PRINCIPES VAN DE PSYCHOMETRIE – Tim Vantilborgh
1. Psychometrie
Psychologische testen => spelen grote rol in ons dagelijks leven:
- Om diagnoses te stellen
- Rol in wetenschappelijk onderzoek
- Gebruikt om attituden, gedrag en gevoelens te meten in studies
ð Via statistische analyses worden die data geanalyseerd om hypotheses te toetsen
Heel ons leven lang komen we psychologische testen tegen:
- Bij geboorte: APGAR-test (eerste test die iedereen ondergaat)
- Op school: examens
- Zakenwereld: tests bij sollicitatiegesprekken
- Medisch onderzoek
- …
Psychometrie
= vormt de wetenschappelijke studie van (de kwaliteiten van) psychologische testen. De focus ligt daarbij op psychologische testen en
assessments.
1.1 Het belang van psychologische testen
De beslissingen die genomen worden op basis van psychologische testen, kunnen een grote impact hebben op mensen. Daarom is het
belangrijk dat je de basisprincipes van psychologische metingen begrijpt.
1.1.1 Voor psychologen
Men gaat beslissingen nemen o.b.v. resultaten van psychologische testen.
Vb.
Klinische psychologen: instrument om diagnoses te stellen
Arbeidspsychologen: instrument om persoonlijkheid van sollicitanten te meten
Onderscheid assessments & testing:
• Assessment = als meerdere testen en technieken gecombineerd worden om een beslissing te nemen over een persoon
• Testing = gebruik van één psychologische test om een beslissing te nemen
1.1.2 Voor onderzoekers
Metingen vormen altijd de basis van onderzoek. Psychologische testen worden binnen onderzoek gebruikt om verschillen tussen personen
en/of verschillen binnen personen te bestuderen.
• Interindividuele verschillen = hoe twee personen verschillen van elkaar
• Intra-individuele verschillen = verschillen binnen personen
1.1.3 Voor de maatschappij
In het dagelijkse leven worden we allemaal geconfronteerd met psychologische testen. Daarnaast maken we gebruik van de resultaten om
zelf beslissingen te nemen. Vb. rekening houden met antwoorden van consument over bepaald product
Enorme evolutie in voorbije decennia: opkomst van internet en smartphones
- Deze hebben een impact op het gebruik van psychologische testen en psychometrie.
- Socialemediaplatformen kunnen o.b.v. de gegevens van hun gebruikers en dankzij machine learning-algoritmes accurate
voorspellingen doen over de persoonlijkheid van gebruikers.
ð De gegevens die we zelf creëren op dergelijke platformen, of die verzameld worden via onze smartphone, kunnen zo gebruikt
worden als een soort psychologische test.
1.2 Wat zijn psychologische testen?
Cronbach (1960): “een psychologische test is een systematische procedure om het gedrag van twee of meer personen te vergelijken”.
¯
Nu: uitbreiding van zijn definitie gemaakt
- Psychologische testen kunnen ook gebruikt worden om het gedrag van een individu op verschillende momenten in de tijd te
vergelijken
- Dus: psychologische test kan gebruikt worden om zowel inter- als intra-individuele verschillen te bestuderen
,Uit Cronbachs definitie volgen enkele kenmerken van psychologische testen:
I. Ze leveren een staal van gedrag op
II. Ze gebruiken systematische procedures
III. Ze maken gebruik van een testscore
IV. Ze maken gebruik van normen of standaarden
V. Ze worden gebruikt om gedrag buiten de test te voorspellen
Psychologische test
= een systematische procedure om het gedrag van twee of meer personen te vergelijken, of om het gedrag van een persoon op verschillende
momenten te vergelijken.
Vb. psychologische test => de Mini-IPIP
ð Bestaat uit 20 vragen/items die vijf persoonlijkheidstrekken meten (the big 5)
ð De proefpersonen moeten zichzelf beoordelen
ð Er wordt een testscore berekend door de scores die bij de geselecteerde antwoorden horen
op te tellen
ð Die testscore geeft weer in welke mate je meer extravert, aangenaam, consciëntieus,
neurotisch en intelligent bent
1.2.1 Een staal van gedrag
Elke test moet worden beschouwd als een staal of steekproef van gedrag
- Een test wordt gebruikt om inferenties te maken o.b.v. een selectie van items. Daarom is de keuze van die items cruciaal!
