L.G.M. Stevens & R.C. de Smit, Elementair belastingrecht voor economen en bedrijfsjuristen, laatste druk
2020/2021
,Week 4
Literatuur
- Hfst. 13.1 t/m 13.8c (excl. ‘verlies BV’)
Samenvatting boek
De vennootschapsbelasting
Anders dan de naam doet vermoeden, is de vennootschapsbelasting niet alleen een
belastingheffing over de winsten van vennootschappen. Ook rechtsvormen die geen
vennootschap zijn, kunnen onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting (bijv.
coöperatie, stichting die onderneming drijft). De wet hanteert daarom de verzamelnaam
‘lichamen’ . Gemeenschappelijk kenmerk van de belastingplichtigen in de
vennootschapsbelasting is dat de winst van het lichaam niet rechtstreeks toevloeit aan de
achterliggende personen, omdat zij juridisch op een zekere afstand staan van het lichaam.
Sommige personenvennootschappen (bijv. een vof) worden niet zelfstandig in de
belastingheffing betrokken. Deze personenvennootschappen zijn fiscaal transparant . Dat wil
zeggen dat de winst wel rechtstreeks wordt toegerekend aan de achterliggende participanten,
als IB-natuurlijk persoon of als IB-ondernemer.
Kenmerkend voor de in Nederland bestaande vennootschapsbelasting is het klassieke
stelsel. Dat gaat uit van een zelfstandige belastingplicht van de rechtspersoon. De winst van
de rechtspersoon moet worden bepaald ongeacht de uitdelingen aan de aandeelhouders , is
niet aftrekbaar (art. 10 VPB). Aangezien de uitdelingen van winst bij de aandeelhouders
opnieuw worden belast, ontstaat over de uitgekeerde winst economisch bezien een dubbele
heffing (vennootschapsbelasting, inkomstenbelasting voor de aandeelhouders).
Een veel voorkomende situatie is dat de aandeelhouder zelf ook een BV of NV is. Als de
winst van de vennootschap het resultaat is van dividend van dochtervennootschappen, leidt
dit bij de moedervennootschap tot een toename van haar eigen vermogen. Zonder nadere
bepalingen, zou dit opnieuw tot belastingheffing leiden. Om deze ongewenste dubbele
heffing in concernverband te voorkomen is de deelnemingsvrijstelling ingevoerd. Op grond
van deze vrijstelling blijven de deelnemingsresultaten bij de moedervennootschap onbelast
(art. 13 VPB). Deze vrijstelling is een logisch verlengstuk van het klassieke stelsel, waarin
de vennootschapswinsten slechts eenmaal in de vennootschapsbelasting worden belast. De
aandeelhouder die onder het regime van de inkomstenbelasting valt, heeft geen
mogelijkheid zich te beroepen op een met de deelnemingsvrijstelling vergelijkbare regeling.
Gehanteerde boxenvolgorde inkomostenbelasting:
1. Aandelen behoren tot ondernemingsvermogen dus box 1. Wordt geen rekening
gehouden met de geheven VPB.
2. Aandelen zijn te kwalificeren als ab-pakket, box 2.
3. Aandelen vormen een belegging, box 3.
Het neutraliteitsprincipe houdt in dat economische activiteiten dienen te worden belast,
ongeacht de rechtsvorm waarin zij worden uitgeoefend. Vpb moest voorkomen dat er voor
aandelenvennootschappen een belastingvrij veld zou ontstaan dat natuurlijke personen de
gelegenheid zou bieden hun ondernemingsactiviteiten in een (belastingvrije) rechtspersoon
onder te brengen om IB te ontlopen.
, Het belastingsubject
Bestaan zowel binnenlandse (art. 2 VPB) als buitenlandse (art. 3 VPB) belastingplichtigen
voor de Vpb. Afhankelijk van vestigingsplaats lichaam, bepaald aan de hand van de plaats
waar het bestuur de feitelijke leiding voert (art. 4 AWR).
Twee categorieën binnenlandse:
1. Onbeperkt (binnenlands) belastingplichtige lichamen (art. 2 lid 1 sub a/b/c/d VPB):
a. NV’s, BV’s met beperkte aansprakelijkheid, open cv en andere
vennootschappen, waarvan het kapitaal geheel of voor een gedeelte in
aandelen is verdeeld (kapitaalvennootschappen)
b. Coöperaties
c. Onderlinge waarborgmaatschappijen
d. Woningbouwlichamen
2. Beperkte (binnenlands) belastingplichtigen (art. 2 lid 1 sub e/f/g VPB):
a. Privaatrechtelijke rechtspersonen, die hierboven niet zijn genoemd
b. Verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid
c. Ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen
Laatste categorie, slechts belastingplichtig indien en voor zover zij een onderneming drijven
(materiële ondernemingsbegrip van de IB bepalend). Grenslijn ondernemen en beleggen
belangrijk. Vermogen verdeeld in ondernemingsvermogen en privévermogen. Onder het
drijven van een onderneming wordt mede verstaan een uiterlijk daarmee overeenkomende
werkzaamheid (concurrentie met belastingplichtige lichamen art. 4 sub a VPB).
In het buitenland gevestigde verenigingen worden als buitenlandse belastingplichtigen
aangemerkt als ze Nederlands inkomen genieten (art. 3 VPB). Vooral inkomsten uit
Nederlandse onroerende zaak belangrijke categorie (art. 17, 17a en 18 VPB).
Het belastingobject
Binnenlandse lichamen zijn belastingplichtig naar het belastbare bedrag. Dus: winst –
aftrekbare giften = belastbare winst – te verrekenen verliezen = belastbaar bedrag.
Fiscale winstbegrip in beginsel gelijk aan IB (art. 8 VPB). Boekjaar hoeft niet samen te
vallen met kalenderjaar (art. 7 lid 4 en art. 17 lid 2 VPB). Aftrekbare giften gelimiteerd tot
max 50% van de winst met een max van 10.000 euro (art. 16 VPB). Verliescompensatie
geregeld in art. 20 VPB. Zes volgende jaren en één achterwaarts jaar.