SOCIAAL WERKTHEORIEËN
Inhoudsopgave
SOCIAAL WERKTHEORIEËN ................................................................................................................. 1
Les 1: Inleiding......................................................................................................................................2
Les 1, deel 2: introductie discussie .......................................................................................................3
Les 2: Professionalisering .....................................................................................................................8
1. Welk soort professionaliteit en professionalisering? ...........................................................................8
2. Welke verhouding tot theorie?......................................................................................................... 15
3. Welke soort theorie? ...................................................................................................................... 18
Les 3: De maatschappelijke context: van Werken in een theorie-arme omgeving naar de sociaal
werker als theorie-maker ............................................................................................................. 19
Deel 1: Bevragen van Maatschappelijke context ................................................................................. 20
1.1. Managerialisme ............................................................................................................................. 20
1.2. Evidence based practice ................................................................................................................ 23
1.3. Verantwoording ............................................................................................................................. 24
Deel 2: Theorie als Puzzelen ............................................................................................................... 25
Les 4: Deel 2 ....................................................................................................................................... 28
DEEL 2.1. Structuur en Agency – Bordieu en Goffman ............................................................................. 29
In dit hoofdstuk .................................................................................................................................... 30
2.1.1. Pierre Bourdieu en Practice Theory .............................................................................................. 30
Les 5: Goffman en de Dramaturgische Theorie voor sociaal werkers .................................................. 36
1.Wie was Erving Goffman .................................................................................................................... 36
2.Centrale concepten........................................................................................................................... 39
3.Betekenis voor sociaal werkers en voorbeelden uit onderzoek ............................................................. 41
5.Enkele beschouwingen ter afronding .................................................................................................. 43
Les 6: Deel 2: 2.2. Marxistische en Intersectionele Theorie voor sociaal werkers ................................ 44
1.Eerst iets over Marxisme .................................................................................................................... 45
Les 6, deel 2: Gramsci en de theorie van de culturele Hegemonie ...................................................... 50
Wie was Antonio GRAMSCI: .................................................................................................................. 50
Les 7: Deel 2: 2.2. Feminisme, intersectionaliteit en liefde als transformatieve kracht (lesdeel 3) ...... 53
1. Feministische theorie en sociaal werk ............................................................................................... 54
2. Ashley Bohrer: marxisme en intersectionaliteit ................................................................................ 57
3. Bell Hooks en haar theorie van de liefde .......................................................................................... 59
Les 8: disciplinering en gouvernementaliteit ...................................................................................... 62
1. Michel Foucault: macht, kennis en vrijheid ..................................................................................... 63
1
,2.3. Disciplinering en Gouvernementalitiet .........................................................................................70
2.Van Foucault naar Rose ..................................................................................................................... 70
3.Psychopolitiek bij Byung-Chul Han .................................................................................................... 75
4. Neoliberalisme en democratie bij Wendy Brown .............................................................................. 76
Les 10: sociaal werk en het politieke .................................................................................................. 78
1. Jacques Rancière en het delen van het zintuiglijk waarneembare......................................................... 81
2.4. Les 11: Sociaal werk en het politieke (deel 2) ............................................................................... 87
2.Jean Luc Nancy en democratie ........................................................................................................... 87
3.Chantal Mouffe en agonistisch pluralisme .......................................................................................... 91
Les 12: Afrondende les, discretionaire ruimte ..................................................................................... 94
1.Discretionaire ruimte ......................................................................................................................... 94
2.Omgaan met ambiguiteit ................................................................................................................... 98
Examinering .................................................................................................................................... 101
Les 1: Inleiding
Bordconstructie van een theorie
• Hoe zit de theorie van de maatschappelijke kwetsbaarheid in elkaar?
• Waarom zou deze theorie belangrijk kunnen zijn?
• Is het een voorbeeld van ‘kritische theorie?’
• Gaat over maatschappelijke kwetsbaarheid; je bent kwetsbaar aan de maatschappij.