- Een goede test meet een representatieve staal van gedragingen.
Het is een uitdaging voor testontwikkelaars om een goed evenwicht te vinden tussen …
… de nood aan een selectie van vragen die een representatief staal van gedrag opleveren
… praktische beperkingen (vb. tijdsduur vd test)
Het uitmaken of een item een goede voorspeller is van een bepaald gedrag, blijkt vooral een empirische kwestie te zijn die het onderwerp
is van wetenschappelijk onderzoek.
1.2.2 Systematische procedures
Het gebruik van systematische procedures in psychologische tests vinden we terug op drie niveaus:
1) Testontwikkeling
Ø Psychologische testen worden ontwikkeld o.b.v. wetenschappelijk onderzoek
Ø Testontwikkelaar stelt een itempool op
Ø Uit de itempool worden de beste items geselecteerd (items die goed scoren op of bijdragen aan psychometrische kenmerken,
zoals betrouwbaarheid, predictieve validiteit, test accuraatheid, …)
Ø Psychometrische kwaliteit van test wordt op regelmatige basis opnieuw getest
2) Testafname
Ø Gestandaardiseerde manier om test af te nemen (als we mensen o.b.v. testscores met elkaar willen vergelijken, dan willen we
zeker zijn dat verschillen in testscores te wijten zijn aan verschillen in het gemeten gedrag en niet aan verschillen in de wijze
waarop de test werd afgenomen)
Ø Vb. digit span test ® gaat na hoeveel cijfers iemand maximaal kan herhalen
3) Testscoring en interpretatie
Ø Responsen moeten worden omgezet in cijfers: testscores
Ø Alle tests omvatten regels of procedures die aangeven hoe een waargenomen antwoord omgezet moet worden in een cijfer
of categorie
Ø 2 soorten:
o Objectieve scoring
= een proces waarbij de omzetting van de respons in een cijfer gebeurt door de gegeven respons te vergelijken met
een lijst waarin alle mogelijke responsen worden opgesomd en waar dan de bijbehorende score in kan worden
opgezocht
= op voorhand de antwoordopties kennen en weten welke waarde aan de antwoordoptie verbonden is
o Subjectieve scoring
= een proces waarin de persoon die de scoring uitvoert, maar beschikt over een stel richtlijnen die gehanteerd
moeten worden bij het scoren van responsen
= je kan het antwoord niet voorspellen, er zijn geen gekende antwoordopties dus we weten niet direct hoe we het moeten
interpreteren ® dus andere soort interpretatie vd resultaten (vb. inktvlekkentest)
,1.2.3 Testscores
Basisaxioma vd psychometrie: men gaat ervan uit dat iedereen het geteste kenmerk in een bepaalde mate bezit
• De bedoeling van een test is bepalen in welke mate iemand het geteste kenmerk vertoont of bezit
• Een testscore is een inschatting van de “mate” waarin dit kenmerk bij een persoon aanwezig is
• 2 opmerkingen:
® Elke testscore bevat een zekere meetfout: X = T + E (X = geobserveerde testscore, T = true score, E = error/meetfout)
® De testscore die we verkrijgen met een test is geen ‘ding’ dat echt fysiek bestaat (gaat meestal over abstractie)
1.2.4 Normen en standaarden
Normen = een samenvatting van testresultaten voor een grote steekproef die representatief is voor een populatie
• Als normen beschikbaar zijn, dan kan men een testscore van een persoon vergelijken met die normen, en bijgevolg zeggen hoe die
persoon scoort ten opzichte van de testscores in de bevolking
• Maar, niet elke test heeft normen!
