Inleiding ethisch denken
Ethiek of moraalwetenschappen
Is een tak van de filosofie die zich bezig houdt met de kritische bezinning over het juiste
handelen.
Ethische deelgebieden
Normatieve benadering
Waarbij men morele posities inneemt.
1. Algemene normatieve ethiek
Formuleert morele basisprincipes en maatstaven.
2. Toegepaste ethiek
Richt zich op specifieke kwesties als abortus en journalistieke juistheid.
Non-normatieve benadering
Waarbij men geen morele posities inneemt.
3. Descriptieve ethiek
Probeert moreel gedrag feitelijk te beschrijven en te begrijpen.
4. Meta-ethiek
Richt zich op centrale begrippen van de ethiek (zoals ‘recht’, ‘plicht’ en
‘verantwoordelijkheid’) en vergelijkt verschillende moralen.
Benaderingswijzen vanuit verschillende perspectieven
Eigen perspectief
Bewust of onbewust: Vanuit ons eigen referentiekader, onze persoonlijke waarden en
normen.
Feministisch perspectief
Aandacht aan de bijzondere plaats en rol van vrouwen.
Zorgethisch perspectief
Aandacht aan de relaties die er tussen mensen bestaan.
Professioneel (beroepsethisch) perspectief
Wat ik zou doen in mijn rol van zorgverlener.
Ethisch handelen
Het woord ‘ethiek’ staat voor het overdenken van en handelen naar het morele gedrag van
mensen.
Met moreel gedrag bedoelen we wat juist of onjuist, goed of slecht is.
Als hulpverleners hebben we de plicht cliënten of patiënten zorg te bieden die ethisch
(moreel) gezien juist, goed of correct is.
, Waarden en waardepatronen
Ontwikkelingstheorie van Kohlberg
Deed onderzoek naar de keuzes die proefpersonen (jongens) maakten.
Hij richtte zich voornamelijk op de motivaties van hun gemaakte keuze, hierdoor kon hij zich
een beeld vormen van de ontwikkeling van het moreel (ethisch) denken.
Premoreel stadium
1ste levensjaren, geen ethisch besef en geen onderscheid tussen goed en kwaad.
Preconventioneel stadium
Het moreel oordeel is gericht op het vermijden van straffen en het krijgen van een beloning.
Het moreel denken vertoont een egocentrisch patroon, jonge kinderen kunnen zich niet
verplaatsen in de denkwereld van anderen.
Substadium 1
Gericht om straffen te voorkomen.
Substadium 2
Gericht op eigenbelang. Als er aandacht is voor behoeften van anderen zal dit in het teken
staan van het bevredigen van eigen behoeften.
Conventioneel stadium
Het oordeel wordt voornamelijk bepaald door sociale instemming of afkeuring. Loyauteit naar
een bepaald persoon of identificatie met bepaalde personen of groepen spelen een
belangrijke rol.
Substadium 1
Gericht op erkenning of bevestiging. De betrachting is de andere te plezieren en/of niet voor
het hoofd te stoten.
Substadium 2
Gericht op het naleven van wetten en regels, en is orde een belangrijk criterium in het moreel
denken. Wat eigen groep normaal vindt.
Postconventioneel stadium
Het oordeel wordt niet gevormd op basis van het toepassen van regels, maar achterliggende
gedachte ervan neemt de belangrijke plaats in.
Substadium 1
Gericht op het algemene individuele waarden die kritisch zijn bestudeerd. Duidelijk besef dat
persoonlijke waarden en opvattingen belangrijk zijn en dat procedures en regels bestaan om
tot consensus te komen.
Substadium 2
Gericht op bepaling door weloverwogen keuzes op basis van eigen ethische principes. Deze
ethische principes hangen logisch samen, hebben een universeel karakter en zijn ‘vast’.
Socialiseringsproces
De evolutie van het preconventioneel naar het conventioneel denken.
Ontwikkelingstheorie van Gilligan
Verder onderzoek naar de morele ontwikkeling onder hoede van Kholberg. Verruimde haar
onderzoeksveld (meisjes en jongens).
1ste stadium
Nemen van beslissingen vanuit egoïstisch standpunt.
2de stadium
De zorg voor anderen komt op de voorgrond, de relatie met anderen haalt de boventoon.
Wordt ook het sociale stadium genoemd, klassieke opvatting van de rol van de vrouw
domineert. Zorgen voor anderen en zichzelf wegcijferen.
3de stadium
Er wordt gezocht naar een evenwicht tussen belangen van de ander en het eigen belang.
Regelethiek
Taakverpleging: ‘bandwerk’, verpleegkundige voert opdracht uit die door de leidinggevende
wordt bepaald.