Werking van een aantal instituties in de maatschappij (werking onderwijs, functionering
arbeidsmarkt, stigmatisering van discriminatie en racisme gereproduceerd wordt in
instellingen)
• Accumulatie van maatschappelijke kwetsbaarheid: de theorie is accumulatief.
• Zoeken naar oplossingen, aandacht hebben voor verschillende terreinen waar
kwetsbaarheden kunnen ontstaan.
• Bv: leerkrachten moeten naar leerlingen genegenheid tonen. Leerling gaat zich hierdoor
hechten aan de leerkracht. Dit is een basistheorie in gehechtheid. Als je als CLB gaat kijken in
een klas wanneer een kind geen correct gedrag vertoont ga je kijken of de leerkracht wel
genoeg genegenheid toont naar de leerling want als dat niet zo is, zal de leerling weinig
gehechtheid tonen naar de leerkracht.
• Bv: Schoolopdracht en schooldiscipline. Als leerkracht genegenheid toont en er is hechting
zal de leerling inzet tonen voor de schoolopdracht. Hiervoor krijgt hiervoor bevesting,
waardering, iets positiefs.
• Je ontwikkelt geloof in dat de schooldiscipline goed is voor jou aangezien je beloning krijgt en
hierdoor zullen er geen sancties volgen. Geen genegenheid, zal een problematische hechting
worden en dat zal voor de schoolopdracht betekenen dat de inzet daalt en de bevestiging en
waardering zal ook dalen.
• Als een jongere alles negatief terugkrijgt zal de jongere geen geloof hebben in de
schooldiscipline.
• Een theorie zit in elkaar vanuit een basisassumptie en daarin duiken een aantal relaties op
tssn begrippen en komen een aantal concepten naar boven dat je in onderzoek mee aan de
slag kan gaan.
• Voorbeeld kritische theorie? Het geeft kritiek op het functioneren van de maatschappij en op
maatschappelijke instituties
2
, Bredere toepassing van de theorie
• Is te toetsen IN de praktijk?
• Helpt praktijksituaties beter te begrijpen en te duiden in hun bredere context (zowel
structuur als agence – zie verder)
• Op basis van dergelijke hypothesen praktijk ontwikkelen.
• Niet de reactie op de sanctie is wat telt wel het gegeven dat bepaalde groepen makkelijker
gesanctioneerd worden op basis van sociale binding.
• Mogelijkheid tot ‘verwerpen’ van theorie
Doelstelling cursus
• Inzicht hebben in de verschillende perspectieven in de theorievorming over het
sociaal werk
• Inzicht hebben in de betekenis van de relatie tussen sociaal werk theorieën en de
ontwikkeling van sociaal werk als een professionele praktijk en academische
discipline
• Het kunnen formuleren van een eigen standpunt in relatie tot sociaal werk als
professie en als academische discipline
Les 1, deel 2: introductie discussie
Globale definitie van sociaal werk
▪ Goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de IFSW en de algemene
vergadering van de IASSW in juli 2014
▪ "Sociaal werk is een praktijkgericht beroep en een academische discipline die
sociale verandering en ontwikkeling, sociale cohesie en de emancipatie en
bevrijding van mensen bevordert. Principes van sociale rechtvaardigheid,
mensenrechten, collectieve verantwoordelijkheid en respect voor diversiteit
staan centraal in sociaal werk. Onderbouwd door theorieën over sociaal werk,
sociale wetenschappen, menswetenschappen en inheemse kennis, sociaal
werk betrekt mensen en structuren om levensproblemen aan te gaan en het
3
, welzijn te verbeteren. De bovenstaande definitie kan op nationaal en / of
regionaal niveau worden aangevuld."
Theorie en sociaal werk: geen evidente relatie
▪ Sociaal werkt vertrekt historisch vanuit de praktijk: goed doen voor de mensen,
mensen helpen.
