DIABETES
DIABETES TYPE 1
= 10-15% van alle diabetes. Onder de leeftijd van 15 jaar is er geen verschil in diagnose tussen meisjes en jongens,
daarna nemen jongens de overhand.
DIAGNOSE
Normaal: fasting glucose levels < 100!
Na OGTT (orale glucose tolerantie test) < 140!
HbA1C ≥ 6,5%
Of FPG ≥ 126 mg/dl (geen intake in de laatste 8 uur)
Of 2 uur plasma glucose ≥ 200 mg/dl bij een OGTT (glucose 75gram opgelost in water)
Of pt met klassieke symptomen van hyperglycemie en random glucose ≥ 200 mg/dl
OGTT: start in nuchtere omstandigheden waarop een eerste bloedstaal geprikt wordt, daarna 75 gram
glucose opdrinken in 5 minuten. Glycemie hierna meten om de 30 minuten voor minstens 2 uur. Men
dient een normaal voedingspatroon te volgen de 3 dagen voor de test.
SYMPTOMEN:
• Gewichtsverlies
• Polyfagie (overmatig hongergevoel)
• Polyurie/ polydipsie
• Nycturie
• Vermoeidheid
• GI bezwaren
• Tekenen keto-acidose (in ernstige gevallen met coma ontwikkeling)
• Infecties (genitaal)
• Dehydratatie
PATHOFYSIOLOGIE:
Reductie in het aantal Beta-cellen (> 75%) → dan heb je insuline tekort. Er komt een T-cel gemedieerde
immuunreactie op gang gericht tegen de Bèta cellen → insulitis → Bèta-cel antilichamen worden
gevormd = AIZ!
Bij diagnose is er al vaak 75-80% van de bèta-cellen vernietigd. Daarbij vindt je inflammatoire cellen
(geactiveerde T-lymfocyten, macrofagen) in de eilandjes van langerhans → je kan geen pancreas
biopsie doen bij levende mensen anders krijgen deze pancreatitis → dit wordt dus post mortem
1
, Voorbereiding examen endocrinologie 2
gedaan (men ziet dat hoe jonger, hoe meer infiltratie van immuuncellen). Bij kinderen ziet men vooral
de IA-2A, IAA en ICA antilichamen.
Insulinetekort zorgt ervoor dat de lever niet meer gecontroleerd wordt → we zien glycogenolyse
gebeuren, proteolyse en lipolyse → we krijgen een hyperglycemie.
• Glycogenolyse → hyperglycemie → glucosurie → osmotische diurese → polyurie en polydipsie
• Proteolyse → AZ → gluconeogenese
• Lipolyse → VVZ → ketogenese → metabole acidose → kussmaul ademhaling
Vermagering!
Geassocieerd met genetische en omgevingsfactoren:
ERFELIJKE FACTOREN :
• HLA DR3 en DR4, DQ2 en DQ8
• CTLA4
• 35-70% concordantie voor type 1 DM bij mono zygote
tweelingen
• Familiale clustering van T1D → HLA DR3 en DR4 (bij combi van zowel 3 als 4 heb je hogere
kans)
• Verschillen in incidentie afh van etniciteit!
VERSCHILLENDE VORMEN TYPE 1 :
• Klassieke T1DM: meestal komt dit op voor de leeftijd van 40 jaar met symptomen: ernstig en
progressief polydipsie, polyurie, vermagering en vorming/ productie van ketonen.
• LADA: slowly developing → late auto immuun diabetes vorm van de volwassenen (destructie
van de bèta-cellen verloopt langzamer)
• Soms kan door immuuntherapie voor oncologische redenen ook een auto-immuun reactie op
gang komen en daarbij een T1DM ontwikkelen.
B-CEL AL:
• ICA (prevalentie en titer daalt met leeftijd, 20% persisterend ICA + risico voor AIZ) =eilandjes
cel AL
• IAA = insuline auto-AL
• GADA (vnl bij 20-40 jaar) = AL tegen glutaminezuur decarboxylase 65
• IA-2A = AL tegen tyrosine fosfaat
• ZnT8 = AL tegen zinc transporter 8
De Bèta-cel Auto-AL weerspiegelen de auto-immune destructie
Sterk predictief: aantal Bèta-cellen AL en IA-2A en ZnT8
Hoe hoger de AL, hoe meer kans op AIZ (veel AIZ gelinkt met T1D)
o Hashimoto (meest voorkomende bij T1D)
o Auto-immuun adrenale deficiëntie: Addison
o Auto-immuun gastritis
o Coeliakie
2
, Voorbereiding examen endocrinologie 2
o Graves
o Pernicieuze anemie
o Vitiligo
Er is een Noord – Zuid gradiënt (in Afrika bv veel minder
diagnosen met type 1: zijn er hier effectief minder of sterven deze
vroeger?). Noorden kent ook meer diagnosen tijdens de winter
<-> zuiden: diagnose voornamelijk in de zomer.
De hoogste onset is tijdens de puberteit (tussen 8-15 jaar), buiten
bij mannelijk overgewicht > 15j.
Eerste tekenen: aanwezigheid van Ab (in gezonde mensen ga je
dit niet standaard meten, maar bv wel bij mensen met 1 ste graad
verwant met diabetes).
Trigger: kan stress zijn
Lage C-peptide levels → insuline hormoon is opgebouwd uit een A en een B chain, hiertussen zit een
peptide C → C-peptide zit niet in het insuline dat je geeft als behandeling (zo kan je bij bloedname de
endogene productie van insuline nagaan).
WELKE OMGEVINGSFACTOREN?
• Virussen: cytomegalovirus, coxackie B, EBV, congenitale rubella, bof en enterovirussen
• Dieet: koemelk
• Borstvoeding beschermt
• Levensstijl: stress/ toxines
VERSCHIL T1DM EN T2DM
3
, Voorbereiding examen endocrinologie 2
DIABETES TYPE 2
FINDRISC SCORE
= is een vragenlijst om de kans op diabetes op te sporen.
• Leeftijd
• BMI en buikomtrek (gemeten horizontale lijn met lintmeter afstand tussen crista iliaca en de laagste rib
en dan horizontaal bij normale mensen komt dit thv de umbilicus)
• Hoge bloedsuiker: navragen van VG (bv zwangerschapsdiabeet)
• Etniciteit
• Stress → kan stresshyperglycemie geven (kan voorspellend zijn voor later)
• VG antihypertensiva
• Consumptie fruit en groenten
• Familiale VG
> 12 doorsturen naar huisarts voor nuchtere glycemie bepaling
PATHOGENESE
= insuline resistentie (hierdoor kan minder glucose in de spieren, vetcellen en lever worden opgenomen via de
GLUT 4 transporter) → je produceert nog altijd veel insuline, maar niet genoeg om de insulineresistentie te
overwinnen. → Na een tijd worden de Bèta cellen uitgeput en gaan deze stoppen met produceren. Daarnaast
wordt er een overactiviteit gezien van de alfa-cellen → glucagon is verhoogd (hypersecretie)! → lever zal
aangesproken worden → glycogenolyse en gluconeogenese => hyperglycemie!
4