• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 21 pages
Summary

Samenvatting Begrippen van geestelijke gezondheidszorg 2025

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 21 pages

Te kennen begrippen voor het deel van geestelijke gezondheidszorg door prof Vancampfort Davy

Content preview

1. Psychodynamische therapie Op zoek naar onderliggende gevoelens, gedachten en motieven.

Hierbij gaat men er vaak van uit dat veel van onze psychische én vaak ook lichamelijke problemen terug te voeren zijn naar

ervaringen uit onze prille kindertijd, zoals een verstoorde hechting tussen ouder en kind.
 Doordat de patiënt zich van deze onbewuste processen bewust wordt, kan deze ermee aan de slag gaan.

2. Cognitieve gedragstherapie Vertrekt van de veronderstelling dat alle gedrag is aangeleerd.
doel: belemmerende gedrags- en gedachtenpatronen geleidelijk aan te vervangen door ‘gezondere’+ stilstaan bij de gedachten,
gevoelens en lichamelijke gewaarwordingen van de patiënt op een bepaald moment.

- Zo leert de patiënt kiezen hij hij/zij met deze gewaarwordingen omgaat, in plaats van er automatisch op
te reageren
- De patiënt probeert gevoelens en gedachten niet altijd te veranderen: men accepteert dat ze er zijn, ook
al zijn ze moeilijk
 vb binnen kinesitherapie: acceptance en commitment therapie (bv leren omgaan met chronische pijn) en mindfulness based
therapie

3. Ervaringsgerichte therapie Het gevoel en de beleving is het uitgangspunt, je kijkt naar wat er vandaag speelt (niet zozeer naar het verleden)
 bv. Gestalttherapie: naast gesprekken ook gewerkt met lichaamsgerichte oefeningen

- Doel: meer bewust worden van wat er precies afspeelt in het lichaam en waarom. (lichamelijke gewaarwording)
Heel wat psychische problemen komen lichamelijk tot uiting in de vorm van lichamelijke vermoeidheid, spierspanning,
spierstijfheid, pijn,...
vb. binnen kine: psychomotorische therapie: patiënten laten stilstaan bij hun lichaam: je biedt ervaringen aan en gaat
hiermee aan de slag

4. Systeemtherapie Uitgangspunt: problemen ontstaan grotendeels door de manier waarop mensen met elkaar in interactie staan.
probleem van één persoon in het gezin wordt gezien als een symptoom van het functioneren van het gezin als geheel.
Stoornissen (vb. een eetstoornis, of een kind dat probleemgedrag vertoont) kunnen een manier zijn om het hele gezin in een,
weliswaar wankel, evenwicht te houden.
Dergelijke therapieën gaan met de relatie of het hele gezin aan de slag.
(bereidwilligheid van gezinsleden (of ander systeem)= noodzakelijk)

5. De ambulante zorgverlening binnen = de zorg die niet in een instelling (vb. psychiatrisch ziekenhuis) verleend wordt.

de geestelijke gezondheidszorg extramuraal (buiten de muren)
geen opname, veelal wonen de patiënten zelfstandig, ze hebben wel op een bepaalde manier zorg nodig.
vb.
-
De centra voor geestelijke gezondheidszorg (consultatiebureaus): men kan hier terecht voor advies, diagnose en

ambulante behandeling
-
De psychiatrische thuiszorg: biedt een intensief (één huisbezoek/week aan één patiënt) hulpaanbod aan psychiatrische

patiënten.

6. De semi- murale zorgverlening = Tussenvoorzieningen

binnen de geestelijke De mensen die hier gebruik van maken wonen niet zelfstandig, maar hoeven ook niet opgenomen te worden of in
verzorgingstehuis te wonen.
gezondheidszorg
opties:
-
Beschermd wonen (zo zelfstandig mogelijk, maar hulp waar nodig)
-
Deeltijd behandeling in een psychiatrische instelling
-
Dagbesteding voor personen met een verstandelijke of lichamelijke beperking: zinvolle dagbesteding en

ondersteuning, geen behandeling
-
Beschutte werkplaatsen
de mensen overnachten niet in de instelling waar ze de zorg krijgen: ze wonen zelfstandig (of deels ondersteund)

7. De intra- murale zorgverlening = zorg die binnen de muren van een instelling verleend wordt. De mensen worden opgenomen in deze instelling en verblijven hier

binnen de geestelijke meerdere nachten.

gezondheidszorg Voorzieningen:
-
De PAAZ of een psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis. 2 functies:

1. SPOED: dringende psychiatrische crisishulpverlening, in nauwe samenwerking met de spoedgevallendienst

2. Liaisonpsychiatrie: psychologische en psychiatrische opvang van patiënten die opgenomen zijn voor een

lichamelijke klacht (in een niet- psychiatrische dienst): psychiatrische begeleiding

=>scheiding tssn de psychiatrie en de rest van de geneeskunde in het algemeen ziekenhuis verkleinen

+zorg voor p met lichamelijke aandoeningen verbeteren
-
Psychiatrische ziekenhuizen: multidisciplinaire en specialistische diagnosestelling en behandeling voor

psychiatrische p
-
Psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT): beschermde collectieve woonvorm die continue begeleiding biedt die

de bewoners moet toelaten hun autonomie te herwinnen
 voor personen met een langdurige en gestabiliseerde psychische stoornis en voor mensen met een

verstandelijke beperking die nood hebben aan continue begeleiding
-
instelling voor personen met een verstandelijke beperking

Parentee- psylos Federatie voor sport en recreatie voor personen met een beperking/ kwetsbaarheid
 Erkende unisportfederatie: Personen met fysieke, visuele, verstandelijke of auditieve handicap+ personen met psychische
kwetsbaarheid




1

, - Recreatief, recreatieve competitie, competitie, topsport
wil mensen met een beperking stimuleren tot een blijvende, sportieve vrijetijdsbesteding op maat en een gezonde levensstijl
+brugfunctie voor doorstroming van p naar het reguliere aanbod.