▪ Gaandeweg geprofessionaliseerd: ontstaan van opleidingen
▪ Maar tot op vandaag debat over ‘denkers’ en ‘doeners’: idee dat sociaal werk uit
het hart/de buik komt, intuïtief is, … terwijl theorie abstract zou zijn, ver van de
concrete praktijk, … (Singh & Cowden, 2009): valse discussie (laat je dus nooit
vangen !)
▪ Ontstaan verschillende machtsdiscussies: wie is de beste? Wie
heeft het meest gelijk? Is een valse discussie waar we niet in de val
mogen lopen om dit te reproduceren.
▪ Dit komt bijvoorbeeld ook naar voor in het debat over
▪ Bachelors (jaren ‘40) en masters
▪ Curriculum enorm gewijzigd doorheen de jaren, veranderd
mee met samenleving en tijd: bv. lessen rond hygiëne
▪ Stage en theorie
▪ Praktijk en onderzoek
▪ Vrijwilligers en beroepskrachten
▪ Vorm van anti-intellectualisme: idee dat de praktijk geen theorie nodig heeft, leeft
hard.
▪ Dit kan ook door beleidsmakers ondersteund worden, want als iedereen het kan,
waarom moeten we dan investeren in een opleiding?
bv. “social work could be done entirely on a ‘voluntary basis’ by ‘retired City
bankers or ex-insurance brokers’” (Tory Minister, October 2010).
▪ Besparingsoperatie, maar ook
▪ Immuniseren van de overheid tegen kritiek: uitvoerders i.p.v. denkers
▪ Cf. discussie inzet vrijwilligers: vrijwilligers inzetten ipv sociaal werkers.
• Anti-intellectualisme kan ook door sociaal werkers zelf worden gepromoot:
• Allegedly, since ‘doing social work is more important than thinking about it’(Gray
and Webb, 2009), many social workers may even tend ‘to elevate theoretical
ignorance to a level of professional virtue’(Mullaly, 1997).
4
Inhoudsopgave
SOCIAAL WERKTHEORIEËN ................................................................................................................. 1
Les 1: Inleiding......................................................................................................................................2
Les 1, deel 2: introductie discussie .......................................................................................................3
Les 2: Professionalisering .....................................................................................................................8
1. Welk soort professionaliteit en professionalisering? ...........................................................................8
2. Welke verhouding tot theorie?......................................................................................................... 15
3. Welke soort theorie? ...................................................................................................................... 18
Les 3: De maatschappelijke context: van Werken in een theorie-arme omgeving naar de sociaal
werker als theorie-maker ............................................................................................................. 19
Deel 1: Bevragen van Maatschappelijke context ................................................................................. 20
1.1. Managerialisme ............................................................................................................................. 20
1.2. Evidence based practice ................................................................................................................ 23
1.3. Verantwoording ............................................................................................................................. 24
Deel 2: Theorie als Puzzelen ............................................................................................................... 25
Les 4: Deel 2 ....................................................................................................................................... 28
DEEL 2.1. Structuur en Agency – Bordieu en Goffman ............................................................................. 29
In dit hoofdstuk .................................................................................................................................... 30
2.1.1. Pierre Bourdieu en Practice Theory .............................................................................................. 30
Les 5: Goffman en de Dramaturgische Theorie voor sociaal werkers .................................................. 36
1.Wie was Erving Goffman .................................................................................................................... 36
2.Centrale concepten........................................................................................................................... 39
3.Betekenis voor sociaal werkers en voorbeelden uit onderzoek ............................................................. 41
5.Enkele beschouwingen ter afronding .................................................................................................. 43
Les 6: Deel 2: 2.2. Marxistische en Intersectionele Theorie voor sociaal werkers ................................ 44
1.Eerst iets over Marxisme .................................................................................................................... 45
