Persoonlijkheidsstoornissen
1. Persoonlijkheid
- Geheel van blijvende eigenschappen, zoals blijkt uit gedrag in uiteenlopende
omstandigheden.
- Aanwezig vanaf adolescentie.
- Belang:
Kwetsbaarheidsfactor voor andere psychiatrische stoornissen.
o Vb. perfectionisme is kwetsbaar voor een eetstoornis.
Pathoplastische factor (‘vormgevend aan de symptomen’)
o In een stresssituaties komen de symptomen meer op de voorgrond.
Invloed op prognose en hulpzoekgedrag
- Persoonliijkheidstypes
Individuele appreciatie
o De ene persoon vindt die eerlijk terwijl de andere het arrogant vindt.
wetenschappelijke criteria Clusters van ‘traits’ of ‘trekken’: dimensies
o Voorbeeld TCI = temperament karakter vragenlijst.
- Basis van persoonlijkheid is de interactie tussen:
Erfelijke factoren (‘nature’).
Ervaringen tijdens kindertijd en adolescentie (‘nurture’).
2. Persoonlijkheidsstoornis
- Definities veronderstellen persisterende aanwezigheid vanaf adolescentie.
Maar: blijvende persoonlijkheidsverandering ook mogelijk na hersentrauma (CVA),
ernstige psychiatrische ziekte (schizofrenie) of zeer ernstige psychotraumatische
ervaringen (foltering).
- Waarom zo belangrijk?
Persoonlijkheid = dynamische organisatie van psychofysiologische systemen die
adaptie aan veranderingen en omgeving bepalen.
Persoonlijkheidsstoornis: grote weerslag op psychosociaal functioneren.
, - Definitie volgens DSM-5
A. Duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen, afwijkend van
verwachtingen binnen de cultuur; zichtbaar op 2 (of meer) volgende terreinen:
o Cognities (waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen, wereld)
o Affectiviteit (intensiteit, labiliteit, adequaatheid van emotionele reacties)
o Interpersoonlijk functioneren
o Impulsbeheersing
B. Duurzaam patroon is star en uit zich op breed terrein van persoonlijk/ sociale
situaties
C. Patroon veroorzaakt lijden of beperkingen (sociaal, professioneel of andere)
D. Patroon is stabiel, duurt lang en begint in adolescentie of vroege volwassenheid
E. Niet toe te schrijven aan andere psychische stoornis
F. Niet gevolg van middel of somatische aandoening
- Diagnose
Diagnose niet gemakkelijk.
Veel psychische en lichamelijke klachten bij persoonlijkheidsstoornissen.
Helpende vragen:
o Inhibitie van normaal gedrag?
Zou men normaliter anders gehandeld hebben dan de patiënt.
o Ontbreken van remming op sociaal inadequaat gedrag?
Herhaaldelijke gedragingen die niet passen binnen normale sociale verkeer.
o Heftige, sterk wisselende of inadequate reacties op stressvolle omstandigheden?
Heteroanamnese (van familielid, vriend…) nuttig of noodzakelijk
Als relationeel, werk, hobby’s steeds goed functioneren is er waarschijnlijk geen
persoonlijkheidsstoornis.
Overlap tussen diagnostische criteria:
o 1.2 in algemene populatie, 2.3 in psychiatrische populatie
Ernst van persoonlijkheidsstoornis is afhankelijk van
o De ernst van de symptomen.
o Context of leefsituatie (vb. histrionische actrice).
DSM-5 criteria
Verloop: ontwikkelingsmodel!
Psychodiagnostisch onderzoek, e.g. TCI
1. Persoonlijkheid
- Geheel van blijvende eigenschappen, zoals blijkt uit gedrag in uiteenlopende
omstandigheden.
- Aanwezig vanaf adolescentie.
- Belang:
Kwetsbaarheidsfactor voor andere psychiatrische stoornissen.
o Vb. perfectionisme is kwetsbaar voor een eetstoornis.
Pathoplastische factor (‘vormgevend aan de symptomen’)
o In een stresssituaties komen de symptomen meer op de voorgrond.
Invloed op prognose en hulpzoekgedrag
- Persoonliijkheidstypes
Individuele appreciatie
o De ene persoon vindt die eerlijk terwijl de andere het arrogant vindt.
wetenschappelijke criteria Clusters van ‘traits’ of ‘trekken’: dimensies
o Voorbeeld TCI = temperament karakter vragenlijst.
- Basis van persoonlijkheid is de interactie tussen:
Erfelijke factoren (‘nature’).
Ervaringen tijdens kindertijd en adolescentie (‘nurture’).
2. Persoonlijkheidsstoornis
- Definities veronderstellen persisterende aanwezigheid vanaf adolescentie.
Maar: blijvende persoonlijkheidsverandering ook mogelijk na hersentrauma (CVA),
ernstige psychiatrische ziekte (schizofrenie) of zeer ernstige psychotraumatische
ervaringen (foltering).
- Waarom zo belangrijk?
Persoonlijkheid = dynamische organisatie van psychofysiologische systemen die
adaptie aan veranderingen en omgeving bepalen.
Persoonlijkheidsstoornis: grote weerslag op psychosociaal functioneren.
, - Definitie volgens DSM-5
A. Duurzaam patroon van innerlijke ervaringen en gedragingen, afwijkend van
verwachtingen binnen de cultuur; zichtbaar op 2 (of meer) volgende terreinen:
o Cognities (waarnemen en interpreteren van zichzelf, anderen, wereld)
o Affectiviteit (intensiteit, labiliteit, adequaatheid van emotionele reacties)
o Interpersoonlijk functioneren
o Impulsbeheersing
B. Duurzaam patroon is star en uit zich op breed terrein van persoonlijk/ sociale
situaties
C. Patroon veroorzaakt lijden of beperkingen (sociaal, professioneel of andere)
D. Patroon is stabiel, duurt lang en begint in adolescentie of vroege volwassenheid
E. Niet toe te schrijven aan andere psychische stoornis
F. Niet gevolg van middel of somatische aandoening
- Diagnose
Diagnose niet gemakkelijk.
Veel psychische en lichamelijke klachten bij persoonlijkheidsstoornissen.
Helpende vragen:
o Inhibitie van normaal gedrag?
Zou men normaliter anders gehandeld hebben dan de patiënt.
o Ontbreken van remming op sociaal inadequaat gedrag?
Herhaaldelijke gedragingen die niet passen binnen normale sociale verkeer.
o Heftige, sterk wisselende of inadequate reacties op stressvolle omstandigheden?
Heteroanamnese (van familielid, vriend…) nuttig of noodzakelijk
Als relationeel, werk, hobby’s steeds goed functioneren is er waarschijnlijk geen
persoonlijkheidsstoornis.
Overlap tussen diagnostische criteria:
o 1.2 in algemene populatie, 2.3 in psychiatrische populatie
Ernst van persoonlijkheidsstoornis is afhankelijk van
o De ernst van de symptomen.
o Context of leefsituatie (vb. histrionische actrice).
DSM-5 criteria
Verloop: ontwikkelingsmodel!
Psychodiagnostisch onderzoek, e.g. TCI