Similes Vereniging voor gezinsleden met psychiatrische problemen

- begeleiden van personen die er willen zijn voor een naaste die kampt met psychische problemen

- informeren en lotgenoten samenbrengen

- KEI-plan: kijken, empathie tonen en ingrijpen



8. Het biomedische model Mensbeeld:

ZIEKTE De p is een materieel object. Alle lichamen zijn gelijk en men is dus niet uniek.

CURE geen rekening gehouden met: sociologische, psychologische of culturele factoren
het persoonlijke en unieke in het lijden van de p is storend en wordt als ruis opgevat

Concreet:
-
Ziekte= een gebrekkig functioneren van het lichaam
-
Ontegensprekelijke samenhang tussen lichaam en geest: psychische symptomen verklaard vanuit een

somatische afwijking of aandoening
-
Erfelijke factoren spelen een rol
-
Vb. kijken naar stoornissen in CZS, in de neurotransmitterhuishouding

Behandeling:

Vaak medicatie als basis
ook: elektroconvulsies (bv depressie), diepe hersenstimulatie (bv obsessies), of bewegingsinterventies
taak kine= ‘cure’, weinig plaats voor interactie, p is passieve ontvanger

Psychofarmaca Geneesmiddelen die bij psychische problemen of stoornissen gebruikt worden.

Verschillende groepen:
-
Kalmeermiddelen: tranquillizers, sedativa of anxiolytica
-
Slaapmiddelen: hypnotica
-
Antidepressiva
-
Neuroleptica: antipsychotica: vooral deze kunnen belangrijke motorische en metabole nevenwerkingen

hebben (kine kan p helpen hier mee om te gaan)
-
Pijnstillende middelen: analgentica

9. Biopsychosocial model = een holistisch model: er is plek voor psychische, fysische en sociale aspecten.

ZIEK ZIJN alle aspecten van het leven hebben een invloed en moeten as een geheel bekeken worden om uitspraak te doen over ziekte en
gezondheid
CARE
Life-span perspectief: eigenschappen van de persoon moeten benaderd worden met respect voor de vroegere, huidige en

waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling.

Mensbeeld:
-
Respect voor de eigenheid van de patiënt.
-
De volgende aspecten staan centraal:

Wat heeft de persoon?

Wat doet de persoon?

Hoe denkt de persoon?
-
De klacht “klagen” begrijpen.
Taak kine: je kijkt naar alle factoren en hun relatief belang.
-
Aandacht voor de invloed van het probleem op de subjectieve levenskwaliteit van de p.
-
Aandacht voor directe omgeving: gezin, werk, vrije tijd
-
Nadruk op optimaliseren levenskwaliteit
-
P staat centraal!

10. Meerdimensionaal belasting en Gezondheid= evenwicht tussen belasting en belastbaarheid

belastbaarheidsmodel <->Ziekte= onevenwicht tussen belasting en belastbaarheid.
De kinesitherapiebehandeling moet rekening houden met alle belastbare factoren (lichamelijke, psychische en sociale) en de
belastbaarheid van de patiënt
Het belang van de persoon in zijn geheel in een model!

11. Psychomotorische therapie = Een behandelvorm die de lichamelijkheid en het bewegen als aanknopingspunten van haar benadering neemt
 Bewegingsgericht: in de sportzaal (in beweging komen)
 Lichaamsgericht: ademhalingsoefeningen
-
Vaardigheids- en ervaringsgericht

Ervaring: leren omgaan met moeilijke situaties, experimenteren met gedragsvormen, sociale

interactiepatronen, communicatie
uit comfort zone stappen om te leren en te groeien

Vaardigheidsgericht: sociale v, cognitieve v, emotionele v,




2

, motorische v
-
Vanuit een holistische visie: lichaam en geest staan in interactie
-
Bewegen en lichaam in de meest ruime zin
-
Integratie van medische, psychologische, pedagogische, kinesiologische en rehabilitatieve componenten (via beweging en

lichamelijkheid)

12. De eudaimomische kwaliteit van Je potentieel en zelfvoldoening bereiken. Bv. kennis opdoen

leven ’Aristoteles’
Maslow’s Hiërarchie van noden:
-
Mensen hebben meer nodig dan pleziermomenten om welzijn te bereiken
-
Mensen moeten zich veilig en geliefd voelen + de mogelijkheid hebben tot zelf- improvement

13. Hedonistische kwaliteit van het Zoveel mogelijk plezier beleven als mogelijk en pijnlijke ervaringen vermijden.

leven zo vaak mogelijk leuke dingen doen en zo weinig mogelijk stomme dingen
°Aristippus
draagt niet noodzakelijk bij aan algemeen welzijn van de persoon