• Verschil tussen norm-referenced en criterion-referenced testen
® Norm: interpretatie van scores adhv normen
® Criterion: scores niet vergelijken met andere mensen maar met een criterium
1.2.5 Voorspellen van gedrag buiten de test
Uiteindelijk doel is niet om te voorspellen hoe iemand scoort op de test zelf, maar hoe iemand zich zal gedragen buiten de test
omstandigheden
Vb. Balloon Analogue Risk Task (BART)
Door te drukken op een knop blaast de ballon steeds meer op en kunnen ze steeds meer geld verdienen,
maar is er ook meer risico dat hij ontploft en dat je niets verdient. Men is geïntresseerd om uitspraken te doen
over hoe dikwijls iemand op de knop drukt.
1.3 Geschiedenis van de psychologische testen
Die geschiedenis biedt inzichten in de oorsprong van moderne testen en werkwijzen. Sterktes en zwaktes van moderne testen worden ook
duidelijk als we hun historische context kennen.
1.3.1 Eerste psychologische testen
China – Zhou dynastie (1046 – 256 BCE)
• Testen gebruikt voor selectie van ‘beste’ ambtenaren
• Schriftelijk examen (wiskunde, taalvaardigheid, muziek, verantwoordelijkheid, ...)
• Testafname duurde één volledige nacht en dag
• Afname vond plaats in een kleine, afgesloten ruimte
• Slechts 1-7% slaagde
• Systeem bleef bestaan tot 19de eeuw CE
Persoonlijkheidskenmerken die afgeleid werden uit onze fysieke toestand
• Heel veel gebruikt geweest in de geschiedenis
• Physiognomie = psychologische kenmerken afleiden uit het uitzicht van een persoon (bv. aangezicht)
• Phrenologie = psychologische kenmerken afleiden uit knobbels op het hoofd (Franz Joseph Gall; 1758 - 1828)
1.3.2 De experimentele psychologie
Experimentele psychologie
• Vaak gezien als startpunt van moderne psychologische testen
• Einde 19de eeuw: experimenteel psychologen zetten zich af tegen subjectieve methoden van onderzoek (bv. Introspectie)
• Focus op objectieve, reproduceerbare methoden in laboratoria
• Aandacht voor eenvoudige, sensorische processen en lichamelijke kenmerken
® Toen vooral gebruik van ‘bronzen’ apparaten om deze constructen mee te meten => “bronze age of testing”
Wilhelm Wundt (1832 – 1920)
• Eerste psychologisch lab in Leipzig in 1879
• Bedenkt allerlei testen zoals de ”gedachtenmeter” = toestel (soort klok) om mentale capaciteit in kaart te brengen
• Verdiensten:
o Erkennen van individuele verschillen
o Empirische benadering
, Francis Galton (1822 – 1911)
• Geobsedeerd door meten
• Interesse in erfelijkheid (kijken naar erfelijkheid m.b.t. intelligentie)
• Eugenetica
o Zijn idee: erfelijkheid speelt grote rol bij ons
o Hij wou a.d.h.v. zijn bevindingen de maatschappij beïnvloeden door mensen met lage intelligentie niet te laten voortplanten.
We stellen ons hier dus vragen bij.
• Antropometrie versus psychometrie
o Psychometrie = meten psychologische kenmerken
o Antropometrie = meten lichamelijke kenmerken
• Vader van de "differentiële psychologie”
• Grondlegger van verschillende statistische testen
• Galton heeft veel mensen geïnspireerd met zijn werk => o.a. James Cattel
• Galtons lab in Londen: 10 soorten testen
1) Demografische gegevens
2) Kleur haar en ogen
3) Visueel vermogen (bv. reactietijd visuele stimuli)
4) Auditief vermogen
5) Waarnemingsdrempel tastzin
6) Longcapaciteit
7) Snelheid handbeweging
8) Kracht (bv. handgrip)
9) (Arm-)Lengte
10) Gewicht
James McKeen Cattell (1860-1944)
• Student bij zowel Wundt als Galton
• Introduceert ideeën van Europese experimentele psychologen in VS
• Introduceert term “mentale test”
• Start zijn eigen lab, met 10 mentale testen
1) Handgrip (dynamometer)
2) Snelheid van de handbeweging over een afstand van 50cm
3) 2-puntsdrempel voor tast: minimumafstand tussen 2 punten opdat ze nog als 2 aparte stimuli waargenomen worden
4) Hoeveelheid druk nodig om pijn te veroorzaken (kracht op rubber punt op voorhoofd)
5) Gewichtsdifferentiatie: het relatieve gewicht van uiterlijk identieke doosjes variërend met telkens 1g tussen 100 en 110 gram
6) Reactietijd voor geluid
7) Tijd om kleuren te benoemen
8) Bissectie van een 50-cm lijn
9) Beoordeling van 10 seconden tijd
10) Aantal letters herhaald na 1 keer horen
• Mentale test = meting van mentale sterkte (intelligentie)
• Hij was ervan overtuigd dat fysieke en mentale energie onmogelijk te scheiden zijn (vandaar meting handbegrip etc.)
