1.1 Het ontstaan van internationale handel
Inleiding
Specialisatie verhoogt de productiviteit van arbeid en kapitaal, waardoor landen zich gaandeweg
gespecialiseerd hebben in waar ze goed in zijn. Voorbeelden:
• Frankrijk produceert veel wijn door gunstig klimaat
• België is een grote bierproducent door specifieke kennis
• Haven van Antwerpen is belangrijke draaischijf door geografische ligging
Belangrijke opmerking: Geen enkele theorie geeft een volledig antwoord op internationale handel - ze
verklaren elk slechts een deel van de waarheid.
1.1.1 De klassieke theorie van de absolute kostenverschillen van Adam Smith
Basisprincipes:
• Gebaseerd op arbeidswaardeleer: waarde van product hangt af van hoeveelheid arbeid
• Negeert schaalvoordelen
• Veronderstelt geen internationale beweging van productiefactoren mogelijk is
• Uit 1776: 'An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations'
Kernidee: Internationale handel biedt voordelen voor alle betrokken landen wanneer elk land zich
specialiseert in goederen waar het een absoluut voordeel heeft.
Smith concludeerde: het is mogelijk de totale productie te verhogen als elk land zich specialiseert in de
productie van goederen waarin het een absoluut kostenvoordeel heeft.
1.1.2 De theorie van de comparatieve kostenverschillen van David Ricardo
Belangrijke uitbreiding van Smith: Een land moet zich specialiseren in goederen waarvoor het de
laagste relatieve kosten kent, ook al heeft het geen absoluut voordeel.
Achtergrond:
• Ontwikkeld als argument tegen korenwetten in Engeland (1815)
• Verdedigde vrijhandel in graan tegen bescherming van grootgrondbezitters
Beperkingen van het model:
• Houdt geen rekening met productiefactor kapitaal
• Volmaakte mobiliteit van arbeid binnen landen, geen mobiliteit tussen landen
• Onveranderlijke kostenverhoudingen
• Afwezigheid schaalvoordelen
• Zelfde behoeftestructuur bij consumenten
• Geen rekening houden met transportkosten
1
,Mechanisme bij vrijhandel:
1. Prijsverhoudingen komen op gemeenschappelijk peil
2. Handelaars kopen waar goedkoop, verkopen waar duur
3. Wijn relatief goedkoop in Portugal → export naar GB
4. Textiel relatief goedkoop in GB → export naar Portugal
5. Arbeiders verplaatsen zich naar sector met comparatief voordeel
Oorzaken van comparatieve voordelen:
1. Relatieve beschikbaarheid productiefactoren: de verhouding waarin de diverse
productiefactoren in een economie beschikbaar zijn.
o Natuurlijke oorzaken: klimaat, geografische ligging, grondstoffen, bodemvruchtbaarheid
o Human capital: bevolkingsdichtheid, scholingsgraad
o Kapitaalgoederen: infrastructuur (wegen, havens, communicatie, banksysteem)
2. Toenemende schaalvoordelen:
o Hogere productie → lagere gemiddelde kosten
o Vereist grote markten (binnenlands of internationaal)
o Belangrijk voor kleine landen zoals België
3. Monopolistische concurrentie:
o Marketing, productdifferentiatie, consumentenvoorkeuren
o Voorbeeld: grote auto's in Amerika vs kleine stadswagens in Europa
o Verklaart gelijktijdige export/import van auto's tussen continenten
4. Technologische voorsprong:
o Tijdelijk voordeel door innovatie
o Wordt snel geïmiteerd → voortdurende R&D noodzakelijk
5. Politieke beslissingen:
o Belastingverminderingen, subsidies, goedkope kredieten
o Voorbehouden contracten aan nationale ondernemingen
o Economische boycots (bv. Russische boycot EU-appelen 2014)
1.1.3 De theorie van de relatieve factorbegiftiging van Heckscher en Ohlin
Ontwikkeld door: Zweedse economen Eli Heckscher en Bertil Ohlin (jaren 1930)
Basisprincipe: Landen hebben comparatief voordeel in producten die relatief intensief gebruikmaken
van hun relatief overvloedige productiefactor.