14. Het hiërarchisch model van het Zelfconcept= en complex en belangrijk concept binnen de GGZ

zelfconcept complex vermits er verschillende termen zijn:
-
Self-esteem: general feelings of self- worth or self- value
-
Self-efficacy: belief in one’s capacity to succeed at tasks: general/specific
-
Self-concept: self description of abilities, activities, qualities, personal philosophies, morals and values,… and roles

adopted by the self

Belangrijk concept vermits:

Veel chronische lichamelijke en geestelijke aandoeningen gaan gepaard met een verlaagd zelfwaardegevoel.
Eigen oorzaak van falen (interne attributie) <->externe oorzaak van succes (externe attributie)

hiërarchisch model:

1. Top: het globale zelfconcept (algemene zelfwaardering)

2. Volgende niveau: academische zelfconcept (intellectueel) en niet academische zelfconcept (sociaal, fysiek en

emotioneel)

3. Specifieke subdomeinen bv. wisk, taal, vrienden, uiterlijk, lichaamsbeleving

4. Basis: eigenlijke gedrag

lagere gebieden= meer situatie specifiek
specifieke subdomeinen zijn makkelijker rechtstreeks te beïnvloeden dan het globale zelfconcept (beïnvloeding van onder naar
boven)
met toenemende leeftijd en ervaring neemt de differentiatie van het zelfbeeld toe
 Zelfconcept= steeds in ontwikkeling (veranderd doorheen het leven)

15. de lichaamsbeleving = een integratie van visuele en tactiele (exteroceptieve) informatie en perceptie en interpretatie van signalen die van binnen uit

het lichaam komen

Onderdelen:

1. subjectieve ervaringen van lichaamsfuncties (zowel affectief als emotioneel)

2. cognities: gedachten en denkstijlen

3. perceptie: visueel- ruimtelijk, sensorische gewaarwording

verstoorde lichaamsbeleving:

belangrijk aspect in behandeling van eetstoornissen: subjectieve lichaamsbeleving meten adhv LAV (lichaamsattitusevragenlijst)
-
altijd: negatieve reacties, op een feitelijk of in beleving veranderde constitutie of lichaamsfunctie+ schaamte,

verlegenheid, schuldgevoel, walging
-
oorzaken: pathofysiologie, situaties en gebeurtenissen

16. SF-36 gezondheidstoestand Multidimensioneel meetinstrument dat peilt naar uw standpunt tav uw gezondheid.
 Doelgroep: Volwassenen
vragenlijst
 Doel: bijhouden hoe men zich voelt en hoe goed men in staat is om gebruikelijke bezigheden uit te voeren

(belemmering van fysieke en/ of emotionele beperkingen?)
 Antwoordtype: 36 gesloten vragen waarin beperkingen in het functioneren dan wel cognities over

gezondheid worden uitgevraagd.
-
Bv. goed, zeer goed, matig, slecht,…
 Scoring: vragen worden per subschaal opgeteld en omgerekend via een algoritme tot een score van 0 tot

100. Hogere score  beter niveau van functioneren.
 Psychometrische gegevens: test-hertest betrouwbaarheid is goed.
 Dimensies:
-
Fysiek functioneren
-
Sociaal functioneren
-
Rolbeperkingen door fysiek problemen




