Hoofdstuk 2: sensatie en perceptie
Waar te
Begrip Betekenis
vinden?
Absolute drempelwaarde Hoeveelheid stimulatie die nodig is p. 41 of dia 11
voordat de stimulus wordt opgemerkt.
In de praktijk houdt men aan dat de
stimulus de helft van het aantal
pogingen moet worden opgemerkt.
(verschilt van persoon tot persoon)
Wat is de minimale hoeveelheid die wel
echt nodig is.
Ambigue figuur Afbeeldingen die op meer dan één p. 47 of dia 22
manier geïnterpreteerd kunnen worden.
Binding problem De aanduiding van de lacune in kennis p. 44 of dia 17
over hoe de hersenen de vele
stimuluskenmerken met elkaar
verbinden tot een enkel percept van,
bijvoorbeeld, een gezicht.
Blindzicht Een toestand die zich voordoet bij p. 44
mensen met schade aan de wat-route,
waardoor ze zich visueel niet meer
bewust zijn van de voorwerpen om zich
heen.
Bottom-upverwerking Perceptuele analyse die de nadruk legt p. 45 of dia 18
op de kenmerken van de stimulus, en
niet zozeer op onze concepten en
verwachtingen.
Concluderen door leren: Theorie van Hermann von Helmholtz, p. 52 of dia 30
nurture die stelt dat een waarnemer eerder
opgedane kennis over de omgeving
gebruikt bij het interpreteren van
nieuwe sensorische informatie. Op
grond van deze kennis construeert de
waarnemer conclusies en logische
vermoedens over de betekenis van
sensaties.
Figuur oftewel ‘gestalt’ Dat deel van een patroon dat de p. 49 of dia 27
aandacht trekt. De figuur steekt af
tegen de achtergrond.
Gestaltpsychologie Een in Duitsland ontwikkelde visie op p. 49 of dia 25
perceptie. Het Duitse woord Gestalt
betekent ‘geheel', ‘vorm' of ‘samenstel'.
Gestaltpsychologen meenden dat een
groot deel van onze perceptie wordt
gevormd door aangeboren en in de
hersenen verankerde factoren.
Grond Dat deel van een patroon dat geen p. 49 of dia 27
aandacht trekt; de achtergrond.
Illusie Je hebt een illusie ervaren wanneer je p. 47 of dia 20
een aantoonbaar verkeerde perceptie
hebt van een stimuluspatroon, in het
bijzonder wanneer die wordt gedeeld
1
, door anderen die dezelfde stimulus
waarnemen. (Wanneer niemand het ziet
op jouw manier kan het zijn dat je een
hallucinatie hebt.)
Kenmerkdetectoren Cellen in de cortex die zijn p. 44 of dia 17
gespecialiseerd in het opmerken van
bepaalde kenmerken in een stimulus.
Percept Het betekenisvolle product van p. 43 of dia
perceptie – dikwijls een beeld dat
geassocieerd wordt met concepten,
herinneringen aan gebeurtenissen,
emoties en motieven.
Perceptie Proces waarbij aan het patroon van p. 38 of dia 16
sensorische zenuwimpulsen een
gedetailleerde betekenis wordt
toegekend. Perceptie wordt sterk
beïnvloed door herinnering, motivatie,
emotie en andere psychologische
processen.
Perceptuele constantie Het vermogen om hetzelfde voorwerp p. 46 of dia 19
in verschillende omstandigheden,
bijvoorbeeld bij veranderend licht, op
verschillende afstanden of in diverse
omgevingen, te herkennen.
Perceptuele predispositie Gereedheid om een specifieke stimulus p. 53 of dia 15
op te merken in een gegeven context.
Receptoren Gespecialiseerde neuronen in een p. 40 of dia 9
zintuig die worden geactiveerd door
stimuli. In de receptoren vindt
transductie plaats: de omzetting van
stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Sensatie Een vroeg stadium van perceptie p. 38 of dia 9
waarin de neuronen van een receptor
een stimulus omzetten in een patroon
van zenuwimpulsen. Deze signalen
worden vervolgens voor verdere
bewerking doorgestuurd naar de
hersenen
Sensorische adaptatie (= Proces waardoor receptorcellen minder p. 41 of dia 10
zintuiglijke aanpassing) gevoelig worden als de stimulus een
bepaalde tijd op hetzelfde niveau blijft.
Voordeel focus op verandering=geen
overspoeling
Uitzondering: pijn!
Signaaldetectietheorie (vs. Theorie die stelt dat de beoordeling p. 42 of dia 12
Klassieke psychofysica) tijdens het proces van perceptie een
combinatie is van de sensatie en
besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt
kenmerken van de waarnemer toe aan
de klassieke psychofysica.
Gewaarwording is ‘selectief’
Sluiting Term uit de gestaltpsychologie; de p. 50 of dia
neiging om lege plekken in figuren in te
2
, vullen zodat incomplete figuren als
geheel worden waargenomen.