Les 6, deel 2: Gramsci en de theorie van de culturele Hegemonie ...................................................... 50
Wie was Antonio GRAMSCI: .................................................................................................................. 50
Les 7: Deel 2: 2.2. Feminisme, intersectionaliteit en liefde als transformatieve kracht (lesdeel 3) ...... 53
1. Feministische theorie en sociaal werk ............................................................................................... 54
2. Ashley Bohrer: marxisme en intersectionaliteit ................................................................................ 57
3. Bell Hooks en haar theorie van de liefde .......................................................................................... 59
Les 8: disciplinering en gouvernementaliteit ...................................................................................... 62
1. Michel Foucault: macht, kennis en vrijheid ..................................................................................... 63
1
,2.3. Disciplinering en Gouvernementalitiet .........................................................................................70
2.Van Foucault naar Rose ..................................................................................................................... 70
3.Psychopolitiek bij Byung-Chul Han .................................................................................................... 75
4. Neoliberalisme en democratie bij Wendy Brown .............................................................................. 76
Les 10: sociaal werk en het politieke .................................................................................................. 78
1. Jacques Rancière en het delen van het zintuiglijk waarneembare......................................................... 81
2.4. Les 11: Sociaal werk en het politieke (deel 2) ............................................................................... 87
2.Jean Luc Nancy en democratie ........................................................................................................... 87
3.Chantal Mouffe en agonistisch pluralisme .......................................................................................... 91
Les 12: Afrondende les, discretionaire ruimte ..................................................................................... 94
1.Discretionaire ruimte ......................................................................................................................... 94
2.Omgaan met ambiguiteit ................................................................................................................... 98
Examinering .................................................................................................................................... 101
Les 1: Inleiding
Bordconstructie van een theorie
• Hoe zit de theorie van de maatschappelijke kwetsbaarheid in elkaar?
• Waarom zou deze theorie belangrijk kunnen zijn?
• Is het een voorbeeld van ‘kritische theorie?’
• Gaat over maatschappelijke kwetsbaarheid; je bent kwetsbaar aan de maatschappij.
Werking van een aantal instituties in de maatschappij (werking onderwijs, functionering
arbeidsmarkt, stigmatisering van discriminatie en racisme gereproduceerd wordt in
instellingen)
• Accumulatie van maatschappelijke kwetsbaarheid: de theorie is accumulatief.
• Zoeken naar oplossingen, aandacht hebben voor verschillende terreinen waar
kwetsbaarheden kunnen ontstaan.
• Bv: leerkrachten moeten naar leerlingen genegenheid tonen. Leerling gaat zich hierdoor
hechten aan de leerkracht. Dit is een basistheorie in gehechtheid. Als je als CLB gaat kijken in
een klas wanneer een kind geen correct gedrag vertoont ga je kijken of de leerkracht wel
genoeg genegenheid toont naar de leerling want als dat niet zo is, zal de leerling weinig
gehechtheid tonen naar de leerkracht.
• Bv: Schoolopdracht en schooldiscipline. Als leerkracht genegenheid toont en er is hechting
zal de leerling inzet tonen voor de schoolopdracht. Hiervoor krijgt hiervoor bevesting,
waardering, iets positiefs.
• Je ontwikkelt geloof in dat de schooldiscipline goed is voor jou aangezien je beloning krijgt en
hierdoor zullen er geen sancties volgen. Geen genegenheid, zal een problematische hechting
worden en dat zal voor de schoolopdracht betekenen dat de inzet daalt en de bevestiging en
waardering zal ook dalen.
• Als een jongere alles negatief terugkrijgt zal de jongere geen geloof hebben in de
schooldiscipline.
• Een theorie zit in elkaar vanuit een basisassumptie en daarin duiken een aantal relaties op
tssn begrippen en komen een aantal concepten naar boven dat je in onderzoek mee aan de
slag kan gaan.
• Voorbeeld kritische theorie? Het geeft kritiek op het functioneren van de maatschappij en op
maatschappelijke instituties
2
, Bredere toepassing van de theorie
• Is te toetsen IN de praktijk?