3

Table of contents

  1. 01 Mentaal contrasteren 4
  2. 02 21 4
  3. 03 Op zoek naar onderliggende gevoelens, gedachten en motieven. 1
  4. 04 Hierbij gaat men er vaak van uit dat veel van onze psychische én vaak ook lichamelijke problemen terug te voeren zijn naar ervaringen uit onze prille kindertijd, zoals een verstoorde hechting tussen ouder en kind. 1
  5. 05  Doordat de patiënt zich van deze onbewuste processen bewust wordt, kan deze ermee aan de slag gaan. 1
  6. 06 Vertrekt van de veronderstelling dat alle gedrag is aangeleerd. 1
  7. 07 doel: belemmerende gedrags- en gedachtenpatronen geleidelijk aan te vervangen door ‘gezondere’+ stilstaan bij de gedachten, gevoelens en lichamelijke gewaarwordingen van de patiënt op een bepaald moment. 1
  8. 08  vb binnen kinesitherapie: acceptance en commitment therapie (bv leren omgaan met chronische pijn) en mindfulness based therapie 1
  9. 09 Het gevoel en de beleving is het uitgangspunt, je kijkt naar wat er vandaag speelt (niet zozeer naar het verleden) 1
  10. 10  bv. Gestalttherapie: naast gesprekken ook gewerkt met lichaamsgerichte oefeningen 1
  11. 11 Doel: meer bewust worden van wat er precies afspeelt in het lichaam en waarom. (lichamelijke gewaarwording) 1
  12. 12 Heel wat psychische problemen komen lichamelijk tot uiting in de vorm van lichamelijke vermoeidheid, spierspanning, spierstijfheid, pijn,... 1
  13. 13 vb. binnen kine: psychomotorische therapie: patiënten laten stilstaan bij hun lichaam: je biedt ervaringen aan en gaat hiermee aan de slag 1
  14. 14 Uitgangspunt: problemen ontstaan grotendeels door de manier waarop mensen met elkaar in interactie staan. 1
  15. 15 probleem van één persoon in het gezin wordt gezien als een symptoom van het functioneren van het gezin als geheel. Stoornissen (vb. een eetstoornis, of een kind dat probleemgedrag vertoont) kunnen een manier zijn om het hele gezin in een, weliswaar wankel, evenwicht te houden. 1
  16. 16 Dergelijke therapieën gaan met de relatie of het hele gezin aan de slag. 1
  17. 17 (bereidwilligheid van gezinsleden (of ander systeem)= noodzakelijk) 1
  18. 18 = de zorg die niet in een instelling (vb. psychiatrisch ziekenhuis) verleend wordt. 1
  19. 19 extramuraal (buiten de muren) 1
  20. 20 geen opname, veelal wonen de patiënten zelfstandig, ze hebben wel op een bepaalde manier zorg nodig. 1
  21. 21 vb. 1
  22. 22 = Tussenvoorzieningen 1
  23. 23 De mensen die hier gebruik van maken wonen niet zelfstandig, maar hoeven ook niet opgenomen te worden of in verzorgingstehuis te wonen. 1
  24. 24 opties: 1
  25. 25 de mensen overnachten niet in de instelling waar ze de zorg krijgen: ze wonen zelfstandig (of deels ondersteund) 1
  26. 26 = zorg die binnen de muren van een instelling verleend wordt. De mensen worden opgenomen in deze instelling en verblijven hier meerdere nachten. 1
  27. 27 Voorzieningen: 1
  28. 28 Parentee- psylos 1
  29. 29 Federatie voor sport en recreatie voor personen met een beperking/ kwetsbaarheid 1
  30. 30  Erkende unisportfederatie: Personen met fysieke, visuele, verstandelijke of auditieve handicap+ personen met psychische kwetsbaarheid 1
  31. 31 wil mensen met een beperking stimuleren tot een blijvende, sportieve vrijetijdsbesteding op maat en een gezonde levensstijl +brugfunctie voor doorstroming van p naar het reguliere aanbod. 2
  32. 32 Similes 2
  33. 33 Vereniging voor gezinsleden met psychiatrische problemen 2
  34. 34 Mensbeeld: 2
  35. 35 De p is een materieel object. Alle lichamen zijn gelijk en men is dus niet uniek. 2
  36. 36 geen rekening gehouden met: sociologische, psychologische of culturele factoren 2
  37. 37 het persoonlijke en unieke in het lijden van de p is storend en wordt als ruis opgevat 2
  38. 38 Concreet: 2
  39. 39 Behandeling: 2
  40. 40 Vaak medicatie als basis 2
  41. 41 ook: elektroconvulsies (bv depressie), diepe hersenstimulatie (bv obsessies), of bewegingsinterventies 2
  42. 42 taak kine= ‘cure’, weinig plaats voor interactie, p is passieve ontvanger 2
  43. 43 Psychofarmaca 2
  44. 44 Geneesmiddelen die bij psychische problemen of stoornissen gebruikt worden. 2
  45. 45 Verschillende groepen: 2
  46. 46 = een holistisch model: er is plek voor psychische, fysische en sociale aspecten. 2
  47. 47 alle aspecten van het leven hebben een invloed en moeten as een geheel bekeken worden om uitspraak te doen over ziekte en gezondheid 2
  48. 48 Life-span perspectief: eigenschappen van de persoon moeten benaderd worden met respect voor de vroegere, huidige en waarschijnlijke toekomstige ontwikkeling. 2
  49. 49 Mensbeeld: 2
  50. 50 Taak kine: je kijkt naar alle factoren en hun relatief belang. 2
  51. 51 Gezondheid= evenwicht tussen belasting en belastbaarheid 2
  52. 52 <->Ziekte= onevenwicht tussen belasting en belastbaarheid. 2
  53. 53 De kinesitherapiebehandeling moet rekening houden met alle belastbare factoren (lichamelijke, psychische en sociale) en de belastbaarheid van de patiënt 2
