Taalregels taalvaardigheid blok 2
A. Werkwoordspelling
2 stappen:
- Probleem vaststellen (vorm herkennen)
- Probleem oplossen (regel toepassen)
Eerst de vorm Herkennen (luisteren)
1 pv tt 2 pv vt 3 vtdw 4 bijv nw
Dan de regel Toepassen (spellen)
Stam + t Stam + te(n)/de(n) (ge)+stam + t/d Zo kort mogelijk
Tkfschp ja/nee Tkfschp ja/nee
Uitzondering regel 1: geen extra -t
- Bij ik: ik land
- Als jij erachter: land jij?
- Als je erachter en als je=jij: land je? Landt je broer?
Opletten bij regel 2 en 3:
Werkwoorden op -ven en -zen hebben een stam op -v en -z!
Ze krijgen volgens “tkfschip” dus -de in de verleden tijd en -d in het volt. Dw.
- Hij verhuisde/ hij is verhuisd
Regel 4: ‘zo kort mogelijk’ betekent:
Schrijf met een enkele d of t als je het kunt uitspreken
Kun je het niet goed uitspreken, kies dan voor verdubbeling
- Het gelande vliegtuig
- De gezette koffie
Let op bij sterke werkwoorden (werkwoorden met klinkerverandering).
Die hebben altijd een -n: die -n blijft:
- De race is gelopen – de gelopen race
- De race is gereden – de gereden race
1 pv tt – 2 pv vt (..e) – 3 vtdw (ge….) – 4 bijv nw. (ge…e)
‘Moeilijke’ werkwoorden: 1 klinkt als 3, 2 klinkt als 4
‘Moeilijke’ werkwoorden: ontleed of vervang
Ontleed:
1 pv tt 2 pv vt 3 vtdw 4 bijv nw
Je kunt de vorm in Je kunt de vorm in De vorm gaat vaak De vorm past tussen
dezelfde zin op dezelfde zin op samen met een een lidwoord en een
dezelfde plaats in dezelfde plaats in vorm van hebben, zelfs. Naamw: ‘de
een andere tijd een andere tijd zijn of worden. betaalde rekening’
zetten. zetten.
A. Werkwoordspelling
2 stappen:
- Probleem vaststellen (vorm herkennen)
- Probleem oplossen (regel toepassen)
Eerst de vorm Herkennen (luisteren)
1 pv tt 2 pv vt 3 vtdw 4 bijv nw
Dan de regel Toepassen (spellen)
Stam + t Stam + te(n)/de(n) (ge)+stam + t/d Zo kort mogelijk
Tkfschp ja/nee Tkfschp ja/nee
Uitzondering regel 1: geen extra -t
- Bij ik: ik land
- Als jij erachter: land jij?
- Als je erachter en als je=jij: land je? Landt je broer?
Opletten bij regel 2 en 3:
Werkwoorden op -ven en -zen hebben een stam op -v en -z!
Ze krijgen volgens “tkfschip” dus -de in de verleden tijd en -d in het volt. Dw.
- Hij verhuisde/ hij is verhuisd
Regel 4: ‘zo kort mogelijk’ betekent:
Schrijf met een enkele d of t als je het kunt uitspreken
Kun je het niet goed uitspreken, kies dan voor verdubbeling
- Het gelande vliegtuig
- De gezette koffie
Let op bij sterke werkwoorden (werkwoorden met klinkerverandering).
Die hebben altijd een -n: die -n blijft:
- De race is gelopen – de gelopen race
- De race is gereden – de gereden race
1 pv tt – 2 pv vt (..e) – 3 vtdw (ge….) – 4 bijv nw. (ge…e)
‘Moeilijke’ werkwoorden: 1 klinkt als 3, 2 klinkt als 4
‘Moeilijke’ werkwoorden: ontleed of vervang
Ontleed:
1 pv tt 2 pv vt 3 vtdw 4 bijv nw
Je kunt de vorm in Je kunt de vorm in De vorm gaat vaak De vorm past tussen
dezelfde zin op dezelfde zin op samen met een een lidwoord en een
dezelfde plaats in dezelfde plaats in vorm van hebben, zelfs. Naamw: ‘de
een andere tijd een andere tijd zijn of worden. betaalde rekening’
zetten. zetten.