Clarck Wissler (1870-1947)
® Wou aantonen of Cattel effectief intelligentie aan het meten was:
• Verzamelde voor zijn doctoraatsonderzoek data van 300 studenten
o Scores op “mentale tests” van Cattell
o Studieresultaten
• Vond echter zwakke correlaties met studieresultaten
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, 𝑑𝑖𝑔𝑖𝑡 𝑠𝑝𝑎𝑛) = 0.16
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, ℎ𝑎𝑛𝑑𝑔𝑟𝑖𝑝) = −0.08
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, 𝑟𝑒𝑎𝑐𝑡𝑖𝑒𝑡𝑖𝑗𝑑) = −0.02
• Vond ook zwakke correlaties tussen mentale testen onderling
• Mentale tests niet geschikt voor het meten van intelligentie
• Men verloor interesse in experimentele psychologie
MAAR: Wissler maakte een fout
Homogene steekproeven hebben minder variatie. Heterogene had meer niveaus kunnen tonen.
ð Wissler mistake
= foute conclusie trekken van een verband omdat je een homogene steekproef gebruikte
1. Psychometrie
Psychologische testen => spelen grote rol in ons dagelijks leven:
- Om diagnoses te stellen
- Rol in wetenschappelijk onderzoek
- Gebruikt om attituden, gedrag en gevoelens te meten in studies
ð Via statistische analyses worden die data geanalyseerd om hypotheses te toetsen
Heel ons leven lang komen we psychologische testen tegen:
- Bij geboorte: APGAR-test (eerste test die iedereen ondergaat)
- Op school: examens
- Zakenwereld: tests bij sollicitatiegesprekken
- Medisch onderzoek
- …
Psychometrie
= vormt de wetenschappelijke studie van (de kwaliteiten van) psychologische testen. De focus ligt daarbij op psychologische testen en
assessments.
1.1 Het belang van psychologische testen
De beslissingen die genomen worden op basis van psychologische testen, kunnen een grote impact hebben op mensen. Daarom is het
belangrijk dat je de basisprincipes van psychologische metingen begrijpt.
1.1.1 Voor psychologen
Men gaat beslissingen nemen o.b.v. resultaten van psychologische testen.
Vb.
Klinische psychologen: instrument om diagnoses te stellen
Arbeidspsychologen: instrument om persoonlijkheid van sollicitanten te meten
Onderscheid assessments & testing:
• Assessment = als meerdere testen en technieken gecombineerd worden om een beslissing te nemen over een persoon
• Testing = gebruik van één psychologische test om een beslissing te nemen
1.1.2 Voor onderzoekers
Metingen vormen altijd de basis van onderzoek. Psychologische testen worden binnen onderzoek gebruikt om verschillen tussen personen
en/of verschillen binnen personen te bestuderen.
• Interindividuele verschillen = hoe twee personen verschillen van elkaar
• Intra-individuele verschillen = verschillen binnen personen
1.1.3 Voor de maatschappij
In het dagelijkse leven worden we allemaal geconfronteerd met psychologische testen. Daarnaast maken we gebruik van de resultaten om
zelf beslissingen te nemen. Vb. rekening houden met antwoorden van consument over bepaald product
Enorme evolutie in voorbije decennia: opkomst van internet en smartphones
- Deze hebben een impact op het gebruik van psychologische testen en psychometrie.
