KIJKEN NAAR LEERLINGEN
DEEL 1: De beginsitua7e
1. De beginsitua7e
Differen'a'e = de manier waarop een leerkracht omgaat met de verschillen tussen leerlingen in de klas.
Hiervoor moet je de verschillen gaan observeren en de beginsitua:e in kaart brengen.
- Elke leerling is uniek à kinderen verschillen
- Handelen van leerkracht en leeromgeving à voortdurend afstemmen op wat leerlingen nodig
hebben om te ontwikkelen.
- Omgeving scheppen waarin leerling volop kansen krijgt
2. het belang van de beginsitua7e
Begeleiden van leerprocessen = de leraar zorgt dat de leerling:
- Zich goed in zijn vel voelt
- Zich competent voelt
- Gemo:veerd is
Weten waar het kind staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert à Daarop verder bouwen
3. Elementen van de beginsitua7e
- Individugerichte focus (beginsitua:e van individuele kind)
o Wat kan en kent de leerling? Waar staat de leerling?
o Wat heeI die nodig (leerlinggerichte kant of leerstofgerichte kant?)
à bepalen van zone van naaste ontwikkeling
- Groepsgerichte focus (beginsitua:e van klasgroep)
DEEL 2: Observeren
1. Waarnemen
Waarnemen = resultaat van (meestal onbewust) subjec:ef selec:eproces
- Selecteren wat je op de voorgrond toelaat
- Meer bewust van nieuwe of opvallende prikkels
à onbewuste selec:e: spontaan op basis van voorkennis of context
à subjec:ef: vanzelfsprekend (voor iemand anders niet vanzelfsprekend terwijl voor jou wel)
,2. Observeren
2.1 Wat is observeren?
Observeren = openstaan, begrijpen, je laten raken en verwonderen wat kinderen beweegt.
à observeren is nooit toevallig, waarnemen wel.
à observeren is een doelgerichte ac:viteit.
à de essen:e van observeren is dat je eerst gegevens verzamelt en nog geen interpreta'es toelaat.
(wat wil je weten? Wanneer? Hoe organiseren? Waar ziNen?)
2.2 Waarom observeert de leraar?
Waarom? Om iets of iemand beter te leren kennen.
- observeren is doelgericht
- de leraar houdt rekening met de overeenkomsten en de verschillen van leerlingen
!à Door goed te observeren kan de leraar effec'ever inspelen op de onderwijsbehoe@en van leerlingen
Observeren heeI enkel zin als je weet wat je ziet à vakinhoudelijke en vakdidac'sche kennis (het
koppelen van theorie aan prak:jk)
Je moet weten hoe te handelen + oprechte nieuwsgierigheid naar hoe de leerling denk nodig.
2.3 soorten observa7e
2.3.1 Par7ciperende observa7e
= observator is zelf betrokken binnen de context van de observa:e (samen spelen…)
Nadeel: de observator kan invloed uitoefenen op het gedrag van het geobserveerde kind.
2.3.2 Niet- par7ciperende observa7e
= de observa:e gaat niet in interac:e met het geobserveerde kind. (onopvallend aanwezig zijn in klas of
speelplaats) ‘filmopname vanop afstand’
2.3.3 Waarnemen, spontane of dagelijkse observa7e
= doorheen de klasdag observeert de leerkracht voortdurend het gedrag, inzet en presta:es van leerlingen.
(gewenst of ongewenste gedragingen) ‘agenda leerkracht’ voor opvolging.
2.3.4 Zelfobserva7e
= pas mogelijk wanneer leerling in staat is zichzelf van op afstand te bekijken. (helicopterview)
, 2.4 Observa7emethodieken
Kwalita'eve observa'e = hierin wordt de inhoud van het gedrag weergegeven.
à beschrijvende observa:e
Kwan'ta'eve observa'e = frequen:e en de mate van voorkomen van gedrag.
à telmethoden en turven
à duurmethode (hoe lang kan iemand zich concentreren?)
à gebruik van beoordelingsschalen (gedrag gekoppeld aan waardeoordeel)
2.5 factoren die het waarnemen en observeren beïnvloeden
2.5.1 de fysiologische toestand van de observator
Fit en fris op observa:e
2.5.2 de persoonlijke voorbereiding door de observator
Wat? Hoe? Wanneer?
2.5.3 de psychologische toestand van de observator
à zelfonderzoek
Ervaring
Een ervaring zal je bewuster maken in het nemen van afstand en zal je bewuster maken van je eigen
referen:ekader.
Ingesteldheid
Verwach:ngspatroon à kleurt de waarneming
- opleNen met generalisa:e (over hele groep iets zien)
- observator zo objec:ef mogelijk opstellen (afstand doen van wat je weet of veronderstelt)
- posi:eve en nega:eve verwach:ngen over presta:es beïnvloeden leerlingen hun gedrag =
PYGMALIONEFFECT (leerling gaat zich gedragen naar verwach:ngen leerkracht)
referen'ekader
- eigen referen:ekader = bril waardoor je kijkt naar de wereld rondom je à kleurt je observa:e
(familie, poli:eke overtuiging, man of vrouw…)
- je gaat op een bepaalde manier observeren (andere zaken op voorgrond)
DEEL 1: De beginsitua7e
1. De beginsitua7e
Differen'a'e = de manier waarop een leerkracht omgaat met de verschillen tussen leerlingen in de klas.
