Samenvatting Taal en didactiek – Spelling
Hoofdstuk 1 Ons spellingsysteem
1.1 Ons schriftsysteem en leren spellen
Pictografisch schriftsysteem – Is met tekeningen en afbeeldingen
Logografisch schriftsysteem – Een plaatje voor een woord. (Chinees)
Een foneem is een spraakklank die betekenisverschillen veroorzaakt. Bij gaaf en raaf. Zorgen
de g en de r ervoor dat het woord verschilt hierdoor zijn de g en de r een foneem. Foneem is
een abstracter begrip voor een spraakklank.
Een grafeem is een letter of een lettercombinatie die verwijst naar een foneem. De e en ee
zijn grafemen die de middelste klank van de woorden ben en been weergeven. In het alfabet
zitten 36 grafemen.
- Van het foneem aa zijn 2 grafemen namelijk: aa en a
- Van het foneem u zijn 5 grafemen namelijk: put, een, de, lelijk en aardig (gelukkig)
Om de spelling makkelijker te maken hebben we letterkaarten, een lettermuur of een
lettergroeiboekje.
Figuur 1.4 – blz. 16 over fonemen en grafemen.
1.2 Hoofdregels binnen de Nederlandse spelling
Fonologisch principe (beginsel van de standaard uitspraak) – Elk foneem is door een apart
grafeem weergeven. Als het foneem en het grafeem hetzelfde is noemen we dat klankzuiver
bijvoorbeeld: kat, vaas, struik en bang.
Morfologisch principe (beginsel van de vormovereenkomst) – Als we bij een woord niet
uitgaan van klank maar van de vorm van het woord.
Het woord onwijs bestaat uit 2 morfemen namelijk on en wijs. Een morfeem is elementen
die een eigen betekenis hebben. Sommige morfemen kunnen als woord voorkomen dit
noem je vrije morfemen. Je hebt ook gebonden morfemen dit zijn bijvoorbeeld voorvoegsels
of achtervoegsels.
De regel van de gelijkvormigheid – Dit betekent dat een woord, voorvoegsel of
achtervoegsel steeds hetzelfde blijft. Bij kastje, spreek je de ‘t’ niet uit maar blijft wel staan
om dat het woord oorspronkelijk kast is. Het woord web spreek je uit met een ‘p’ maar
omdat het meervoud webben is blijft bij web de b staan.
De regel van de overeenkomst – Houdt in dat de opbouw van het woord duidelijk wordt. Het
woord grootte schrijven we met 2 t’s om aan te geven dat dit woord op dezelfde manier is
opgebouwd als lengte. Hij vindt schrijven we met een t aan het einde omdat het een hij-
vorm is en dat is +t. Stationsstraat met dubbel s omdat stationsgebouw ook met een s is.
, Het syllabisch principe – Een syllabe is een klankroep, een gedeelte van een woord. Een
morfeem heeft altijd een betekenis een syllabe niet. We zeggen bijvoorbeeld loo-pun en niet
loop-un (lopen) of aa- jaks en niet aaj-aks (ajax). Die stukjes noemen we klankstukken of een
syllabe. Verenkelingsregel (ramen) en verdubbelingsregel (koffer).
Het etymologisch principe – Schrijfwijze van een woord of spraakklank. We schrijven radio
en horen raadiejoo en we schrijven interview en we horen intervjoe. Ze komen uit een ander
land.
Kort
Bepalend voor de spelling zijn:
Spraakklanken – fonologisch principe
- Voor elke spraakklank een aparte letter of lettercombinatie
Morfemen – morfologisch principe
- Regel van gelijkvormigheid – Elk morfeem dezelfde lettercombinatie (hond–honden)
- Regel van overeenkomst – Elk woord dezelfde woordvormingsregel (breedte–lengte)
Klankgroep – syllabisch principe
- Verenkelingsregel – ramen
- Verdubbelingsregel – bakker
Herkomst – etymologisch principe
- Herkomst van een woord is bepalend voor de spelling
1.3 Spellingsvereenvouding
Leerbaarheid
Bruikbaarheid
Aanvaardbaarheid
Hoofdstuk 2 Het spellingsproces
2.1 Functie bij het woordgeheugen bij het spellen
De versmeltingstheorie van Ehri – Een theorie over de wijze waarop woorden in ons
geheugen zijn opgeslagen.
- Akoestische identiteit – Wijze waarop een woord klinkt.
- Articulatorische identiteit – Hoe een woord staat opgeslagen in je geheugen en hoe
je het moet uitspreken.
- Beide samen is de fonologische identiteit van de mond.
- Morfologische identiteit – Je weet dat je van post en kantoor, postkantoor kan
maken.
- Semantische identiteit – De betekenis die bij een woord hoort. Vooral bij het verschil
tussen hij en hei.
- Systematische identiteit – Vooral gericht op werkwoorden. Je weet dat vindt met dt
als het in de hij-vorm is.