Subjectieve contouren Omtrekken die wel worden p. 50 of dia
waargenomen, maar niet in het
stimuluspatroon voorkomen.
Top-downverwerking Perceptuele analyse die de nadruk legt p. 45 of dia 18
op onze verwachtingen, concepten,
herinneringen en andere cognitieve
factoren, en niet zozeer gestuurd wordt
door de kenmerken van de stimulus.
Transductie Proces waarbij de ene vorm van energie p. 40 of dia 9
wordt omgezet in een andere vorm.
Specifiek: de omzetting van
stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Verschildrempel = juist De kleinst mogelijke verandering p. 42 of dia 11
waarneembaar verschil (JWV) waarbij een stimulus nog de helft van
het aantal pogingen wordt opgemerkt.
Waar-route Een route in het brein die loopt vanuit p. 44 of dia
de occipitaalkwab naar de
pariëtaalkwab en die informatie bevat
over de locatie van een voorwerp ten
opzichte van ons lichaam. (Is het
voorwerp voor ons, kunnen we
ertegenaan lopen?)
Wat-route Een route in het brein die loopt vanuit p. 44 of dia
de occipitaalkwab naar de
temporaalkwab en die informatie bevat
over de kleur en de vorm van een
voorwerp en over in welke context het
zich bevindt.
Wet van continuering Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
percepties van ononderbroken figuren
verkiezen boven die van losse en
onsamenhangende figuren.
Wet van gelijkenis Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
geneigd zijn gelijke voorwerpen in onze
perceptie in een groep onder te
brengen.
Wet van gemeenschappelijke Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 52 of dia
bestemming geneigd zijn gelijkvormige objecten
samen te voegen als ze een gelijke
beweging of bestemming hebben.
Wet van nabijheid Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
geneigd zijn voorwerpen die zich dicht
bij elkaar bevinden tot een groep te
ordenen.
Wet van Prägnanz Het meest algemene gestaltprincipe, p. 52 of dia
dat stelt dat onze perceptie kiest voor
de figuur met de eenvoudigste
ordening, die de minste cognitieve
inspanning vereist.
Wet van Weber Theorie die stelt dat het juist p. 42 of dia 12
waarneembare verschil (JWV) in
proportionele verhouding staat tot de
intensiteit van de stimulus. Met andere
woorden: het JWV is groot als de
3
Waar te
Begrip Betekenis
vinden?
Absolute drempelwaarde Hoeveelheid stimulatie die nodig is p. 41 of dia 11
voordat de stimulus wordt opgemerkt.
In de praktijk houdt men aan dat de
stimulus de helft van het aantal
pogingen moet worden opgemerkt.
(verschilt van persoon tot persoon)
Wat is de minimale hoeveelheid die wel
echt nodig is.
Ambigue figuur Afbeeldingen die op meer dan één p. 47 of dia 22
manier geïnterpreteerd kunnen worden.
Binding problem De aanduiding van de lacune in kennis p. 44 of dia 17
over hoe de hersenen de vele
stimuluskenmerken met elkaar
verbinden tot een enkel percept van,
bijvoorbeeld, een gezicht.
Blindzicht Een toestand die zich voordoet bij p. 44
mensen met schade aan de wat-route,
waardoor ze zich visueel niet meer
bewust zijn van de voorwerpen om zich
heen.
Bottom-upverwerking Perceptuele analyse die de nadruk legt p. 45 of dia 18
op de kenmerken van de stimulus, en
niet zozeer op onze concepten en
verwachtingen.
Concluderen door leren: Theorie van Hermann von Helmholtz, p. 52 of dia 30
nurture die stelt dat een waarnemer eerder
opgedane kennis over de omgeving
gebruikt bij het interpreteren van
nieuwe sensorische informatie. Op
grond van deze kennis construeert de
waarnemer conclusies en logische
vermoedens over de betekenis van
sensaties.
Figuur oftewel ‘gestalt’ Dat deel van een patroon dat de p. 49 of dia 27
aandacht trekt. De figuur steekt af
tegen de achtergrond.
Gestaltpsychologie Een in Duitsland ontwikkelde visie op p. 49 of dia 25
perceptie. Het Duitse woord Gestalt
betekent ‘geheel', ‘vorm' of ‘samenstel'.
Gestaltpsychologen meenden dat een
groot deel van onze perceptie wordt
gevormd door aangeboren en in de
hersenen verankerde factoren.
Grond Dat deel van een patroon dat geen p. 49 of dia 27
aandacht trekt; de achtergrond.
Illusie Je hebt een illusie ervaren wanneer je p. 47 of dia 20
een aantoonbaar verkeerde perceptie
hebt van een stimuluspatroon, in het
bijzonder wanneer die wordt gedeeld
1
, door anderen die dezelfde stimulus
waarnemen. (Wanneer niemand het ziet
op jouw manier kan het zijn dat je een
hallucinatie hebt.)