- Socialemediaplatformen kunnen o.b.v. de gegevens van hun gebruikers en dankzij machine learning-algoritmes accurate
voorspellingen doen over de persoonlijkheid van gebruikers.
ð De gegevens die we zelf creëren op dergelijke platformen, of die verzameld worden via onze smartphone, kunnen zo gebruikt
worden als een soort psychologische test.
1.2 Wat zijn psychologische testen?
Cronbach (1960): “een psychologische test is een systematische procedure om het gedrag van twee of meer personen te vergelijken”.
¯
Nu: uitbreiding van zijn definitie gemaakt
- Psychologische testen kunnen ook gebruikt worden om het gedrag van een individu op verschillende momenten in de tijd te
vergelijken
- Dus: psychologische test kan gebruikt worden om zowel inter- als intra-individuele verschillen te bestuderen
,Uit Cronbachs definitie volgen enkele kenmerken van psychologische testen:
I. Ze leveren een staal van gedrag op
II. Ze gebruiken systematische procedures
III. Ze maken gebruik van een testscore
IV. Ze maken gebruik van normen of standaarden
V. Ze worden gebruikt om gedrag buiten de test te voorspellen
Psychologische test
= een systematische procedure om het gedrag van twee of meer personen te vergelijken, of om het gedrag van een persoon op verschillende
momenten te vergelijken.
Vb. psychologische test => de Mini-IPIP
ð Bestaat uit 20 vragen/items die vijf persoonlijkheidstrekken meten (the big 5)
ð De proefpersonen moeten zichzelf beoordelen
ð Er wordt een testscore berekend door de scores die bij de geselecteerde antwoorden horen
op te tellen
ð Die testscore geeft weer in welke mate je meer extravert, aangenaam, consciëntieus,
neurotisch en intelligent bent
1.2.1 Een staal van gedrag
Elke test moet worden beschouwd als een staal of steekproef van gedrag
- Een test wordt gebruikt om inferenties te maken o.b.v. een selectie van items. Daarom is de keuze van die items cruciaal!
- Een goede test meet een representatieve staal van gedragingen.
Het is een uitdaging voor testontwikkelaars om een goed evenwicht te vinden tussen …
… de nood aan een selectie van vragen die een representatief staal van gedrag opleveren
… praktische beperkingen (vb. tijdsduur vd test)
Het uitmaken of een item een goede voorspeller is van een bepaald gedrag, blijkt vooral een empirische kwestie te zijn die het onderwerp
is van wetenschappelijk onderzoek.
1.2.2 Systematische procedures
Het gebruik van systematische procedures in psychologische tests vinden we terug op drie niveaus:
1) Testontwikkeling
Ø Psychologische testen worden ontwikkeld o.b.v. wetenschappelijk onderzoek
Ø Testontwikkelaar stelt een itempool op
Ø Uit de itempool worden de beste items geselecteerd (items die goed scoren op of bijdragen aan psychometrische kenmerken,
zoals betrouwbaarheid, predictieve validiteit, test accuraatheid, …)
Ø Psychometrische kwaliteit van test wordt op regelmatige basis opnieuw getest
2) Testafname
Ø Gestandaardiseerde manier om test af te nemen (als we mensen o.b.v. testscores met elkaar willen vergelijken, dan willen we
zeker zijn dat verschillen in testscores te wijten zijn aan verschillen in het gemeten gedrag en niet aan verschillen in de wijze
waarop de test werd afgenomen)
Ø Vb. digit span test ® gaat na hoeveel cijfers iemand maximaal kan herhalen
3) Testscoring en interpretatie
Ø Responsen moeten worden omgezet in cijfers: testscores
Ø Alle tests omvatten regels of procedures die aangeven hoe een waargenomen antwoord omgezet moet worden in een cijfer
of categorie
Ø 2 soorten:
o Objectieve scoring
= een proces waarbij de omzetting van de respons in een cijfer gebeurt door de gegeven respons te vergelijken met
een lijst waarin alle mogelijke responsen worden opgesomd en waar dan de bijbehorende score in kan worden
opgezocht
= op voorhand de antwoordopties kennen en weten welke waarde aan de antwoordoptie verbonden is
o Subjectieve scoring
= een proces waarin de persoon die de scoring uitvoert, maar beschikt over een stel richtlijnen die gehanteerd