Ethiek of moraalwetenschappen
Is een tak van de filosofie die zich bezig houdt met de kritische bezinning over het juiste
handelen.
Ethische deelgebieden
Normatieve benadering
Waarbij men morele posities inneemt.
1. Algemene normatieve ethiek
Formuleert morele basisprincipes en maatstaven.
2. Toegepaste ethiek
Richt zich op specifieke kwesties als abortus en journalistieke juistheid.
Non-normatieve benadering
Waarbij men geen morele posities inneemt.
3. Descriptieve ethiek
Probeert moreel gedrag feitelijk te beschrijven en te begrijpen.
4. Meta-ethiek
Richt zich op centrale begrippen van de ethiek (zoals ‘recht’, ‘plicht’ en
‘verantwoordelijkheid’) en vergelijkt verschillende moralen.
Benaderingswijzen vanuit verschillende perspectieven
Eigen perspectief
Bewust of onbewust: Vanuit ons eigen referentiekader, onze persoonlijke waarden en
normen.
Feministisch perspectief
Aandacht aan de bijzondere plaats en rol van vrouwen.
Zorgethisch perspectief
Aandacht aan de relaties die er tussen mensen bestaan.
Professioneel (beroepsethisch) perspectief
Wat ik zou doen in mijn rol van zorgverlener.
Ethisch handelen
Het woord ‘ethiek’ staat voor het overdenken van en handelen naar het morele gedrag van
mensen.
Met moreel gedrag bedoelen we wat juist of onjuist, goed of slecht is.
Als hulpverleners hebben we de plicht cliënten of patiënten zorg te bieden die ethisch
(moreel) gezien juist, goed of correct is.
, Waarden en waardepatronen
Ontwikkelingstheorie van Kohlberg
Deed onderzoek naar de keuzes die proefpersonen (jongens) maakten.
Hij richtte zich voornamelijk op de motivaties van hun gemaakte keuze, hierdoor kon hij zich
een beeld vormen van de ontwikkeling van het moreel (ethisch) denken.
Premoreel stadium
1ste levensjaren, geen ethisch besef en geen onderscheid tussen goed en kwaad.
Preconventioneel stadium
Het moreel oordeel is gericht op het vermijden van straffen en het krijgen van een beloning.
Het moreel denken vertoont een egocentrisch patroon, jonge kinderen kunnen zich niet
verplaatsen in de denkwereld van anderen.
Substadium 1
Gericht om straffen te voorkomen.
Substadium 2
Gericht op eigenbelang. Als er aandacht is voor behoeften van anderen zal dit in het teken
staan van het bevredigen van eigen behoeften.
Conventioneel stadium
Het oordeel wordt voornamelijk bepaald door sociale instemming of afkeuring. Loyauteit naar
een bepaald persoon of identificatie met bepaalde personen of groepen spelen een
belangrijke rol.
Substadium 1
Gericht op erkenning of bevestiging. De betrachting is de andere te plezieren en/of niet voor
het hoofd te stoten.
Substadium 2
Gericht op het naleven van wetten en regels, en is orde een belangrijk criterium in het moreel
denken. Wat eigen groep normaal vindt.
Postconventioneel stadium
Het oordeel wordt niet gevormd op basis van het toepassen van regels, maar achterliggende
gedachte ervan neemt de belangrijke plaats in.
Substadium 1
Gericht op het algemene individuele waarden die kritisch zijn bestudeerd. Duidelijk besef dat
persoonlijke waarden en opvattingen belangrijk zijn en dat procedures en regels bestaan om
tot consensus te komen.
Substadium 2
Gericht op bepaling door weloverwogen keuzes op basis van eigen ethische principes. Deze
ethische principes hangen logisch samen, hebben een universeel karakter en zijn ‘vast’.
Socialiseringsproces
De evolutie van het preconventioneel naar het conventioneel denken.
Ontwikkelingstheorie van Gilligan
Verder onderzoek naar de morele ontwikkeling onder hoede van Kholberg. Verruimde haar
onderzoeksveld (meisjes en jongens).
1ste stadium
Nemen van beslissingen vanuit egoïstisch standpunt.
2de stadium
De zorg voor anderen komt op de voorgrond, de relatie met anderen haalt de boventoon.
Wordt ook het sociale stadium genoemd, klassieke opvatting van de rol van de vrouw
domineert. Zorgen voor anderen en zichzelf wegcijferen.
3de stadium
Er wordt gezocht naar een evenwicht tussen belangen van de ander en het eigen belang.
Regelethiek
Taakverpleging: ‘bandwerk’, verpleegkundige voert opdracht uit die door de leidinggevende
wordt bepaald.