2
,Definitie relatieve factorbegiftiging:
• Land is relatief kapitaalovervloediger als kapitaal/arbeidsratio hoger is
• Product is relatief kapitaalintensief als het meer kapitaal per arbeidseenheid gebruikt
Veronderstellingen:
• Volmaakte mobiliteit factoren binnen landen, immobiliteit tussen landen
• Rekening met andere productiefactoren dan arbeid en natuur
• Zelfde technologie en consumentenvoorkeuren tussen landen
• Geen omkering factorintensiteit mogelijk
Mechanisme:
1. Relatieve schaarste factoren → prijsverhoudingen factoren
2. Prijzen producten weerspiegelen factorvergoedingen
3. In autarkie: relatief kapitaalovervloedige landen hebben lagere prijzen voor kapitaalintensieve
producten
4. Bij openstelling grenzen: landen specialiseren zich in producten die hun overvloedige factor
intensief gebruiken
Gevolgen voor factorvergoedingen:
• Internationale handel brengt verhoudingen factorvergoedingen naar elkaar toe
• Relatief schaarse factor verliest inkomen
• Relatief overvloedige factor wint inkomen
Stolper-Samuelson theorema:
• Lange termijn: Bezitters overvloedige factor gaan er op vooruit
• Korte termijn: Alle factoren in sector met comparatief nadeel verliezen
1.1.4 De exportmultiplicator van J.F. Giblin
Uitgangspunt: Keynes' investeringsmultiplicator aangepast voor open economie (1930)
Formule: kx = ΔY/ΔX = met welke factor stijgt het nationale inkomen (BBP) wanner investeringen in de
export stijgen met 1 eenheid.
Mechanisme:
1. Export stijgt → inkomen exportarbeiders stijgt
2. Hogere vraag naar goederen en diensten
3. Vermenigvuldigingseffect afhankelijk van spaargedrag en import
4. Minder sparen en importeren = groter effect op nationaal inkomen
3
, Veronderstellingen (beperkt realistisch):
• Binnenlandse investeringen blijven constant
• Vaste wisselkoers
• Volledige tewerkstelling
• Effect wel aanwezig maar moeilijk kwantificeerbaar
1.1.5 De Nieuwe Productiviteitstheorie van Michael Porter
Basisidee: Relatieve productiviteiten liggen aan basis van handelsvoordelen, maar op basis van
dynamische ondernemingsstrategie.
Twee basistypes competitief voordeel:
1. Kostenleiderschap:
o Meest efficiënte productie tegen laagste kosten
o Massale verkoop tegen iets lagere prijs dan concurrenten
o Hogere winst door volume
2. Differentiatie:
o Meerwaarde door kwaliteit, flexibiliteit, service
o Meerprijs mogelijk
o Hogere winst door toegevoegde waarde
Strategische fout: "Stuck in the middle" - geen duidelijke keuze tussen beide strategieën
Onderscheid industrieën:
• Multidomestic industries: Concurrentie per land onafhankelijk
• Global industries: Concurrentiepositie landen beïnvloedt elkaar
Porter's Diamant - Vier determinanten nationaal competitief voordeel:
1. Factorcondities (complexer dan Heckscher-Ohlin):
o Niet hoeveelheid maar upgrading en specialisatie factoren belangrijk
o Vijf productiefactoren: human resources, physical, knowledge, capital, infrastructure
o Overvloed kan inefficiëntie veroorzaken, tekort kan innovatie stimuleren
2. Vraagcondities:
o Samenstelling thuismarkt geeft sneller/duidelijker beeld klantenwensen
o Veeleisende klanten stimuleren innovatie
o Grootte thuismarkt belangrijk voor schaalvoordelen
o Internationalisatie binnenlandse vraag
4