  54. 54 Het belang van de persoon in zijn geheel in een model! 2
  55. 55 = Een behandelvorm die de lichamelijkheid en het bewegen als aanknopingspunten van haar benadering neemt 2
  56. 56 Je potentieel en zelfvoldoening bereiken. Bv. kennis opdoen 3
  57. 57 ’Aristoteles’ 3
  58. 58 Maslow’s Hiërarchie van noden: 3
  59. 59 Zoveel mogelijk plezier beleven als mogelijk en pijnlijke ervaringen vermijden. 3
  60. 60 zo vaak mogelijk leuke dingen doen en zo weinig mogelijk stomme dingen 3
  61. 61 °Aristippus 3
  62. 62 draagt niet noodzakelijk bij aan algemeen welzijn van de persoon 3
  63. 63 Zelfconcept= en complex en belangrijk concept binnen de GGZ 3
  64. 64 complex vermits er verschillende termen zijn: 3
  65. 65 Belangrijk concept vermits: 3
  66. 66 Veel chronische lichamelijke en geestelijke aandoeningen gaan gepaard met een verlaagd zelfwaardegevoel. 3
  67. 67 Eigen oorzaak van falen (interne attributie) <->externe oorzaak van succes (externe attributie) 3
  68. 68 hiërarchisch model: 3
  69. 69 lagere gebieden= meer situatie specifiek 3
  70. 70 specifieke subdomeinen zijn makkelijker rechtstreeks te beïnvloeden dan het globale zelfconcept (beïnvloeding van onder naar boven) 3
  71. 71 met toenemende leeftijd en ervaring neemt de differentiatie van het zelfbeeld toe 3
  72. 72 = een integratie van visuele en tactiele (exteroceptieve) informatie en perceptie en interpretatie van signalen die van binnen uit het lichaam komen 3
  73. 73 Onderdelen: 3
  74. 74 verstoorde lichaamsbeleving: 3
  75. 75 belangrijk aspect in behandeling van eetstoornissen: subjectieve lichaamsbeleving meten adhv LAV (lichaamsattitusevragenlijst) 3
  76. 76 Multidimensioneel meetinstrument dat peilt naar uw standpunt tav uw gezondheid. 3
  77. 77 = de vormen van motivatie die rechts op het continuüm van de zelfdeterminantietheorie staan. 4
  78. 78 de motivatie komt voort uit jezelf: omdat je iets belangrijk vindt of omdat je het graag doet. 4
  79. 79 aut mot is motivatie van lange duur en is dus belangrijk in gedragsveranderingen 4
  80. 80 Aut mot verhogen als kine3 basisnoden vd patiënt: 4
  81. 81 Gecontroleerde motivatie 4
  82. 82 = de vormen van motivatie die links op het continuüm van de zelfdeterminantietheorie staan 4
  83. 83 er is geen of weini sprake van zelfdeterminantie, gedrag wordt voornamelijk bepaald door factoren die buiten het individu liggen 4
  84. 84 gec mot is op korte duur effectief, maar niet op lange termijn 4
  85. 85 Beweegnorm 4
  86. 86 Volwassenen: 4
  87. 87 hoge intensiteit: 75min/week + 2x/week spier- en botversterkende activiteiten 4
  88. 88 matige intensiteit: 150 min/week 4
  89. 89 licht intensief: bij voorkeur de hele dag door 4
  90. 90 sedentair gedrag: mentaal actief of mentaal passief (emotioneel een verschil, maar beide fysiek slecht) 4
  91. 91 Kinderen: 4
  92. 92 hoe jonger, hoe meer beweging nodig 4
  93. 93 1uur/dag matig intensief bewegen + 3x/ week spier- en botversterkende activiteiten 4
  94. 94 5-A model 4
  95. 95 Faciliteren van een actieve levensstijl bij personen met een motivatieprobleem 4
  96. 96 WOOP 4
  97. 97 = De wijze waarop je omgaat met de moeilijkheden en uitdagingen die je tegenkomt. 4
  98. 98 Probleemoplossende coping: 4
  99. 99 = zinvol wanneer de stressoren in belangrijke mate beïnvloed of gecontroleerd kunnen worden 4
  100. 100 emotiegerichte copingstrategie: 5
  101. 101 als stressoren oncontroleerbaar zijn 5
  102. 102 Ongezonde, inadequate coping: 5
  103. 103 Negatieve manier van omgaan met problemen 5
  104. 104 =een zelfregulatietechniek waarbij je het doel bekijkt en de mogelijke obstakels om dat doel te bereiken. 5
  105. 105 = de reactie op de stress uitgelokt door de stressor 5
  106. 106 Individueel afhankelijk: een bepaalde stressor kan bij persoon A tot een uitgesproken stressreactie leiden, terwijl diezelfde stressor bij persoon B geen stressrespons zal teweeg brengen. 5
  107. 107 De intensiteit= afh van: 5
  108. 108 De stressrespons vindt plaats op 2 niveaus: 5
  109. 109 Herstel: 5
  110. 110 Na stressrespons moet lichaam herstellen 5
  111. 111 Leren om spierspanningen gevoeliger waar te nemen door het opspannen en ontspannen van spiergroepen (= vorm van fysiologische introspectie) 5
  112. 112 Werkwijze: 5
  113. 113 • Door lichamelijke ontspanning komt men ook psychisch meer tot rust. 5
  114. 114 • In progressieve relaxatie worden geen suggesties gegeven voor succes, zwaarte, warmte, ontspanning etc. 5
  115. 115 • Er zijn geen contra-indicaties tenzij voor patiënten met musculoskeletale aandoeningen die de oefeningen niet kunnen uitvoeren. 5
  116. 116 Geluksdriehoek 5
  117. 117 Het deel van je geluk dat je zelf in handen hebt. 5
  118. 118 bouwblokken: 5
  119. 119 Aan elke blok zijn 3 vragen gekoppeld die je aanzetten tot nadenken 5
  120. 120 = een ontspanningsmethode voor lichaam en geest v 6
