Sociologie
1 Wat is sociologie?
1.1 Sociologisch denken
1.1.1Alles is contingent, maar niet arbitrair
- Alles is contingent:
o Gewoontes, handelingen, instellingen… die voor ons
vanzelfsprekend zijn zijn elders vaak totaal anders +
hadden zich dus ook bij ons o/e andere manier kunnen
ontwikkelen
Bv. het huwelijk, eetgewoontes, naar school gaan,
werken, onderwijssysteem
o Blaise Pascal:
hoe besef van contingentie hebben in staat zijn om
het vanzelfsprekende in vraag te stellen
beseffen dat onze gewoontes, afspraken,
instituties relatief zijn
we moeten onze eigen referentiekaders +
hetgeen wij evident vinden in vraag stellen
o Howard Becker: boek ‘Outsiders’
Toonde aan dat afwijkend gedrag door de SL wordt
geproduceerd
- Maar niet arbitrair:
o Socioloog:
gaat ervan uit dat er sociale determinanten zijn:
Om te verklaren dat de instellingen, gewoontes…
die we hebben in onze SL zich zo hebben
ontwikkeld
Zoekt naar
patronen van interactie/sociaal handelen
naar sociale determinanten daarvan
naar samenhang
- De mens maakt zijn eigen geschiedenis:
o Mens maakt zijn eigen geschiedenis en instellingen dus is
ook z’n eigen wetgever
1
, - Sociologisch denken: het in vraag stellen van het zelfsprekende,
om zich vervolgens de vraag te stellen hoe sociale orde mogelijk is
in een m’pij waarin men beseft dat alles relatief is
1.1.2De sociologische verbeelding
- Sociologische verbeelding: een levendig bewustzijn vd band tss
ervaringen en de ruimere samenleving
o DUS: de ervaringen vd dagelijkse wereld moeten in context
worden geplaatst
kan alleen door (1) afstand te nemen van
zelfsprekenden + (2) te beseffen dat alles contingent is
- Sociologische verbeelding: individuele gebeurtenissen plaatsen
en verklaren vanuit het geheel van sociale relaties, die zelf een
specifieke historische oorsprong hebben
1.1.3De sociale context
1.1.3.1 3 niveaus: micro, meso en macro
- Sociale context: het geheel van sociale relaties waar iemand deel
van uitmaakt
o Wordt op 3 niveaus bestudeerd:
1. Microniveau: gaat over dagelijkse face-to-face
interacties die we aangaan in kleine groepen
Bv. vriendengroep, gezin
2. Mesoniveau: sociale groeperingen
Bv. buurt, organisaties, verenigingen
3. Macroniveau: globale SL, over kenmerken v/e m’pij in
zijn geheel
Bv. verzorgingsstaat, postindustriële
1.1.3.2 Wat bevindt er zich in die sociale context? Contextuele factoren
- Contextuele factoren: elementen in de sociale context die een
belangrijke rol kunnen spelen
o beïnvloeden elkaar
o beïnvloeden samen de interacties
o 5 soorten
- 1. Sociologische contextuele factoren:
o = de verklarende elementen uit de sociale context waar
sociologen het meeste aandacht voor hebben
o = het resultaat van interacties tss personen en sociale
eenheden
- 2. Demografische contextuele factoren:
2
, o Demografie: beschrijft bevolking en haar veranderingen
- 3. Ecologische contextuele factoren:
o = bestaan uit klimatologische en geografische kenmerken
o Klimaat beïnvloedt het gedrag van mensen
- 4. Materiële contextuele factoren:
o Grondstoffen, technologie, infrastructuur, media
- 5. Economische contextuele factoren:
o = factoren die in verband staan met de productie, distributie
en consumptie van goederen en diensten
o Bv. BNP, de conjunctuur
1.1.4Definitie van sociologie
- Sociologie: de wetenschap die begaan is met de systematische
studie vd interactie tss personen en sociale eenheden, de factoren
die deze interactie bepalen en de gevolgen daarvan voor het
menselijk gedrag
1.1.5Gedrag, sociaal handelen en interactie
1.1.5.1 Gedrag
- Gedrag: elke actie, reactie, lichamelijke beweging, verbale uiting of
subjectieve gewaarwording van een individu
o Gaat om zowel:
Zichtbaar sociaal gedrag
