Onderwijsdidactisch: leefwereld, belevingswereld
Ontwikkelingspsychologisch: klassieke ontwikkelingspsychologie, levenslooppsychologie,
ontwikkeling-ervaring-rijping, ecologische benadering, narratieve benadering
Persoonlijkheidstheorie: identiteit
De mens komt ter wereld als een onbeschreven blad: tabula rasa
Leefwereld van een kind: Feitelijkheden (de plek/omstandigheden) waar kinderen
opgroeien
Belevingswereld: De wijze waarop ze deze leefwereld ervaren
Identiteit: Het aannemen van waarden en normen, principes en maatschappelijke rollen in
je eigen ‘stijl’.
Nature: Ontwikkeling is alleen bepaald door aanleg
Klassieke ontwikkelingspsychologie: Een regelmatige opeenvolging van stadia, waarbij elk
stadium een vooruitgang is op de vorige.
Chronologische leeftijd: op een bepaalde leeftijd, bepaalde gedragingen
Biologische leeftijd: Ontwikkeling komt door fysieke factoren
Sociale context: Ontwikkeling komt door invloeden van de omgeving
Nurture: De ontwikkeling is bepalend door de omgeving.
Levensloop-psychologie:
Ontwikkeling komt meer door interacties tussen kinderen en hun omgeving en de impact
daarop in de verdere levensloop.
Behaviorisme: Wie je bent en wat je wordt is volledig afhankelijk van de omstandigheden.
De ecologische benadering: Ontwikkeling groeit door interacties van mensen met hun
omgeving. Het kind past zich aan maar kan de omgeving ook beïnvloeden. (een denkmodel
om na te denken over de ontwikkeling in relatie tot aanleg en opvoeding)
Interactie: Culturele omgeving en contacten waar het kind in opgroeit.
Onderscheid tussen 2 interacties: rechtstreekse interactie (thuis, gezin, buurt) en factoren
verder van het kind af (werkeloosheid, school en kerk)
Volgens Bronfenbrenner:
3 belangrijke zaken voor ontwikkeling van interactie: activiteit van het kind (wat doet het
kind en vooral hoe), interacties van het kind (contact tussen kind en andere personen) en
de rol van het ontwikkelende kind (interactie in verschillende rollen).
Narratieve benadering: Ontwikkeling door een eigen persoonlijk denken en persoonlijke
ervaringen.
Narratief-biografisch perspectief: Wat mensen nu doen en denken is gekleurd door hun
ervaringen uit het verleden en hun verwachtingen over hun toekomst.
Subjectieve onderwijstheorie: Alle onderstaande ervaringen zorgen voor een subjectieve
onderwijstheorie. Het verhaal dat leerkrachten over hun loopbaan vertellen.
Dit is opgebouwd uit een reeks gebeurtenissen uit de loopbaan die samen gebracht
worden. (constructies)
, Die gebeurtenissen spelen af in ruimte en tijd (context). Ze zijn nooit af, ze worden
aangevuld, veranderd.
Kritische incidenten: Momenten waar je wordt uitgedaagd of problemen moet oplossen of
opvattingen moet herzien.
Psychoanalytische theorie van FREUD
Drifttheorie: Het denken en handelen van de mens wordt bepaald door seksuele (‘libido’)
en agressieve driften.
De psyche van het kind (Ich of Ego) is driftmatig.
Aangeboren driften wordt door Freud ‘Es’ genoemd.
De gewetensfunctie (Überich of Superego: Het kind weet dat er geboden en verboden zijn
waar je je aan moet houden.
(Conflicten kunnen daardoor ontstaan tussen bevrediging strevende Es en verbiedende
Superego.)
Sublimeren: Het kind leert dat instinctieve impulsen kunnen worden omgebogen tot
acceptabele uitingen.
Geen goede afweerreacties: Verdringen (vergeten of weghouden), ontkenning
(gebeurtenissen niet meer willen zien), projectie (aan een ander toekennen),
reactieformatie (gedrag in het tegenovergestelde laten zien), rationalisatie (dingen goed
praten)
5 opeenvolgende stadia volgens Freud:
Orale fase: 0-1,5 jaar
Lustbevrediging (voeding, duimzuigen, mondbewegingen)
Anale fase: 1,5-3 jaar
Ontlasting is interessant, koppigheidsfase
Fallische fase: 3-7 jaar
Interesse voor het genitale gebied, verschil tussen meisjes en jongens.
Latentiefase: 7-11 jaar
Energie voor leren en krijgt sociale contacten buiten het gezin
Genitale fase: > 11 jaar
Gericht zijn op het andere geslacht
Fixatie: stagnering in één van deze fasen.
Regressie: terugvallen in een vorige fase.
Piaget: theorie over de cognitieve ontwikkeling
Cognitie: De ontwikkeling van denken, taal en andere functies als aandacht en geheugen.
Een kind doet nieuwe kennis op door interactie.
Ontwikkeling komt naast rijping tot stand door contact met de omgeving.