Anatomie en fysiologie van het oog en visuele systeem ’24-25
H1: Algemene inleiding
1.1 Het oog en het gezichtsvermogen
Gezichtsvermogen = het middel om informatie over de omgeving te verkrijgen. Het is het best
ontwikkelde zintuig van de zintuigstelsels en de werking ervan draagt in belangrijke mate bij tot
het begrijpen van en het reageren op onze omgeving. (oog is zoals fototoestel)
Het oog bestaat uit 3 delen:
▪ Een lichtbrekend stelsel (de lens)
Lichtstralen worden door een lenzensysteem gebroken,
waardoor beeldvorming mogelijk gemaakt wordt.
▪ Een lichtintensiteit regelend stelsel (de iris)
De hoeveelheid binnenvallend licht wordt geregeld door een
diafragma en de graad van lichtgevoeligheid wordt medebepaald
door de aanwezigheid en productie van lichtgevoelige stoffen.
▪ Een lichtgevoelig stelsel (de retina)
Fotochemische reacties in een lichtgevoelige laag geven
uiteindelijk de prikkel door naar de hersenen.
Strabisme/scheelheid: de hersenen ontvangen van beide ogen een beeld, dat niet samen
gepast kan worden tot één geheel
Ons gezichtsvermogen is niet volledig ontwikkeld bij de geboorte, eerste maanden ‘leren zien’
Bij aangeboren strabisme wordt het beeld van het afwijkende oog geweigerd door de hersenen.
Na die periode is het niet meer mogelijk met het afwijkende oog een beeld waar te nemen, het is
functioneel blind = amblyoop of lui oog
Ziende blind: wij zijn alleen gevoelig voor beelden die een contrast tonen tussen beeld en
omgeving en voor beelden die bewegen
Waarnemen van een beeld zonder werking van het oog zelf = REM slaap (rapid eye movement):
dit kent iedereen bij de droom. Wij menen visuele prikkels waar te nemen, die er niet zijn, maar
waarvan wij op het ogenblik zelf niet twijfelen aan de echtheid ervan
Visuele agnosie: we vangen het beeld wel op, maar realiseren ons niet wat het is
Het oog zelf zal een beeld opvangen volgens dezelfde opticawetten als een camera. In de retina
wordt dit beeld dan omgezet in een zenuwprikkel (fotochemische reactie)
➔ Niet rechtstreeks een beeld opleveren, maar een elektrische zenuwimpuls, die al in de
lagen met zenuwcellen van de retina gecodeerd wordt
➔ De oogzenuw
➔ Hersenen (hersenstam)
1
,1.2 De delen en de vorm van het oog
Rond het oog bevinden zich 3 omhulsels:
▪ Beschermende omhulsel of tunica fibrosa
- Sclera of harde oogrok
- Episclera: doorzichtig slijmerig laagje met bloedvaten op de sclera
- Cornea of hoornvlies (overgang cornea en sclera: limbuszone)
▪ Voedende omhulsel of tunica vasculosa of uvea of druifvlies
- Choroidea of vaatvlies
- Corpus ciliaris of straallichaam
- Iris of regenboogvlies met kring- en een straalspier
▪ Gevoelige omhulsel of retina of netvlies
- Perifere deel van het netvlies
- Macula lutea of gele vlek
- Papil van de gezichtszenuw of blinde vlek
Verder vindt men volgende delen:
▪ Voorste en achterste oogkamer
▪ Lens, vastgehecht met lensbandjes
▪ Glasachtig lichaam
Aan de buitenzijde van de oogbol merkt men:
▪ 6 uitwendige oogspieren
▪ Grote oogzenuw of nervus opticus
▪ Aantal kleinere zenuwen en bloedvaten
▪ Omhulsel, de conjunctiva of bindvlies, dat een voortzetting is van de huid van de oogleden
2
,Verschillende anatomische richtingen:
Binnen 1 oog:
▪ Nasaal of naar de neus toe
▪ Temporaal naar het slaapbeen toe
Algemeen:
▪ Anterior/ventraal: naar de voorzijde
▪ Posterior/dorsaal: naar de achterzijde
▪ Superior: naar de bovenzijde
▪ Inferior: naar de onderzijde
▪ Mediaal: naar het midden toe
▪ Lateraal: weg van het midden
Het oog is een onregelmatige bol met een gemiddelde diameter van 23 tot 24mm.