Ideeën, opinies, attitudes, gevoelens en/of
Cognitieve prestaties
1.1.5.2 Sociaal handelen
- Sociaal handelen: elk handelen dat gericht is op anderen of
beïnvloed wordt door anderen
o ≠ imitatiegedrag
- Handelen:
o gebeurt in sociale omgeving
o ondergaat de kenmerken van die omgeving
1.1.5.3 Interactie
- Interactie: wnr mensen een complementaire betekenis geven aan
elkaar handelen; elkaars handelen beïnvloeden
o DUS: er zijn min. 2 actoren betrokken
o Kenmerken:
Er vindt een wisselwerking plaats tss actoren
Men anticipeert op het gedrag vd anderen
3
, Er is een gemeenschappelijke interpretatie van elkaars
handelen
- Mensen handelen opdat er iets zou worden gerealiseerd
o dit handelen wordt aangedreven door: ‘opdat’ motieven
- 5 basisvormen van interactie:
o Sociale ruil:
Hierbij liggen de aard en de termijn vd tegenprestatie
niet vast
Geeft vaak de aanleiding tot conflicten
Sociale ruiltheorie: verklaart hoe interacties worden
gedreven door het streven naar balans tss geven +
ontvangen, waarbij relaties gebaseerd zijn op wederzijds
voordeel en vertrouwen
o Samenwerking:
Vooraleer tot SW kan worden overgegaan er moet tss
de interactiepartners een akkoord zijn over een
gemeenschappelijke doelstelling
Binnen SW: men verwacht conformiteit in navolgen van
afspraken
Leidt vaak tot een taakverdeling, functionele
differentiatie
o Conformiteit:
= interactie die verloopt volgens de betekenis die beide
partners toekennen a/d interactie
o Conflict:
= objectieve/subjectieve tegenstelling door een
ongelijke verdeling van schaarse en gewaardeerde
middelen
Achter waardenconflict schuilt vaak belangenconflict
o Macht:
= de interactievorm waarbij de ene partij de andere
beïnvloedt om zijn eigen doelstellingen te bereiken,
zelfs tegen de wil vd ene partij in
= relatief DUS: afhankelijk vd situatie + van diegene
waarmee je jezelf vergelijkt
4
1 Wat is sociologie?
1.1 Sociologisch denken
1.1.1Alles is contingent, maar niet arbitrair
- Alles is contingent:
o Gewoontes, handelingen, instellingen… die voor ons
vanzelfsprekend zijn zijn elders vaak totaal anders +
hadden zich dus ook bij ons o/e andere manier kunnen
ontwikkelen
Bv. het huwelijk, eetgewoontes, naar school gaan,
werken, onderwijssysteem
o Blaise Pascal:
hoe besef van contingentie hebben in staat zijn om
het vanzelfsprekende in vraag te stellen
beseffen dat onze gewoontes, afspraken,
instituties relatief zijn
we moeten onze eigen referentiekaders +
hetgeen wij evident vinden in vraag stellen
o Howard Becker: boek ‘Outsiders’
Toonde aan dat afwijkend gedrag door de SL wordt
geproduceerd
- Maar niet arbitrair:
o Socioloog:
gaat ervan uit dat er sociale determinanten zijn:
Om te verklaren dat de instellingen, gewoontes…
die we hebben in onze SL zich zo hebben
ontwikkeld
Zoekt naar
patronen van interactie/sociaal handelen
naar sociale determinanten daarvan
naar samenhang
- De mens maakt zijn eigen geschiedenis:
o Mens maakt zijn eigen geschiedenis en instellingen dus is
ook z’n eigen wetgever
1
, - Sociologisch denken: het in vraag stellen van het zelfsprekende,
om zich vervolgens de vraag te stellen hoe sociale orde mogelijk is
in een m’pij waarin men beseft dat alles relatief is
1.1.2De sociologische verbeelding
- Sociologische verbeelding: een levendig bewustzijn vd band tss
ervaringen en de ruimere samenleving
o DUS: de ervaringen vd dagelijkse wereld moeten in context
worden geplaatst
kan alleen door (1) afstand te nemen van
zelfsprekenden + (2) te beseffen dat alles contingent is
- Sociologische verbeelding: individuele gebeurtenissen plaatsen
en verklaren vanuit het geheel van sociale relaties, die zelf een
specifieke historische oorsprong hebben
1.1.3De sociale context