• Helpt praktijksituaties beter te begrijpen en te duiden in hun bredere context (zowel
structuur als agence – zie verder)
• Op basis van dergelijke hypothesen praktijk ontwikkelen.
• Niet de reactie op de sanctie is wat telt wel het gegeven dat bepaalde groepen makkelijker
gesanctioneerd worden op basis van sociale binding.
• Mogelijkheid tot ‘verwerpen’ van theorie
Doelstelling cursus
• Inzicht hebben in de verschillende perspectieven in de theorievorming over het
sociaal werk
• Inzicht hebben in de betekenis van de relatie tussen sociaal werk theorieën en de
ontwikkeling van sociaal werk als een professionele praktijk en academische
discipline
• Het kunnen formuleren van een eigen standpunt in relatie tot sociaal werk als
professie en als academische discipline
Les 1, deel 2: introductie discussie
Globale definitie van sociaal werk
▪ Goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de IFSW en de algemene
vergadering van de IASSW in juli 2014
▪ "Sociaal werk is een praktijkgericht beroep en een academische discipline die
sociale verandering en ontwikkeling, sociale cohesie en de emancipatie en
bevrijding van mensen bevordert. Principes van sociale rechtvaardigheid,
mensenrechten, collectieve verantwoordelijkheid en respect voor diversiteit
staan centraal in sociaal werk. Onderbouwd door theorieën over sociaal werk,
sociale wetenschappen, menswetenschappen en inheemse kennis, sociaal
werk betrekt mensen en structuren om levensproblemen aan te gaan en het
3
, welzijn te verbeteren. De bovenstaande definitie kan op nationaal en / of
regionaal niveau worden aangevuld."
Theorie en sociaal werk: geen evidente relatie
▪ Sociaal werkt vertrekt historisch vanuit de praktijk: goed doen voor de mensen,
mensen helpen.
▪ Gaandeweg geprofessionaliseerd: ontstaan van opleidingen
▪ Maar tot op vandaag debat over ‘denkers’ en ‘doeners’: idee dat sociaal werk uit
het hart/de buik komt, intuïtief is, … terwijl theorie abstract zou zijn, ver van de
concrete praktijk, … (Singh & Cowden, 2009): valse discussie (laat je dus nooit
vangen !)
▪ Ontstaan verschillende machtsdiscussies: wie is de beste? Wie
heeft het meest gelijk? Is een valse discussie waar we niet in de val
mogen lopen om dit te reproduceren.
▪ Dit komt bijvoorbeeld ook naar voor in het debat over
▪ Bachelors (jaren ‘40) en masters
▪ Curriculum enorm gewijzigd doorheen de jaren, veranderd
mee met samenleving en tijd: bv. lessen rond hygiëne
▪ Stage en theorie
▪ Praktijk en onderzoek
▪ Vrijwilligers en beroepskrachten
▪ Vorm van anti-intellectualisme: idee dat de praktijk geen theorie nodig heeft, leeft
hard.
▪ Dit kan ook door beleidsmakers ondersteund worden, want als iedereen het kan,
waarom moeten we dan investeren in een opleiding?
bv. “social work could be done entirely on a ‘voluntary basis’ by ‘retired City
bankers or ex-insurance brokers’” (Tory Minister, October 2010).
▪ Besparingsoperatie, maar ook
▪ Immuniseren van de overheid tegen kritiek: uitvoerders i.p.v. denkers
▪ Cf. discussie inzet vrijwilligers: vrijwilligers inzetten ipv sociaal werkers.
• Anti-intellectualisme kan ook door sociaal werkers zelf worden gepromoot:
• Allegedly, since ‘doing social work is more important than thinking about it’(Gray
and Webb, 2009), many social workers may even tend ‘to elevate theoretical
ignorance to a level of professional virtue’(Mullaly, 1997).
4