Hoofdstuk 1 Ons spellingsysteem
1.1 Ons schriftsysteem en leren spellen
Pictografisch schriftsysteem – Is met tekeningen en afbeeldingen
Logografisch schriftsysteem – Een plaatje voor een woord. (Chinees)
Een foneem is een spraakklank die betekenisverschillen veroorzaakt. Bij gaaf en raaf. Zorgen
de g en de r ervoor dat het woord verschilt hierdoor zijn de g en de r een foneem. Foneem is
een abstracter begrip voor een spraakklank.
Een grafeem is een letter of een lettercombinatie die verwijst naar een foneem. De e en ee
zijn grafemen die de middelste klank van de woorden ben en been weergeven. In het alfabet
zitten 36 grafemen.
- Van het foneem aa zijn 2 grafemen namelijk: aa en a
- Van het foneem u zijn 5 grafemen namelijk: put, een, de, lelijk en aardig (gelukkig)
Om de spelling makkelijker te maken hebben we letterkaarten, een lettermuur of een
lettergroeiboekje.
Figuur 1.4 – blz. 16 over fonemen en grafemen.
1.2 Hoofdregels binnen de Nederlandse spelling
Fonologisch principe (beginsel van de standaard uitspraak) – Elk foneem is door een apart
grafeem weergeven. Als het foneem en het grafeem hetzelfde is noemen we dat klankzuiver
bijvoorbeeld: kat, vaas, struik en bang.
Morfologisch principe (beginsel van de vormovereenkomst) – Als we bij een woord niet
uitgaan van klank maar van de vorm van het woord.
Het woord onwijs bestaat uit 2 morfemen namelijk on en wijs. Een morfeem is elementen
die een eigen betekenis hebben. Sommige morfemen kunnen als woord voorkomen dit
noem je vrije morfemen. Je hebt ook gebonden morfemen dit zijn bijvoorbeeld voorvoegsels
of achtervoegsels.
De regel van de gelijkvormigheid – Dit betekent dat een woord, voorvoegsel of
achtervoegsel steeds hetzelfde blijft. Bij kastje, spreek je de ‘t’ niet uit maar blijft wel staan
om dat het woord oorspronkelijk kast is. Het woord web spreek je uit met een ‘p’ maar
omdat het meervoud webben is blijft bij web de b staan.
De regel van de overeenkomst – Houdt in dat de opbouw van het woord duidelijk wordt. Het
woord grootte schrijven we met 2 t’s om aan te geven dat dit woord op dezelfde manier is
opgebouwd als lengte. Hij vindt schrijven we met een t aan het einde omdat het een hij-
vorm is en dat is +t. Stationsstraat met dubbel s omdat stationsgebouw ook met een s is.
, Het syllabisch principe – Een syllabe is een klankroep, een gedeelte van een woord. Een
morfeem heeft altijd een betekenis een syllabe niet. We zeggen bijvoorbeeld loo-pun en niet
loop-un (lopen) of aa- jaks en niet aaj-aks (ajax). Die stukjes noemen we klankstukken of een
syllabe. Verenkelingsregel (ramen) en verdubbelingsregel (koffer).
Het etymologisch principe – Schrijfwijze van een woord of spraakklank. We schrijven radio
en horen raadiejoo en we schrijven interview en we horen intervjoe. Ze komen uit een ander
land.
Kort
Bepalend voor de spelling zijn:
Spraakklanken – fonologisch principe
- Voor elke spraakklank een aparte letter of lettercombinatie
Morfemen – morfologisch principe
- Regel van gelijkvormigheid – Elk morfeem dezelfde lettercombinatie (hond–honden)
- Regel van overeenkomst – Elk woord dezelfde woordvormingsregel (breedte–lengte)
Klankgroep – syllabisch principe
- Verenkelingsregel – ramen
- Verdubbelingsregel – bakker
Herkomst – etymologisch principe
- Herkomst van een woord is bepalend voor de spelling
1.3 Spellingsvereenvouding
Leerbaarheid
Bruikbaarheid
Aanvaardbaarheid
Hoofdstuk 2 Het spellingsproces
2.1 Functie bij het woordgeheugen bij het spellen
De versmeltingstheorie van Ehri – Een theorie over de wijze waarop woorden in ons
geheugen zijn opgeslagen.
- Akoestische identiteit – Wijze waarop een woord klinkt.
- Articulatorische identiteit – Hoe een woord staat opgeslagen in je geheugen en hoe
je het moet uitspreken.
- Beide samen is de fonologische identiteit van de mond.
- Morfologische identiteit – Je weet dat je van post en kantoor, postkantoor kan
maken.
- Semantische identiteit – De betekenis die bij een woord hoort. Vooral bij het verschil
tussen hij en hei.
- Systematische identiteit – Vooral gericht op werkwoorden. Je weet dat vindt met dt
als het in de hij-vorm is.