1.1.3.1 3 niveaus: micro, meso en macro
- Sociale context: het geheel van sociale relaties waar iemand deel
van uitmaakt
o Wordt op 3 niveaus bestudeerd:
1. Microniveau: gaat over dagelijkse face-to-face
interacties die we aangaan in kleine groepen
Bv. vriendengroep, gezin
2. Mesoniveau: sociale groeperingen
Bv. buurt, organisaties, verenigingen
3. Macroniveau: globale SL, over kenmerken v/e m’pij in
zijn geheel
Bv. verzorgingsstaat, postindustriële
1.1.3.2 Wat bevindt er zich in die sociale context? Contextuele factoren
- Contextuele factoren: elementen in de sociale context die een
belangrijke rol kunnen spelen
o beïnvloeden elkaar
o beïnvloeden samen de interacties
o 5 soorten
- 1. Sociologische contextuele factoren:
o = de verklarende elementen uit de sociale context waar
sociologen het meeste aandacht voor hebben
o = het resultaat van interacties tss personen en sociale
eenheden
- 2. Demografische contextuele factoren:
2
, o Demografie: beschrijft bevolking en haar veranderingen
- 3. Ecologische contextuele factoren:
o = bestaan uit klimatologische en geografische kenmerken
o Klimaat beïnvloedt het gedrag van mensen
- 4. Materiële contextuele factoren:
o Grondstoffen, technologie, infrastructuur, media
- 5. Economische contextuele factoren:
o = factoren die in verband staan met de productie, distributie
en consumptie van goederen en diensten
o Bv. BNP, de conjunctuur
1.1.4Definitie van sociologie
- Sociologie: de wetenschap die begaan is met de systematische
studie vd interactie tss personen en sociale eenheden, de factoren
die deze interactie bepalen en de gevolgen daarvan voor het
menselijk gedrag
1.1.5Gedrag, sociaal handelen en interactie
1.1.5.1 Gedrag
- Gedrag: elke actie, reactie, lichamelijke beweging, verbale uiting of
subjectieve gewaarwording van een individu
o Gaat om zowel:
Zichtbaar sociaal gedrag
Ideeën, opinies, attitudes, gevoelens en/of
Cognitieve prestaties
1.1.5.2 Sociaal handelen
- Sociaal handelen: elk handelen dat gericht is op anderen of
beïnvloed wordt door anderen
o ≠ imitatiegedrag
- Handelen:
o gebeurt in sociale omgeving
o ondergaat de kenmerken van die omgeving
1.1.5.3 Interactie
- Interactie: wnr mensen een complementaire betekenis geven aan
elkaar handelen; elkaars handelen beïnvloeden
o DUS: er zijn min. 2 actoren betrokken
o Kenmerken:
Er vindt een wisselwerking plaats tss actoren
Men anticipeert op het gedrag vd anderen
3
, Er is een gemeenschappelijke interpretatie van elkaars
handelen
- Mensen handelen opdat er iets zou worden gerealiseerd
o dit handelen wordt aangedreven door: ‘opdat’ motieven
- 5 basisvormen van interactie:
o Sociale ruil:
Hierbij liggen de aard en de termijn vd tegenprestatie
niet vast
Geeft vaak de aanleiding tot conflicten
Sociale ruiltheorie: verklaart hoe interacties worden
gedreven door het streven naar balans tss geven +
ontvangen, waarbij relaties gebaseerd zijn op wederzijds
voordeel en vertrouwen
o Samenwerking:
Vooraleer tot SW kan worden overgegaan er moet tss
de interactiepartners een akkoord zijn over een
gemeenschappelijke doelstelling
Binnen SW: men verwacht conformiteit in navolgen van
afspraken
Leidt vaak tot een taakverdeling, functionele
differentiatie
o Conformiteit:
= interactie die verloopt volgens de betekenis die beide
partners toekennen a/d interactie
o Conflict:
= objectieve/subjectieve tegenstelling door een
ongelijke verdeling van schaarse en gewaardeerde
middelen
Achter waardenconflict schuilt vaak belangenconflict
o Macht:
= de interactievorm waarbij de ene partij de andere
beïnvloedt om zijn eigen doelstellingen te bereiken,
zelfs tegen de wil vd ene partij in
= relatief DUS: afhankelijk vd situatie + van diegene
waarmee je jezelf vergelijkt
4