Men kan 3 assen onderscheiden:
▪ Optische of sagittale as AP: de rechte die de twee polen verbindt (24,2mm)
▪ Horizontale as TT’ (24,1mm)
▪ Verticale as VV’ (23,6mm)
Met deze assen kan men 3 vlakken in het oog definiëren
▪ Mediale/sagittale vlak AVPV’
▪ Horizontale/transversale vlak ATPT’
▪ Verticale/frontale vlak VT’V’T
Anatomie van doorsneden:
Frontale doorsnede
Transversale doorsnede
Sagittale doorsnede
3
, De oogbol is licht onregelmatig:
▪ Oog bestaat uit bol met straal 12mm. Vooraan ligt het hoornvlies en dit heeft een andere
kromming, met een straal van ong 8mm.
▪ De kromming van de oogbol is aan de nasale zijde iets groter dan aan de temporale.
▪ Het oog vertoont achteraan een lichte afplatting in de richting van de optische as, zodat de
horizontale as iets langer is dan de verticale
▪ Vooraan ter hoogte van de vasthechtingsplaats van de uitwendige spieren aan de oogbol is
deze licht conisch
▪ Het rotatiecentrum komt niet overeen met het geometrisch middelpunt van de optische
as, maar ligt er 1,5mm achter en 1,6mm naar de nasale kant.
H2: Sclera, cornea en limbus
2.1 De sclera of harde oogrok
2.1.1 De vorm
▪ 5/6 van de buitenzijde van de oogbol
▪ Niet overal even dik
- Achteraan: 1mm
- Midden nasaal: 0,5mm
- Midden temporaal: 0,8mm
- Limbuszone: 0,4mm
- Plaats waar uitwendige spieren aan oogbol vasthechten: 0,3mm
2.1.2 De structuur
▪ Weefsel: bindweefsel
▪ Collageenvezels (eiwitstrengen) met zeldzame fibroblasten
- Lopen evenwijdig aan het oppervlak
- Kruisen in alle richtingen
→ grote stevigheid aan de sclera (dus moeilijk door de snijden)
▪ Cellen = fibroblasten
▪ Vezels zijn buigzaam: min of meer elastisch
- Belangrijk bij wisselende inwendige oogdruk
▪ Sclera bestaat uit 65% water MAAR is wel ondoorzichtig
▪ Bij volwassenen: melkachtig wit
▪ Zeer jonge kinderen: blauwachtig
▪ Ouderlingen: geelachtig (sclerose of weefselverharding of door vetafzettingen)
▪ Donkerhuidige personen: bruingeel
▪ Overgang sclera en cornea: limbuszone
▪ Het sclerale oppervlak wordt bedekt door een dunne laag bindweefsel (veel bloedvaten):
episclera
4
H1: Algemene inleiding
1.1 Het oog en het gezichtsvermogen
Gezichtsvermogen = het middel om informatie over de omgeving te verkrijgen. Het is het best
ontwikkelde zintuig van de zintuigstelsels en de werking ervan draagt in belangrijke mate bij tot
het begrijpen van en het reageren op onze omgeving. (oog is zoals fototoestel)
Het oog bestaat uit 3 delen:
▪ Een lichtbrekend stelsel (de lens)
Lichtstralen worden door een lenzensysteem gebroken,
waardoor beeldvorming mogelijk gemaakt wordt.
▪ Een lichtintensiteit regelend stelsel (de iris)
De hoeveelheid binnenvallend licht wordt geregeld door een
diafragma en de graad van lichtgevoeligheid wordt medebepaald
door de aanwezigheid en productie van lichtgevoelige stoffen.
▪ Een lichtgevoelig stelsel (de retina)
Fotochemische reacties in een lichtgevoelige laag geven
uiteindelijk de prikkel door naar de hersenen.
Strabisme/scheelheid: de hersenen ontvangen van beide ogen een beeld, dat niet samen
gepast kan worden tot één geheel
Ons gezichtsvermogen is niet volledig ontwikkeld bij de geboorte, eerste maanden ‘leren zien’
Bij aangeboren strabisme wordt het beeld van het afwijkende oog geweigerd door de hersenen.
