Indrukwekkende massa-choreografie met abstracte bewegingen (lichamen worden
sneeuwvlokken, sterren, etc.), ongeziene perfectie, gesofisticeerde ritmische montage
- Niet altijd dans (soms enkel bewegingen lichaamsdelen in ritmische montage)
- Atletische erotiek
- Crane shots (vogelperspectief) “Berkeley Top Shot” → handelsmerk!
- Traveling shots → ontwierp zelf monorail
- Kaleidoscopische lenzen (spiegeleffecten)
- Diagonale hoeken, expressieve camerabewegingen
- Ging avant-garde incorporeren in zijn films
- geometrische abstracte kunst en abstracte animatie
- surrealistische en fantastische stijl
- constructivistische ritmische montages
- Film is visuele kunstvorm
- soms groot contrast dansscènes en narratief kader, typisch voor backstage musical
- zijn dus eigenlijk narratieve films (dun verhaal) met muzikale onderbrekingen
- model van “cinema of attractions” (niet zozeer verhaal, maar theatrale acties)
- contrast tussen artificialiteit van dansnummers en “realisme” van overkoepelend verhaal
(harde leven van depressie wordt niet ontkend, working class milieu)
➔ Fred Astaire (1899-1987)
- Meer aristocratisch, upper class, dandy
- Maakte reeks musicals voor RKO
- “Fred & Ginger” (met Ginger Rogers) → heteroseksuele romance centraal, personages
vinden elkaar in plezier van dans
- in de wereld van chique nachtclubs, boten, hotels
- Acteur + choreografie en regie van danssequenties
- Camera-stijl: gesofisticeerd en functioneel! (camera wordt partner in de dans)
- Creatieve opnametechniek door ritmische koppeling geluid-beeld
- vaak long takes (“eerlijk” tonen van dans)
- vaak onzichtbare efficiënte montage
6
Ella Van Sprengel