moeten worden bij het scoren van responsen
= je kan het antwoord niet voorspellen, er zijn geen gekende antwoordopties dus we weten niet direct hoe we het moeten
interpreteren ® dus andere soort interpretatie vd resultaten (vb. inktvlekkentest)
,1.2.3 Testscores
Basisaxioma vd psychometrie: men gaat ervan uit dat iedereen het geteste kenmerk in een bepaalde mate bezit
• De bedoeling van een test is bepalen in welke mate iemand het geteste kenmerk vertoont of bezit
• Een testscore is een inschatting van de “mate” waarin dit kenmerk bij een persoon aanwezig is
• 2 opmerkingen:
® Elke testscore bevat een zekere meetfout: X = T + E (X = geobserveerde testscore, T = true score, E = error/meetfout)
® De testscore die we verkrijgen met een test is geen ‘ding’ dat echt fysiek bestaat (gaat meestal over abstractie)
1.2.4 Normen en standaarden
Normen = een samenvatting van testresultaten voor een grote steekproef die representatief is voor een populatie
• Als normen beschikbaar zijn, dan kan men een testscore van een persoon vergelijken met die normen, en bijgevolg zeggen hoe die
persoon scoort ten opzichte van de testscores in de bevolking
• Maar, niet elke test heeft normen!
• Verschil tussen norm-referenced en criterion-referenced testen
® Norm: interpretatie van scores adhv normen
® Criterion: scores niet vergelijken met andere mensen maar met een criterium
1.2.5 Voorspellen van gedrag buiten de test
Uiteindelijk doel is niet om te voorspellen hoe iemand scoort op de test zelf, maar hoe iemand zich zal gedragen buiten de test
omstandigheden
Vb. Balloon Analogue Risk Task (BART)
Door te drukken op een knop blaast de ballon steeds meer op en kunnen ze steeds meer geld verdienen,
maar is er ook meer risico dat hij ontploft en dat je niets verdient. Men is geïntresseerd om uitspraken te doen
over hoe dikwijls iemand op de knop drukt.
1.3 Geschiedenis van de psychologische testen
Die geschiedenis biedt inzichten in de oorsprong van moderne testen en werkwijzen. Sterktes en zwaktes van moderne testen worden ook
duidelijk als we hun historische context kennen.
1.3.1 Eerste psychologische testen
China – Zhou dynastie (1046 – 256 BCE)
• Testen gebruikt voor selectie van ‘beste’ ambtenaren
• Schriftelijk examen (wiskunde, taalvaardigheid, muziek, verantwoordelijkheid, ...)
• Testafname duurde één volledige nacht en dag
• Afname vond plaats in een kleine, afgesloten ruimte
• Slechts 1-7% slaagde
• Systeem bleef bestaan tot 19de eeuw CE
Persoonlijkheidskenmerken die afgeleid werden uit onze fysieke toestand
• Heel veel gebruikt geweest in de geschiedenis
• Physiognomie = psychologische kenmerken afleiden uit het uitzicht van een persoon (bv. aangezicht)
• Phrenologie = psychologische kenmerken afleiden uit knobbels op het hoofd (Franz Joseph Gall; 1758 - 1828)
1.3.2 De experimentele psychologie
Experimentele psychologie
• Vaak gezien als startpunt van moderne psychologische testen
• Einde 19de eeuw: experimenteel psychologen zetten zich af tegen subjectieve methoden van onderzoek (bv. Introspectie)
• Focus op objectieve, reproduceerbare methoden in laboratoria
• Aandacht voor eenvoudige, sensorische processen en lichamelijke kenmerken
® Toen vooral gebruik van ‘bronzen’ apparaten om deze constructen mee te meten => “bronze age of testing”
Wilhelm Wundt (1832 – 1920)
• Eerste psychologisch lab in Leipzig in 1879
• Bedenkt allerlei testen zoals de ”gedachtenmeter” = toestel (soort klok) om mentale capaciteit in kaart te brengen
• Verdiensten:
o Erkennen van individuele verschillen
o Empirische benadering
, Francis Galton (1822 – 1911)
• Geobsedeerd door meten
• Interesse in erfelijkheid (kijken naar erfelijkheid m.b.t. intelligentie)
• Eugenetica
o Zijn idee: erfelijkheid speelt grote rol bij ons
o Hij wou a.d.h.v. zijn bevindingen de maatschappij beïnvloeden door mensen met lage intelligentie niet te laten voortplanten.