Kenmerkdetectoren Cellen in de cortex die zijn p. 44 of dia 17
gespecialiseerd in het opmerken van
bepaalde kenmerken in een stimulus.
Percept Het betekenisvolle product van p. 43 of dia
perceptie – dikwijls een beeld dat
geassocieerd wordt met concepten,
herinneringen aan gebeurtenissen,
emoties en motieven.
Perceptie Proces waarbij aan het patroon van p. 38 of dia 16
sensorische zenuwimpulsen een
gedetailleerde betekenis wordt
toegekend. Perceptie wordt sterk
beïnvloed door herinnering, motivatie,
emotie en andere psychologische
processen.
Perceptuele constantie Het vermogen om hetzelfde voorwerp p. 46 of dia 19
in verschillende omstandigheden,
bijvoorbeeld bij veranderend licht, op
verschillende afstanden of in diverse
omgevingen, te herkennen.
Perceptuele predispositie Gereedheid om een specifieke stimulus p. 53 of dia 15
op te merken in een gegeven context.
Receptoren Gespecialiseerde neuronen in een p. 40 of dia 9
zintuig die worden geactiveerd door
stimuli. In de receptoren vindt
transductie plaats: de omzetting van
stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Sensatie Een vroeg stadium van perceptie p. 38 of dia 9
waarin de neuronen van een receptor
een stimulus omzetten in een patroon
van zenuwimpulsen. Deze signalen
worden vervolgens voor verdere
bewerking doorgestuurd naar de
hersenen
Sensorische adaptatie (= Proces waardoor receptorcellen minder p. 41 of dia 10
zintuiglijke aanpassing) gevoelig worden als de stimulus een
bepaalde tijd op hetzelfde niveau blijft.
Voordeel focus op verandering=geen
overspoeling
Uitzondering: pijn!
Signaaldetectietheorie (vs. Theorie die stelt dat de beoordeling p. 42 of dia 12
Klassieke psychofysica) tijdens het proces van perceptie een
combinatie is van de sensatie en
besluitvormingsprocessen. De
signaaldetectietheorie voegt
kenmerken van de waarnemer toe aan
de klassieke psychofysica.
Gewaarwording is ‘selectief’
Sluiting Term uit de gestaltpsychologie; de p. 50 of dia
neiging om lege plekken in figuren in te
2
, vullen zodat incomplete figuren als
geheel worden waargenomen.
Subjectieve contouren Omtrekken die wel worden p. 50 of dia
waargenomen, maar niet in het
stimuluspatroon voorkomen.
Top-downverwerking Perceptuele analyse die de nadruk legt p. 45 of dia 18
op onze verwachtingen, concepten,
herinneringen en andere cognitieve
factoren, en niet zozeer gestuurd wordt
door de kenmerken van de stimulus.
Transductie Proces waarbij de ene vorm van energie p. 40 of dia 9
wordt omgezet in een andere vorm.
Specifiek: de omzetting van
stimulusinformatie in een zenuwimpuls.
Verschildrempel = juist De kleinst mogelijke verandering p. 42 of dia 11
waarneembaar verschil (JWV) waarbij een stimulus nog de helft van
het aantal pogingen wordt opgemerkt.
Waar-route Een route in het brein die loopt vanuit p. 44 of dia
de occipitaalkwab naar de
pariëtaalkwab en die informatie bevat
over de locatie van een voorwerp ten
opzichte van ons lichaam. (Is het
voorwerp voor ons, kunnen we
ertegenaan lopen?)
Wat-route Een route in het brein die loopt vanuit p. 44 of dia
de occipitaalkwab naar de
temporaalkwab en die informatie bevat
over de kleur en de vorm van een
voorwerp en over in welke context het
zich bevindt.
Wet van continuering Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
percepties van ononderbroken figuren
verkiezen boven die van losse en
onsamenhangende figuren.
Wet van gelijkenis Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
geneigd zijn gelijke voorwerpen in onze
perceptie in een groep onder te
brengen.
Wet van gemeenschappelijke Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 52 of dia
bestemming geneigd zijn gelijkvormige objecten
samen te voegen als ze een gelijke
beweging of bestemming hebben.
Wet van nabijheid Het gestaltprincipe dat stelt dat we p. 51 of dia 28
geneigd zijn voorwerpen die zich dicht
bij elkaar bevinden tot een groep te
ordenen.
Wet van Prägnanz Het meest algemene gestaltprincipe, p. 52 of dia
dat stelt dat onze perceptie kiest voor
de figuur met de eenvoudigste
ordening, die de minste cognitieve
inspanning vereist.
Wet van Weber Theorie die stelt dat het juist p. 42 of dia 12
waarneembare verschil (JWV) in
proportionele verhouding staat tot de
intensiteit van de stimulus. Met andere
woorden: het JWV is groot als de
3