Na die periode is het niet meer mogelijk met het afwijkende oog een beeld waar te nemen, het is
functioneel blind = amblyoop of lui oog
Ziende blind: wij zijn alleen gevoelig voor beelden die een contrast tonen tussen beeld en
omgeving en voor beelden die bewegen
Waarnemen van een beeld zonder werking van het oog zelf = REM slaap (rapid eye movement):
dit kent iedereen bij de droom. Wij menen visuele prikkels waar te nemen, die er niet zijn, maar
waarvan wij op het ogenblik zelf niet twijfelen aan de echtheid ervan
Visuele agnosie: we vangen het beeld wel op, maar realiseren ons niet wat het is
Het oog zelf zal een beeld opvangen volgens dezelfde opticawetten als een camera. In de retina
wordt dit beeld dan omgezet in een zenuwprikkel (fotochemische reactie)
➔ Niet rechtstreeks een beeld opleveren, maar een elektrische zenuwimpuls, die al in de
lagen met zenuwcellen van de retina gecodeerd wordt
➔ De oogzenuw
➔ Hersenen (hersenstam)
1
,1.2 De delen en de vorm van het oog
Rond het oog bevinden zich 3 omhulsels:
▪ Beschermende omhulsel of tunica fibrosa
- Sclera of harde oogrok
- Episclera: doorzichtig slijmerig laagje met bloedvaten op de sclera
- Cornea of hoornvlies (overgang cornea en sclera: limbuszone)
▪ Voedende omhulsel of tunica vasculosa of uvea of druifvlies
- Choroidea of vaatvlies
- Corpus ciliaris of straallichaam
- Iris of regenboogvlies met kring- en een straalspier
▪ Gevoelige omhulsel of retina of netvlies
- Perifere deel van het netvlies
- Macula lutea of gele vlek
- Papil van de gezichtszenuw of blinde vlek
Verder vindt men volgende delen:
▪ Voorste en achterste oogkamer
▪ Lens, vastgehecht met lensbandjes
▪ Glasachtig lichaam
Aan de buitenzijde van de oogbol merkt men:
▪ 6 uitwendige oogspieren
▪ Grote oogzenuw of nervus opticus
▪ Aantal kleinere zenuwen en bloedvaten
▪ Omhulsel, de conjunctiva of bindvlies, dat een voortzetting is van de huid van de oogleden
2
,Verschillende anatomische richtingen:
Binnen 1 oog:
▪ Nasaal of naar de neus toe
▪ Temporaal naar het slaapbeen toe
Algemeen:
▪ Anterior/ventraal: naar de voorzijde
▪ Posterior/dorsaal: naar de achterzijde
▪ Superior: naar de bovenzijde
▪ Inferior: naar de onderzijde
▪ Mediaal: naar het midden toe
▪ Lateraal: weg van het midden
Het oog is een onregelmatige bol met een gemiddelde diameter van 23 tot 24mm.
Men kan 3 assen onderscheiden:
▪ Optische of sagittale as AP: de rechte die de twee polen verbindt (24,2mm)
▪ Horizontale as TT’ (24,1mm)
▪ Verticale as VV’ (23,6mm)
Met deze assen kan men 3 vlakken in het oog definiëren
▪ Mediale/sagittale vlak AVPV’
▪ Horizontale/transversale vlak ATPT’
▪ Verticale/frontale vlak VT’V’T
Anatomie van doorsneden:
Frontale doorsnede
Transversale doorsnede
Sagittale doorsnede
3
, De oogbol is licht onregelmatig:
▪ Oog bestaat uit bol met straal 12mm. Vooraan ligt het hoornvlies en dit heeft een andere
kromming, met een straal van ong 8mm.
▪ De kromming van de oogbol is aan de nasale zijde iets groter dan aan de temporale.
▪ Het oog vertoont achteraan een lichte afplatting in de richting van de optische as, zodat de
horizontale as iets langer is dan de verticale
▪ Vooraan ter hoogte van de vasthechtingsplaats van de uitwendige spieren aan de oogbol is
deze licht conisch
▪ Het rotatiecentrum komt niet overeen met het geometrisch middelpunt van de optische
as, maar ligt er 1,5mm achter en 1,6mm naar de nasale kant.
H2: Sclera, cornea en limbus
2.1 De sclera of harde oogrok
2.1.1 De vorm
▪ 5/6 van de buitenzijde van de oogbol
▪ Niet overal even dik
- Achteraan: 1mm
- Midden nasaal: 0,5mm
- Midden temporaal: 0,8mm
- Limbuszone: 0,4mm
- Plaats waar uitwendige spieren aan oogbol vasthechten: 0,3mm
2.1.2 De structuur
▪ Weefsel: bindweefsel
▪ Collageenvezels (eiwitstrengen) met zeldzame fibroblasten
- Lopen evenwijdig aan het oppervlak
- Kruisen in alle richtingen
→ grote stevigheid aan de sclera (dus moeilijk door de snijden)
▪ Cellen = fibroblasten
▪ Vezels zijn buigzaam: min of meer elastisch
- Belangrijk bij wisselende inwendige oogdruk
▪ Sclera bestaat uit 65% water MAAR is wel ondoorzichtig
▪ Bij volwassenen: melkachtig wit
▪ Zeer jonge kinderen: blauwachtig
▪ Ouderlingen: geelachtig (sclerose of weefselverharding of door vetafzettingen)
▪ Donkerhuidige personen: bruingeel
▪ Overgang sclera en cornea: limbuszone
▪ Het sclerale oppervlak wordt bedekt door een dunne laag bindweefsel (veel bloedvaten):
episclera
4