  121. 121 ontwikkeld door Schultz: 6
  122. 122 Liet zich inspireren door het feit dat (auto)hypnose vaak spontaan gepaard gaat met gevoel van warmte en zwaarte in de ledematen + mensen gaven aan zich onder hypnose mentaal rustiger te kunnen voelen. 6
  123. 123 Meestal 6 oefeningen (men dient op voorhand ‘helemaal rustig’ te zijn: 6
  124. 124 Eerst 1 onder de knie hebben, vooraleer overgang naar 2,… 6
  125. 125 Mindfulness 6
  126. 126 = een manier van aandacht schenken aan jezelf en je eigen lichaam: bewust, in het huidige moment, en met een niet-oordelende attitude. Twee centrale elementen: 6
  127. 127 De nacht kan worden onderverdeeld 4- 5 slaapperiodes (cyclussen) die elkaar opvolgen. 6
  128. 128 Elke slaapperiode/ cyclus bestaat uit 2 stadia: 6
  129. 129 Als alle stadia zijn doorlopen begint de slaapcyclus opnieuw van vooraf aan 7
  130. 130 =een patroon van overmatige slaperigheid tijdens de dag dat gedurende een maand of langer aanhoudt. 7
  131. 131 Primair: vermits er geen andere verklaring voor is zoals onvoldoende nachtrust, een andere psychische of lichamelijke aandoening of het gebruik van middelen. 7
  132. 132 Primaire insomnia 7
  133. 133 = Chronische slapeloosheid die niet door een andere psychologische of lichamelijke aandoening of door de effecten van middelen kan worden verklaard. 7
  134. 134 ‘narke’= bedwelming, ‘lepsis’= aanval 7
  135. 135 Aanvallen waarbij men plotseling zonder waarschuwing op verschillende tijdstippen gedurende de dag in slaap kan vallen. 7
  136. 136 Diagnose- stelling wanneer: dagelijkse slaapaanvallen gedurende een periode van minstens drie maanden+ aanwezigheid van één of beide van de volgende aandoeningen: 7
  137. 137 ademhalingsproblemen tgv een blokkade van de luchtstroom in de bovenste luchtwegen 7
  138. 138 Veel mensen met apneu zijn de volgende dag slaperig, doordat de normale slaap tijdens de nacht daarvoor zo vaak is verstoord. Deze slaperigheid bemoeilijkt het functioneren. 7
  139. 139 De meeste lichaamsfuncties volgen een cyclus of een intern ritme (= circadiaans ritme), met een duur van ongeveer 24 uur. 7
  140. 140 Slaapstoornissen gebonden aan de circadiaanse ritmiek: 7
  141. 141 ritme raakt ernstig verstoord doordat de tijden van het slaapschema dat aan de betrokkene wordt opgelegd, niet met zijn interne slaap-waakcyclus overeenkomen. 7
  142. 142 Voor het inventariseren van slaapproblemen (kan eventueel digitaal via een app of slaaptracker) 7
  143. 143 Nagaan of je interventie effect heeft op de slaapkwaliteit: 8
  144. 144 burn- out 8
  145. 145 = “opgebrand zijn” 8
  146. 146 =Een syndroom v emotionele uitputting, depersonalisatie en verminderde persoonlijke bekwaamheid dat kan voorkomen bij diegenen die beroepsmatig met andere mensen werken 8
  147. 147 SOLK 8
  148. 148 = somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten 8
  149. 149 Klachten: 8
  150. 150 ernstige SOLK: 8
  151. 151 Voorbeschikkende factoren= factoren die al aanwezig zijn en de kans op het ontwikkelen van SOLK vergroten. 9
  152. 152 Diepgaande exploratie van de klachten: 9
  153. 153 Hiermee kan de p zelf aangeven welke beperkingen agv de klacht voor hem het belangrijkste zijn en aan welke hij wil werken. 9
  154. 154 Het uitgangspunt van dit verklaringsmodel is dat voorgaande (herhaalde) prikkels van pijn en andere symptomen in het verleden het centrale zenuwstelsel gevoeliger maken voor deze prikkels. Hierbij spelen ook psychologische processen een rol. Sensitisatie kan ertoe leiden dat normale lichamelijke processen worden ervaren als symptomen. 9
  155. 155 Een relatief nieuw model voor SOLK is het predictive coding model. Klassieke modellen nemen aan dat lichamelijke klachten hun oorsprong hebben in een proces in het lichaam dat door de hersenen wordt waargenomen. Het predictive coding model gaat ervan uit dat waarnemingen ook beïnvloed worden door voorafgaande ervaringen met lichamelijke klachten die in de hersenen zijn opgeslagen en als impliciete voorspellingen worden vooruitgestuurd. De uiteindelijke waarneming weerspiegelt een bepaalde verhouding tussen signalen uit het lichaam en de voorspellingen die de hersenen uitsturen. Als lichamelijke signalen onduidelijk zijn en de voorspellingen sterk, dan zal de waarneming van klachten meer gebaseerd zijn op de ervaringen zoals opgeslagen in de hersenen dan op signalen uit 9
  156. 156 het lichaam. 9
  157. 157 De eerste-stapinterventie is afhankelijk van de aard van de klachten en de in kaart gebrachte 9
  158. 158 instandhoudende factoren. De kinesitherapeut en patiënt kunnen vaak kiezen welke instandhoudende factor(en) zij in eerste instantie gaan aanpakken. Daarbij bepalen ze hoeveel en welke ondersteuning de patiënt daarbij nodig heeft. Overeenstemming over de instandhoudende factoren is de basis voor de interventie. Het repertoire van eerste-stapinterventies is breed en gevarieerd: wandelschoenen kopen en een vast wandelrondje per dag lopen, sociale activiteiten weer opbouwen (2 x per week met vrienden afspreken, geen dutje na het eten), een vast piekerkwartier per dag, yogales nemen, de oude 9