We stellen ons hier dus vragen bij.
• Antropometrie versus psychometrie
o Psychometrie = meten psychologische kenmerken
o Antropometrie = meten lichamelijke kenmerken
• Vader van de "differentiële psychologie”
• Grondlegger van verschillende statistische testen
• Galton heeft veel mensen geïnspireerd met zijn werk => o.a. James Cattel
• Galtons lab in Londen: 10 soorten testen
1) Demografische gegevens
2) Kleur haar en ogen
3) Visueel vermogen (bv. reactietijd visuele stimuli)
4) Auditief vermogen
5) Waarnemingsdrempel tastzin
6) Longcapaciteit
7) Snelheid handbeweging
8) Kracht (bv. handgrip)
9) (Arm-)Lengte
10) Gewicht
James McKeen Cattell (1860-1944)
• Student bij zowel Wundt als Galton
• Introduceert ideeën van Europese experimentele psychologen in VS
• Introduceert term “mentale test”
• Start zijn eigen lab, met 10 mentale testen
1) Handgrip (dynamometer)
2) Snelheid van de handbeweging over een afstand van 50cm
3) 2-puntsdrempel voor tast: minimumafstand tussen 2 punten opdat ze nog als 2 aparte stimuli waargenomen worden
4) Hoeveelheid druk nodig om pijn te veroorzaken (kracht op rubber punt op voorhoofd)
5) Gewichtsdifferentiatie: het relatieve gewicht van uiterlijk identieke doosjes variërend met telkens 1g tussen 100 en 110 gram
6) Reactietijd voor geluid
7) Tijd om kleuren te benoemen
8) Bissectie van een 50-cm lijn
9) Beoordeling van 10 seconden tijd
10) Aantal letters herhaald na 1 keer horen
• Mentale test = meting van mentale sterkte (intelligentie)
• Hij was ervan overtuigd dat fysieke en mentale energie onmogelijk te scheiden zijn (vandaar meting handbegrip etc.)
Clarck Wissler (1870-1947)
® Wou aantonen of Cattel effectief intelligentie aan het meten was:
• Verzamelde voor zijn doctoraatsonderzoek data van 300 studenten
o Scores op “mentale tests” van Cattell
o Studieresultaten
• Vond echter zwakke correlaties met studieresultaten
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, 𝑑𝑖𝑔𝑖𝑡 𝑠𝑝𝑎𝑛) = 0.16
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, ℎ𝑎𝑛𝑑𝑔𝑟𝑖𝑝) = −0.08
o 𝑟(𝑠𝑡𝑢𝑑𝑖𝑒𝑟𝑒𝑠𝑢𝑙𝑡𝑎𝑎𝑡, 𝑟𝑒𝑎𝑐𝑡𝑖𝑒𝑡𝑖𝑗𝑑) = −0.02
• Vond ook zwakke correlaties tussen mentale testen onderling
• Mentale tests niet geschikt voor het meten van intelligentie
• Men verloor interesse in experimentele psychologie
MAAR: Wissler maakte een fout
Homogene steekproeven hebben minder variatie. Heterogene had meer niveaus kunnen tonen.
ð Wissler mistake
= foute conclusie trekken van een verband omdat je een homogene steekproef gebruikte