Hiervoor moet je de verschillen gaan observeren en de beginsitua:e in kaart brengen.
- Elke leerling is uniek à kinderen verschillen
- Handelen van leerkracht en leeromgeving à voortdurend afstemmen op wat leerlingen nodig
hebben om te ontwikkelen.
- Omgeving scheppen waarin leerling volop kansen krijgt
2. het belang van de beginsitua7e
Begeleiden van leerprocessen = de leraar zorgt dat de leerling:
- Zich goed in zijn vel voelt
- Zich competent voelt
- Gemo:veerd is
Weten waar het kind staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert à Daarop verder bouwen
3. Elementen van de beginsitua7e
- Individugerichte focus (beginsitua:e van individuele kind)
o Wat kan en kent de leerling? Waar staat de leerling?
o Wat heeI die nodig (leerlinggerichte kant of leerstofgerichte kant?)
à bepalen van zone van naaste ontwikkeling
- Groepsgerichte focus (beginsitua:e van klasgroep)
DEEL 2: Observeren
1. Waarnemen
Waarnemen = resultaat van (meestal onbewust) subjec:ef selec:eproces
- Selecteren wat je op de voorgrond toelaat
- Meer bewust van nieuwe of opvallende prikkels
à onbewuste selec:e: spontaan op basis van voorkennis of context
à subjec:ef: vanzelfsprekend (voor iemand anders niet vanzelfsprekend terwijl voor jou wel)
,2. Observeren
2.1 Wat is observeren?
Observeren = openstaan, begrijpen, je laten raken en verwonderen wat kinderen beweegt.
à observeren is nooit toevallig, waarnemen wel.
à observeren is een doelgerichte ac:viteit.
à de essen:e van observeren is dat je eerst gegevens verzamelt en nog geen interpreta'es toelaat.
(wat wil je weten? Wanneer? Hoe organiseren? Waar ziNen?)
2.2 Waarom observeert de leraar?
Waarom? Om iets of iemand beter te leren kennen.
- observeren is doelgericht
- de leraar houdt rekening met de overeenkomsten en de verschillen van leerlingen
!à Door goed te observeren kan de leraar effec'ever inspelen op de onderwijsbehoe@en van leerlingen
Observeren heeI enkel zin als je weet wat je ziet à vakinhoudelijke en vakdidac'sche kennis (het
koppelen van theorie aan prak:jk)
Je moet weten hoe te handelen + oprechte nieuwsgierigheid naar hoe de leerling denk nodig.
2.3 soorten observa7e
2.3.1 Par7ciperende observa7e
= observator is zelf betrokken binnen de context van de observa:e (samen spelen…)
Nadeel: de observator kan invloed uitoefenen op het gedrag van het geobserveerde kind.
2.3.2 Niet- par7ciperende observa7e
= de observa:e gaat niet in interac:e met het geobserveerde kind. (onopvallend aanwezig zijn in klas of
speelplaats) ‘filmopname vanop afstand’
2.3.3 Waarnemen, spontane of dagelijkse observa7e
= doorheen de klasdag observeert de leerkracht voortdurend het gedrag, inzet en presta:es van leerlingen.
(gewenst of ongewenste gedragingen) ‘agenda leerkracht’ voor opvolging.
2.3.4 Zelfobserva7e
= pas mogelijk wanneer leerling in staat is zichzelf van op afstand te bekijken. (helicopterview)
, 2.4 Observa7emethodieken
Kwalita'eve observa'e = hierin wordt de inhoud van het gedrag weergegeven.
à beschrijvende observa:e
Kwan'ta'eve observa'e = frequen:e en de mate van voorkomen van gedrag.
à telmethoden en turven
à duurmethode (hoe lang kan iemand zich concentreren?)
à gebruik van beoordelingsschalen (gedrag gekoppeld aan waardeoordeel)
2.5 factoren die het waarnemen en observeren beïnvloeden
2.5.1 de fysiologische toestand van de observator
Fit en fris op observa:e
2.5.2 de persoonlijke voorbereiding door de observator
Wat? Hoe? Wanneer?
2.5.3 de psychologische toestand van de observator
à zelfonderzoek
Ervaring
Een ervaring zal je bewuster maken in het nemen van afstand en zal je bewuster maken van je eigen
referen:ekader.
Ingesteldheid
Verwach:ngspatroon à kleurt de waarneming
- opleNen met generalisa:e (over hele groep iets zien)
- observator zo objec:ef mogelijk opstellen (afstand doen van wat je weet of veronderstelt)
- posi:eve en nega:eve verwach:ngen over presta:es beïnvloeden leerlingen hun gedrag =
PYGMALIONEFFECT (leerling gaat zich gedragen naar verwach:ngen leerkracht)
referen'ekader
- eigen referen:ekader = bril waardoor je kijkt naar de wereld rondom je à kleurt je observa:e
(familie, poli:eke overtuiging, man of vrouw…)
- je gaat op een bepaalde manier observeren (andere zaken op voorgrond)