  159. 159 rugoefeningen driemaal daags doen, enz.). Wanneer er sprake is van angst voor toename van de klachten en de patiënt om die reden inspanning vermijdt, dan is het beter om de activiteiten op vaste tijdstippen op te bouwen en niet op geleide van de klachten (zie graded activity). Hierdoor ontstaat een vast ritme, waardoor de activerende interventie tot een gewoonte wordt, die stapsgewijs uitgebreid kan worden. Wanneer er sprake is van doorgaan ondanks de klachten en negeren van tekenen van overbelasting, dan is het belangrijk om de patiënt te leren om tekenen van overbelasting tijdig te herkennen en op basis daarvan rust te nemen of over te gaan op een andere activiteit. Het opbouwen van activiteiten vindt pas plaats nadat een basisniveau is gerealiseerd (zie pacing). Naast activiteit kan je ook aandacht hebben voor stressmanagement, ontspanningsoefeningen en aandacht voor slaaphygiëne. 9
  160. 160 Activiteiten die chronische pijn of andere klachten veroorzaken zullen tijdens het herstel stapsgewijs terug opgenomen worden. Wanneer de pijn of klachten chronisch aanwezig blijven en geen alarmfunctie meer hebben dan kan een patiënt op twee manieren reageren. Enerzijds kan deze inzien dat bij chronische pijn of klachten de dreiging laag is. De patiënt zal geleidelijk meer actief worden en andere doelen kunnen prioritiseren dan het wegnemen van de pijn of klachten, denk hierbij aan bijvoorbeeld focus op de verschillende functies zoals hoger beschreven die bijdragen aan het herstel. Echter wanneer de chronische pijn of klachten wel als bedreigend worden ervaren zal de prioriteit controle krijgen over de pijn en klachten zijn. De catastrofale gedachte dat bijvoorbeeld chronische pijn een bedreiging is leidt tot een vicieuze cirkel van pijngerelateerde angst en vandaaruit defensieve gedragingen om de pijn te vermijden of men wordt net hypervigiliant en is altijd waakzaam om de pijn 9
  161. 161 niet te triggeren. Hoewel deze respons op korte termijn adaptief is, kan het leiden tot een negatief affect en tot een vicieuze cirkel van vrees en vermijding. Dit leidt dan weer tot deconditionering, meer invaliditeit en een negatieve gemoedstoestand die de vermijding nog kunnen versterken. De patiënt dient uitgelegd te worden dat in plaats van activiteiten te vermijden, deze zich stapsgewijs terug zal moeten blootstellen aan activiteiten om de vicieuze cirkel te doorbreken. 10
  162. 162 Symptomen van ondervoeding, reacties van anderen 10
  163. 163 Anorexia nervosa 10
  164. 164 Boulimia nervosa 10
  165. 165 Samenspel tussen: 10
  166. 166 Hoe korter deze vier lenzen bijeen hoe minder uitgesproken de problemen, en hoe verder deze lenzen van elkaar zijn hoe erger de problematiek 10
  167. 167 Spiegels maken personen met een eetstoornis zelfbewuster en kritischer 10
  168. 168 doelen: 11
  169. 169 wetenschappelijk bewijs: 11
  170. 170 Veilig kader: 11
  171. 171 Patiënten worden uitgenodigd om de oefening in ondergoed te doen Verschillende onderdelen: 11
  172. 172 = Milde, nieuwsgierige, niet beoordelende maar vooral respectvolle manier 11
  173. 173 Gedoseerde FA 11
  174. 174 OZ toont aan dat: 11
  175. 175 - medisch onderzoek voor starten met FA- programma= noodzakelijk! 11
  176. 176 Verbetering van de houding bij p met AN 11
  177. 177 Als gevolg van langduring ondergewicht, hebben patiënten met AN vaak een sterk verminderde botdichtheid 11
  178. 178 Zeker tijdens het gewichtsherstel moet hieraan aandacht worden besteed: 11
  179. 179 Psychosociale bijverschijnselen van fysieke inactiviteit en obesitas 12
  180. 180 Valt binnen het biopsychosociaal model voor schizofrenie: 12
  181. 181 Intensiteit: 12
  182. 182 Dyskinesie 13
  183. 183 Onwillekeurige, hortende, onvolledige, repetitieve en doelloze bewegingen of kortdurende abnormale standen van de spieren van de ogen, het gelaat, de nek en de hals. 13
  184. 184 Acathisie 13
  185. 185 Subjectieve klacht van rusteloosheid die kan gepaard gaan met objectiveerbare bewegingen 13
  186. 186 Dystonie 13
  187. 187 Abnormale houdingen of spasmen van de spieren van het hoofd, de hals, ledematen of romp. 13
  188. 188 = een ziekte die het midden houdt tussen de ziekte van Alzheimer en de ziekte van Parkinson. 13
  189. 189 Symptomen: 13
  190. 190 urinaire incontinentie met frequent opstaan om te wateren, … 14
  191. 191 Vaardigheden en processen van zelfregulatie 14
  192. 192 Factoren die kunnen bijdragen tot psychische problemen bij mensen met verstandelijke beperking 14
  193. 193 Down- syndroom 14
  194. 194 Uitingen: 14
  195. 195 3 types: 15
  196. 196 Zeer grote verschillen tussen personen met het syndroom van Down, van zeer licht tot ernstig. 15
