en verloskunde
Anno 2025
, Examenbevraging:
- 80 vragen MPC met giscorrectie
- 5 antwoordmogelijkheden
- Volgens wikimedica:
- Verloskunde: 25 vragen
- Gynaecologie: 45 vragen
- Senologie (borst): 10 vragen
1. DCIS
a. meest agressieve vorm van borstkanker
b. voorloper van borstkanker
c. ontstaat typisch in de melkgangen
Antw: B en C beide juist!
2. Een jong koppel met kinderwens komt bij u op consultatie. Het is nog niet gestopt met
contraceptie, omdat het eerst preconceptioneel advies wenst. Beiden willen goed
voorbereid zijn, om de risico’s op zwangerschapsproblemen minimaal te houden. Uit een
zorgvuldige anamnese blijkt dat de vrouw aan epilepsie lijdt, waarvoor zij ook gedurende
een zwangerschap anti-epileptica dient te nemen. Wat is hier je voedingsadvies bij
zwangerschapswens?
a. Gevarieerde voeding volstaat.
b. 400 µg foliumzuur.
c. 4 mg foliumzuur.
d. Gevarieerde voeding en aanvullend een multivitaminenpreparaat.
e. 4 mg foliumzuur met aan het einde van de zwangerschap ook een vit K-supplement.
Antw: E
(veel epileptica zorgen vr hepatische enzym inductie -> anti vit K effect=> supplement nemen)
3. Zwangeren met diabetes hebben in vergelijking met niet-diabetische zwangeren geen hoger
risico op:
a. Pre-eclampsie en eclampsie
b. Infecties
c. Postpartale bloeding
d. Neonatale mucoviscidose
e. Neonatale hyperbilirubinemie
Antw: D (muco is op zichzelf een erfelijke aandoening)
4. Een 37-jarige dame wiens zwangerschap verwikkeld werd door een
zwangerschapsdiabetes, schonk het licht aan Lotte met een gewicht van 4444 g. Gezien de
macrosomie wens je een atone bloeding te voorkomen. Welke maatregel lijkt je hiervoor
nuttig?
, a. Flesvoeding aan te raden om de nodige uterotonica zonder gevaar voor de neonaat
te kunnen toedienen.
b. Haar glycemies met een aangepast dieet en zo nodig met een insulinetherapie verder
strikt onder controle te houden.
c. Lotte frequent aan te leggen voor borstvoeding, wegens de hieraan gekoppelde
neuro-endocriene reflex.
d. Een ijzertherapie op te starten om haar Fe-reserve op peil te brengen.
e. Zorgen voor een goede pijnverdoving van haar episiotomie met een NSAID, die
hiervoor efficiënter zijn dan paracetamol.
Antw: C -> tepelstimulatie leidt tot “naweeën” en vermindert het risico op atonie
5. moeder met atypische antistoffen, haar bloedgroep zelf is B positief ofzoiets
a. extra bloedname voor verdere typering van de irregulaire antistoffen
b. Je stelt haar gerust en zegt dat het wel een labo fout geweest zal zijn
c. NIPT om foetale rhesusfactor te bepalen
Antw: A
6. Een 38-jarige A2P3G6 biedt zich aan op uw spreekuur. Ze heeft een amenorroe van 12 weken
en klaagt over pijn in het hypogastrium en lumbosacraal. Ze kan moeilijk plassen. Bij
vaginaal onderzoek is de baarmoederhals erg naar voor verplaatst. De meest
waarschijnlijke diagnose is:
a. Een molaire zwangerschap
b. Een dreigend miskraam
c. Een geïncarcereerde baarmoeder in retroversio
d. Een urinaire infectie
e. Een faecaloom
Antw: C
7. Een Varicella-infectie:
a. Is niet teratogeen.
b. Is vooral peripartaal gevaarlijk.
c. Leidt, zo tijdens de zwangerschap opgedaan, frequent tot cirrose.
d. Is weinig besmettelijk.
e. Wordt veroorzaakt door een RNA-virus.
Antw: B
8. Wat is een kenmerk van bacteriële vaginose?
a. Brokkelig witverlies
b. Lage pH
c. Ruikt naar rotte vis
, d. Geurloos (candida)
Antw: C
9. Wat is juist in verband met cervicale ectopie?
a. Ectopie komt meer voor dan erosie
b. Ectopie wordt behandeld met topische CS
c. Ectopie verdwijnt bij zwangerschap en anticonceptie
d. Ectopie is abnormaal op fertiele leeftijd, maar frequent na de menopauze
Antw: A
10. Wat is juist in verband met ectopie en erosie?
a. Erosie is premaligne en ectopie is benigne
b. Beide zijn benigne, maar ectopie tijdens de menopauze is abnormaal en premaligne
c. Beide zijn benigne
d. Beide zijn premaligne
Antw: C
11. Wat zie je op deze foto van de cervix?
a. Ectopie met metaplasie
b. LSIL
c. HSIL
d. Cervixcarcinoom
e. CIN
Antw: A
12. Welk van de volgende stellingen is correct voor het cervixcarcinoom?
a. Wordt meestal veroorzaakt door infectie met HSV type 2
b. Komt minder voor bij patiënten die orale contraceptie gebruiken
c. Komt vaker voor bij patiënten die een IUCD dragen
d. Komt vaker voor bij vrouwen met een late menopauze
e. Komt vaker voor na een niertransplantatie