Psychodynamisch perspectief, Freud: invloed vroege jeugdige ervaringen en onbewuste processen
op gedrag -> verklaren psychische problemen
Onbewuste driften -> drie lagen persoonlijkheid:
- Id: vanaf geboorte aanwezig en bestaat uit driften
Drift: dynamische psychische kracht die aanzet tot gedrag
Levensdrift: zet aan tot liefhebben en creëren
Doodsdrift: zet aan tot vernietiging en agressie
- Ego: vanaf peutertijd -> kind beseft dat het iemand is -> mentaliseren: vermogen nadenken
over eigen innerlijke wereld en die van anderen
Ego is bemiddelde instantie bij tegenspraak driften en superego -> reageren met
afweermechanismen: onbewuste strategieën waarmee ongewenste gevoelens en
herinneringen buiten bewustzijn worden gehouden -> verdringing, ontkenning, verschuiving,
rationalisatie (gedrag goedpraten), projectie (eigen gevoel niet voelen maar ander voelt het)
Gezond afweermechanisme is sublimatie: gevoel omzetten in sociaal aanvaarde activiteiten
- Superego: vanaf kleutertijd -> bestaat uit ideaal-ik en geweten -> geweten omvat
(on)bewuste normen -> norm overtreden dan schuldgevoel
Psychoseksuele ontwikkeling
Fase Vanaf Fase-kenmerk Ontwikkelings Samenhang Ontstaan
-taak met van
Orale Geboorte Mond Grenzeloosheid, Hechting, Psychose, Id
fase (on)veilig, frustratie- verslaving,
passief tolerantie afhankelijk-
ontvangen heid
Anale 18 Anus Zindelijkheid, Autonomie, Dwangmatig Ego
fase maand ordenen, kapot zelfbeheersing - heid, zwart-
maken wit-denken
Fallische 4 jaar Genitaliën Geslachtsrol, Gewetens- Neurotische Superego
fase driehoeksrelatie vorming remming
s
Latentie Rustige periode
fase
Genitale Puberteit Seksualiteits-
fase beleving
Psychische problemen koppelen aan fasen:
Fixatie: door moeilijkheden in fase stagneert ontwikkeling -> kind past afweermechanismen toe ->
past dit later onbewust ook toe bij situatie waarin gevoelens hetzelfde zijn
Regressie: terugval in eerdere fase -> bv. als kind een zusje krijgt gaat hij weer duimzuigen
Overdracht: onbewuste ervaring van vroeger worden geprojecteerd in huidige situatie -> gevoelens
worden losgemaakt die niet bij persoon in hier en nu horen maar bij sleutelfiguren uit jeugd
Tegenoverdracht: gevoelens van professional in het contact, twee vormen:
1. Reactie op overdracht van cliënt
2. Kenmerken van cliënt resoneren met onbewust thema van professional
Neo-Freundianen: leerlingen van Freud die zich deels op de theorie van Freud baseren
,Onderzoek naar psychodynamische processen -> gevalsbeschrijvingen als onderzoeksmethode:
gedetailleerde beschrijvingen van behandeling van cliënt
Onbewuste processen onderzocht met projectietests: persoon vertelt wat hij ziet op ambigue
afbeelding -> psychoanalyticus interpreteert reacties en leidt er onbewuste thema’s uit
Psychodynamisch perspectief niet wetenschappelijk te toetsen doordat onbewuste processen niet
objectief verifieerbaar zijn
Interventie vanuit psychodynamisch perspectief
Klassieke psychoanalyse: bewust maken van verdrongen herinneringen en doorvoelen van betekenis
Vrije associatie: patiënt spreek ongecensureerd gedachten en gevoelens uit -> met duidingen legde
behandelaar verbanden tussen wat cliënt vertelde en ervaringen in zijn jeugd
Psychodynamische psychotherapie: korter dan klassieke en meer gericht op actuele relaties
, Behavioristisch perspectief: invloed van leerervaringen op gedrag -> waarneembaar gedrag
Stimulus -> (black box) -> Respons
Klassieke conditionering, Pavlov: leren door associatie (bv. honden, kwijlen en eten)
Neutrale stimulus: willekeurige prikkel die niks met onderwerp te maken heeft
Ongeconditioneerde stimulus: prikkel die natuurlijke respons uitlokt
Geconditioneerde stimulus: ‘aangeleerde’ prikkel die respons uitlokt
Geconditioneerde respons: ‘aangeleerde’ respons door ‘aangeleerde’ stimulus
Lezing behavioristisch manifest, Watson: erkenning bestaan psychische processen (bv. kleine Albert)
Alle gedrag en emoties zijn aangeleerd -> nurture
Operante conditionering, Thorndike: leren door gevolgen van gedrag (bv. puzzle box)
Trial and error: willekeurige handelingen uitvoeren
Wet van effect: gedrag met positief resultaat eerder herhaald dan gedrag met negatief resultaat
Bekrachtiging: gedrag heeft aangenaam gevolg en kans op herhaling neemt toe:
- Positieve bekrachtiging: gevolg is een aangename stimulus
- Negatieve bekrachtiging: gevolg is het verminderen of verdwijnen van onaangename prikkel
Straf: gedrag heeft onaangenaam gevolg:
- Positieve straf: gevolg is een onaangename stimulus
- Negatieve straf: gevolg dat prettige stimulus afneemt of verdwijnt
Radicaal behaviorisme, Skinner: verfijnde inzichten operante conditionering (bv. Skinnerbox)
Variabel bekrachtigingsschema: actie levert soms wel en soms niet iets op
Gedrag volledig bepaald door aanleg, leerervaringen in verleden en omstandigheden
Sociaal leren/ leren door imitatie/ observerend leren, Bandura: leren door observeren van anderen
Mensen beschikken over aangeboren taalsysteem, Chomsky: Language Aquisition Device -> elk kind
doorloop zelfde taalontwikkeling in gevoelige periode -> dus biologische aanleg
Onderzoek naar behavioristische principes:
Observatie voor verzamelen van gegevens
Laboratoriumexperimenten om stimulus-respons verbanden te onderzoeken
Behaviorisme interventies
Triple P: positief gedrag belonen en negatief gedrag afwijzen
Gedragstherapie: ingrijpen op uitlokkende stimuli en bekrachtigers, en uitdoven van respons
Tweede en derde generatie gedragstherapie: wel en niet behavioristische principes
Kanttekeningen: voorbijgaan aan achtergronden van gedrag en wat is goed gedrag?
Behaviorisme is enkel waarneembaar gedrag, maar dat is niet goed -> dus objectieve waarneming en
passende introspectie nodig