  197. 197 Echt zelfstandig leven is, op enkele uitzonderingen na, evenwel uitgesloten. 15
  198. 198 Aangepaste bewegingsactiviteiten en sport bij Down- syndroom 15
  199. 199 G-sport vlaanderen 15
  200. 200 = Erkende unisportfederatie 15
  201. 201 Personen met fysieke, visuele, verstandelijke en auditieve handicap, psychische kwetsbaarheid en chronische aandoeningen 15
  202. 202 S-sport 15
  203. 203 = Erkende multisportfederatie 15
  204. 204 Sporters met verstandelijke, visuele, fysieke en auditieve beperking 15
  205. 205 Special olympics belgium 16
  206. 206 Moev 16
  207. 207 Organiseren naschoolse sport -en bewegingsactiviteiten 16
  208. 208 Special olympics 16
  209. 209 67. Healthy athletes program (Special Olympics) 16
  210. 210 Peilt naar de gezondheid en fysieke conditie van de atleten. 16
  211. 211 Objectieven zijn: 16
  212. 212 Vijf programma’s aangeboden (tijdens nationale special olympics): 16
  213. 213 Vasculaire dementie 16
  214. 214 = een relatief frequente vorm die het gevolg is van een gebrekkige doorbloeding. 16
  215. 215 Symptomen: 16
  216. 216 = afhankelijk van het gebied in de hersenen dat beschadigd is, en kunnen dus voor iedere persoon verschillen. 16
  217. 217 Hoe omgaan met iemand met dementie 16
  218. 218 Stadia van gedragsverandering 16
  219. 219 Gedragsverandering: 16
  220. 220 Communicatie: 16
  221. 221 Vergeetachtigheid: 16
  222. 222 Structuur: 17
  223. 223 Passiviteit voorkomen: 17
  224. 224 Qualidem 17
  225. 225 = een meetinstrument voor de kwaliteit van leven van mensen met dementie in verpleeg- en verzorgingshuizen 17
  226. 226 Het bestaat uit negen verschillende sub-schalen: 17
  227. 227 Om het aanpassingsproces te bevorderen: 17
  228. 228 Adaptieve opgaven: 17
  229. 229 Coping : 17
  230. 230 = de manier waarop iemand omgaat met de stress die gepaard gaat met de adaptieve opgaven (het aanpassingsproces); m.a.w. omgaan met de stress ten gevolge van de dementie. 17
  231. 231 Procedure: 17
  232. 232 Benodigdheden: 18
  233. 233 Procedure: 18
  234. 234 ALTIJD in de directe nabijheid van de p blijven! 18
  235. 235 = een klinisch instrument dat gebruikt kan worden om het dynamisch evenwicht van de oudere na te gaan. 18
  236. 236 Procedure: 18
  237. 237 Gekeken naar: 18
  238. 238 Evenwicht 18
  239. 239 Stappen 18
  240. 240 Four balance scale test 19
  241. 241 Procedure: 19
  242. 242 Vraag aan de oudere om elk van de 4 posities van de Four Test Balance Scale gedurende 10 seconden aan te nemen. 19
  243. 243 Voor de 4de positie (unipodale stand) mag de oudere kiezen op welk been hij zal staan. 19
  244. 244 Aandachtspunten: 19
  245. 245 De test= pos van zodra men één van de 4 posities geen 10 seconden kan aannemen 19
  246. 246 DCD 19
  247. 247 = Developmental Coordination Disorder (DCD) 19
  248. 248 Stoornis: Meer dan alleen onhandigheid, Hardnekkig, Persisterend karakter, Beperkte evolutie 19
  249. 249 Diagnostische criteria (DSM-5) 19
  250. 250 Neurodevelopment disorder 19
  251. 251 = heterogene groep van stoornissen waarbij er verondersteld wordt dat er sprake is van een atypische/abnormale neurologische ontwikkeling, maar waarvan de exacte oorzaak niet gekend of complex is 19
  252. 252 Er is een range van ontwikkelingsproblemen, die varieren van specifiek tot meer globaal: 19
  253. 253 Gemeenschappelijke kenmerken: 19
  254. 254 problemen 20
  255. 255 Impact van DCD 20
  256. 256 Lichamelijk domein 20
  257. 257 Sociaal domein 20
  258. 258 Emotioneel domein 20
  259. 259 School 20
  260. 260 Activity deficit hypothesis 20
  261. 261 Elaborated environmental stress hypothesis 20
  262. 262 = een kader dat omschrijft hoe motorische problemen op indirecte wijze internaliserende problemen kunnen veroorzaken via verschillende mediërende psychosociale factoren 21
  263. 263 • Individueel, gestandaardiseerd 21
  264. 264 • Meet algemene lichaamscoördinatie 21
  265. 265 • 6-12j (Nederlandstalige versie); 5-15j (Duitse versie) 21
  266. 266 • Vier onderdelen: 21
  267. 267 (1) achterwaarts evenwicht over drie evenwichtsbalken met verschillende breedte 21
  268. 268 (2) het zich zo snel mogelijk zijwaarts verplaatsen met behulp van twee plankjes 21
  269. 269 (3) zijwaarts heen en weer springen over een lat 21
  270. 270 (4) hinkelen op één been over een steeds hoger wordende hindernis 21
  271. 271 6 stappen v/h vaardigheidsperspectief 21
  272. 272 MATCH principes 21
  273. 273 ABCDEFW-schema 21
  274. 274 Blokmetafoor 21
  275. 275 De blokmetafoor ziet obstakels in herstel als bouwblokken die één voor één kunnen worden aangepakt om vooruitgang te boeken. 21

Document information

Study
Uploaded on
June 2, 2025
Number of pages
21
Written in
2024/2025
Type
Summary
$12.64

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
Blokker
3.3
(3)
Sold
59
Followers
2
Items
21
Last sold
2 weeks ago




Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions