• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 115 pages
Summary

Dé samenvatting voor OMTII/RMTII in het nederlands

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 115 pages

Dit is een compleet uitgeschreven samenvatting van RMTII, gedoceerd aan de VUB in het tweede jaar. Deze samenvatting is dit semester () gemaakt en perfect om het examen in eerste zit te knallen! Alles wat in de les werd verteld, staat hierin + alle powerpoints en extra info! Veel succes ermee! :)

Content preview

Research Methods and Techniques II: Quantitative Methods
Practical Information:
Exam will be available in English AND Dutch! All lectures, practical sessions (wpo’s – 6!!), course
materials, assignments and exams are in English. In this course, we are going to look more broadly at
scientific resource. What is scientific resource? What ere the strengths and weaknesses of scientific
resource (wetenschappelijke bron)? We’re also mainly going to focus on quantitative research:
survey studies, experiments,.. The slides, own notes, are part of the study material.

Exam: 70% (multiple choice, standard setting, there will be a practice exam at the end of the
semester! The correct answers will be post a week later) and assignment: 30% (group assignment,
group receives a grade for the assignment but peer assessment is used to ajust group grade for
individual group members). You need to pass both the exam and the assignment, to pass the course.
The goal of the assignment: learn how to evaluate scientific research and to develop a proposal for a
scientific study. You will select a study from a list of articles (available on Canvas). Critically read and
evaluate the selected article using the 4 aspects of validity. In the second part of the assignment, you
have to propose a follow-up study that addresses weaknesses from the original study and appraise
the quality of the follow-up study using the 4 aspects of validity.
The Wpo’s contain exercises to help you with the assignment.
Deadline to submit the assignment: the 23rd of May (5pm) on Canvas! (max. 5 pages excluding title
page and reference pages).

De afbeelding die laat zien wat het doel van deze cursus is: er is een man
die met zijn vinger in de wond prikt, dat is ‘de ongelovige’ Thomas. Het
doel van deze cursus is om je kritisch te laten nadenken over
wetenschappelijk onderzoek. Om te kijken naar de sterke en zwakke
punten van de studie. We zullen in deze cursus zien dat alle studies
sterke en zwakke punten hebben: geen enkele studie is perfect.

Lecture 1: Introduction to scientific reasoning
1.1. Psychology as way of thinking
Sommigen van ons zullen later zelf onderzoek doen (bijvoorbeeld als we een PhD volgen), maar de
meesten van ons zullen onderzoek consumeren. Stel je voor dat je patiënten met ernstige autisme
behandelt en je je afvraagt wat de beste manier is om hen te helpen. Welke behandelingen werken
hier? De beste manier van werken zou zijn om de wetenschappelijke literatuur te raadplegen: wat
weten we op basis van eerder onderzoek? Zijn er behandelingen die effectief of ineffectief zijn? Dit
betekent dat je studies moet kunnen vinden die relevant zijn voor jouw vraag, maar ook dat je ze
moet kunnen lezen en begrijpen. Daarnaast moet je de sterke en zwakke punten van elke studie
kunnen beoordelen.
→ Voorbeeld om het belang van de rol van onderzoekconsument (research consumer) te illustreren:
* Een paar maanden geleden was Griet Op de Beeck op tv in het programma ‘De
Afspraak’. Wat ze de presentator en het publiek vertelde, was: ‘Ik ga therapie geven aan
mensen.’ Ze heeft echter geen diploma in de psychologie of in een gerelateerd vakgebied.
Maar ze beweerde dat ze geen diploma nodig heeft om therapie te geven. Ze zei dat ze
therapie kon geven omdat ze enkele trainingen had gevolgd bij wat zij ‘de grootste
experts ter wereld’ in de VS noemde. Natuurlijk was er wat scepsis/twijl. Ze zei dat ze
Internal Family Systems Therapy zou geven en verwees naar een wetenschappelijke
studie die zou aantonen dat deze therapie effectief is. Dit klinkt overtuigend: als iemand zegt ‘kijk, er
is een wetenschappelijke studie die aantoont dat dit werkt’. Maar als je die studie van dichterbij



1

,bekijkt, is het minder overtuigend. In de studie nodigden ze mensen met PTSS uit om deel te nemen.
Ze maten het niveau van posttraumatische stress dat ze ervoeren en gaven hen vervolgens deze
therapie (Internal Family Systems Therapy). Daarna maten ze opnieuw de posttraumatische stress en
vonden ze een afname (decrease) in stressniveaus. Op basis hiervan beweerden ze dat de therapie
werkte. Maar er vallen twee dingen op:
1. Ze hadden slechts 10-20 deelnemers: een erg kleine steekproef. Een kleine steekproef kan tot
problemen leiden, zoals vals-positieve resultaten, verkeerde conclusies, of de indruk wekken dat er
een effect is terwijl dat er in werkelijkheid niet is.
2. Ze gebruikten een experimenteel design dat waarschijnlijk het slechtste experimentele design is
dat je kunt gebruiken: ze hadden één groep deelnemers – gaven hen de behandeling – maten hun
stressniveau voor en na de behandeling – en dat was alles. Ze hadden geen controlegroep! Dat is
cruciaal! Zonder controlegroep zijn er veel andere mogelijke verklaringen voor de afname van
stressniveaus, bijvoorbeeld dat het niets met de therapie te maken heeft.
Het bewijs uit deze studie is dus erg zwak. Dit laat zien waarom het belangrijk is om te leren hoe je
wetenschappelijk onderzoek kritisch beoordeelt. Kunnen we deze claims echt vertrouwen?

→ Een ander voorbeeld: er is een beroemde studie die in 2011 werd uitgevoerd door Daryl Bem. In
zijn studie laat hij zien dat mensen daadwerkelijk de toekomst kunnen voorspellen. Mensen die het
artikel lazen, waren een beetje sceptisch. Maar het werd gepubliceerd in een prestigieus tijdschrift,
en de studie zelf is ook behoorlijk overtuigend. De studie bevat 9 afzonderlijke
studies/experimenten. In elk experiment laat hij zien dat mensen op de een of andere manier
konden aanvoelen of voorspellen wat er op een later moment zou gebeuren. Bijvoorbeeld: in een
van de experimenten nam hij een bekend experimenteel ontwerp en draaide het om. Er is een
bekende experimentele bevinding die als volgt luidt: “Wanneer we mensen een lijst met woorden
geven om te onthouden, en we hen vervolgens vertellen dat we willekeurig enkele woorden uit deze
lijst zullen selecteren en dat zij deze woorden moeten opschrijven, hebben ze een grotere kans om
zich juist die woorden te herinneren. Waarom? Omdat ze op verschillende manieren verwerkt zijn: je
zag de woorden, je las ze, maar je schreef ze ook op. Daardoor onthoud je ze beter.” Hij draaide dit
om! In zijn experiment vroeg hij mensen om naar het lab te komen en gaf hij hen een lijst met
woorden. Hij vroeg de mensen om deze woorden te onthouden en zei vervolgens meteen: “Vertel
me welke woorden je je herinnert.” Dus begonnen mensen woorden op te noemen. In het tweede
deel van het experiment selecteerde hij willekeurig woorden uit de lijst, gaf deze aan de deelnemers
en vroeg hen om ze op te schrijven. Wat hij statistisch aantoonde, was dat de woorden die mensen
zich in het eerste deel van het experiment herinnerden, een grotere kans hadden om in het tweede
deel willekeurig te worden geselecteerd en aan hen te worden gegeven om op te schrijven. Mensen
voorspelden dus als het ware welke woorden willekeurig zouden worden gekozen in het tweede
deel. De onderzoekers dachten daarom dat we in staat zijn om de toekomst te voorspellen.
Echter, toen deze studie werd gepubliceerd, was er veel discussie. Mensen begonnen vragen te
stellen en keken dieper naar hoe hij de studies had uitgevoerd. Het blijkt dat er hier problemen zijn.
Bijvoorbeeld: het artikel bevat 9 experimenten, maar Daryl Bem voerde niet zomaar 9 experimenten
uit en publiceerde de resultaten. Hij voerde veel meer experimenten uit, en de meeste experimenten
lieten helemaal geen effect zien. In de meeste experimenten konden mensen de toekomst niet
voorspellen. Maar in sommige experimenten wel, en alleen die rapporteerde hij. Ten tweede
analyseerde hij de data, maar hij ‘martelde’ de data (tortured the data): omdat hij niet de resultaten
vond die hij verwachtte, begon hij te spelen met de data (hij voegde een controlevariabele toe, hij
verwijderde een paar observaties omdat hij dacht dat het uitschieters waren, …). Op een bepaald
moment in de analyse vond hij ineens een resultaat dat zijn hypothese bevestigde. Op dat moment
zei hij: ‘Ah kijk, nu kan ik stoppen, want ik heb mijn bewijs gevonden.’ Het probleem is: als je je data



2

,maar lang genoeg martelt, zul je altijd wel iets vinden. Dus, er zijn problemen in hoe hij zijn
onderzoek uitvoerde, in hoe hij zijn resultaten rapporteerde, en deze studie leidde ook tot veel
replicatiepogingen. Anderen probeerden zijn bevindingen te repliceren (ze voerden dezelfde
experimenten uit in andere omgevingen en met andere deelnemers), maar ze slaagden er niet in om
dezelfde effecten te vinden. Dit leidde tot de replicatiecrisis in de psychologie (the replication crisis
in psychology), omdat onderzoekers niet alleen deze studie begonnen te repliceren, maar ook
andere studies. Het bleek dat veel studies in de psychologie, vooral bekende studies in de sociale
psychologie, niet altijd gerepliceerd konden worden. Waarom? Dit heeft te maken met hoe
onderzoek wordt uitgevoerd. Dit leidde tot een beweging die deze onderzoeksmethoden in twijfel
trekt. Dit heet ‘de open science movement’, die suggereert dat we de manier waarop we onderzoek
doen moeten veranderen om te voorkomen dat dit soort studies gepubliceerd worden.
De belangrijkste boodschap hier: een kritische mindset is essentieel! Niet al het gepubliceerde
onderzoek is correct of robuust!

Fundamental characteristics of scientific research: how scientists work!
- science is based on empiricism
- scientists test theories
- scientists work on fundamental and applied problems
- science is continuously evolving
- scientists publish their findings in scientific journal
- scientists communicate with the general public via journalists

1.1.1. Science is based on empiricism
De eerste eigenschap van wetenschappelijk onderzoek is ‘dat wetenschap voornamelijk gebaseerd is
op empirisme’. Wat bedoelen we met empirisme? Het betekent dat we gegevens/data verzamelen
om bepaalde theorieën/hypothesen te testen. Gegevens/data verzamelen betekent dat we
informatie verkrijgen door:
- onze eigen zintuigen (senses) te gebruiken (je kunt gedrag observeren, je kunt horen/luisteren
naar wat mensen zeggen – je gebruikt dus je zintuigen)
- instrumenten te gebruiken die onze zintuigen ondersteunen (thermometer, vragenlijsten, timer,
…)

Empiristen streven ernaar om onderzoek op een systematische, rigoureuze en repliceerbare manier
uit te voeren!
* Systematisch/systematic: wanneer ik gegevens verzamel, doe ik dit op dezelfde,
gestructureerde/systematische manier bij alle deelnemers!
* Rigoureus/rigorous (nauwgezet/transparant): ik denk heel goed na over hoe ik de gegevens zal
verzamelen en ik ben heel transparant over hoe ik dit doe. Zo kunnen anderen precies zien hoe ik de
gegevens heb verzameld! Dit stelt hen in staat om het onderzoek te repliceren en kritisch te
beoordelen. (duidelijk rapporteren, geen details vergeten, over alle details nadenken bij de opzet van
de studie)
* Repliceerbaar/replicable: het is belangrijk dat wanneer ik een studie uitvoer, anderen deze studie
opnieuw kunnen uitvoeren, repliceren en kunnen zien of ze dezelfde resultaten vinden of niet.
Het belangrijkste hier is dat we met de gegevens die we verzamelen theorieën/hypothesen proberen
te testen.

Empirisme is NIET gebaseerd op eigen ervaringen, intuïtie of autoriteitsfiguren!

1.1.2. Scientists test theories
Empirisch werken betekent dat je de Theory-Data cycle of de Empirische



3

, cyclus/Empirical cycle volgt, zolang je hierbij een ‘confirmatory’ (deductieve) approach/benadering
gebruikt. Wat betekent dit? In veel gevallen beginnen onderzoekers met een theorie, een bepaald
theoretisch idee dat ze willen testen. Die theorie leidt ertoe dat ze een onderzoeksvraag/research
question formuleren. Vervolgens ontwerpen ze een studie (they design a study) waarmee ze die
onderzoeksvraag kunnen testen. Om dit te testen, hebben ze een specifieke, expliciete hypothese
nodig, waarin precies staat wat ze verwachten te zien (zodat je kunt controleren of de gegevens/data
die hypothese bevestigen of niet). Zodra de hypothese is geformuleerd, wordt de studie opgezet en
worden de gegevens verzameld. Dan wordt getest of de gegevens overeenkomen met de hypothese
of niet. Als de hypothese wordt ondersteund, biedt dat extra steun voor de theorie. Als de hypothese
niet wordt ondersteund, betekent dit dat de theorie moet worden aangepast of verworpen, of dat er
mogelijk iets mis is met het onderzoeksontwerp (the study design). => Dit suggereert dat er een
‘confirmatory’ aanpak is: je begint met een theorie, formuleert een hypothese en test of de theorie
bevestigd kan worden. Deze cyclus geldt alleen voor confirmatory approaches of deductieve
benaderingen! (Je start vanuit een theorie en kijkt of je er bewijs voor vindt).
Er bestaat ook onderzoek dat een exploratieve/exploratory (inductieve) benadering gebruikt,
bijvoorbeeld kwalitatief onderzoek (zoals interviews). In dat geval worden geen hypothesen getest.
Je interviewt mensen om te begrijpen hoe ze iets ervaren of wat hun overtuigingen zijn. Hier gaat het
dus niet om het bevestigen van theorieën! (je start niet vanuit een theorie, maar vanuit de data zelf,
bv. bij interviews is er bij de start van het onderzoek geen hypothese die getest wordt, je wilt
eigenlijk gewoon breed inzicht krijgen in een fenomeen. In de interviews zal je zien: wat komt er uit
de data naar voor? Zijn er bepaalde patronen? Je leert iets bij over een fenomeen -> je exploreert de
data)

Illustratie: een bekend voorbeeld is het onderzoek van Harlow naar hechting. Hij wist dat er
verschillende theorieën bestonden over waarom baby’s zich hechten aan een
ouderfiguur. De Cupboard Theory (niet zijn theorie) stelt dat hechting ontstaat omdat je
je hecht aan degene die je voedt en ervoor zorgt dat je overleeft. De Contact Comfort
Theory (Harlow’s theorie) stelt dat hechting ontstaat omdat je je hecht aan degene die je
comfort biedt, je knuffelt en liefde geeft. Deze twee theorieën bestonden tegelijkertijd.
Harlow wilde onderzoeken welke theorie ondersteund werd door data. Hij ontwierp een
studie met baby-aapjes. In een kooi plaatste hij twee constructies: links: een constructie met een fles
melk, zodat de baby-aapjes daar konden drinken. Verder was deze constructie oncomfortabel,
gemaakt van koud, metalen draad. Rechts: een constructie zonder eten, maar bedekt met zachte
materialen en warm. Zijn idee was: Als de Cupboard Theory klopt, zouden de baby-aapjes de meeste
tijd doorbrengen aan de linkerkant (waar voedsel is). Als de Contact Comfort Theory klopt, zouden ze
de meeste tijd doorbrengen aan de rechterkant. Hij verzamelde data en observeerde dat de baby-
aapjes de meeste tijd aan de rechterkant doorbrachten, wat steun bood voor de Contact Comfort
Theory. De Cupboard Theory werd niet ondersteund door deze resultaten.
Dit toont de empirische cyclus in actie: twee theorieën worden getest, een studie wordt ontworpen,
een specifieke hypothese wordt geformuleerd (“Als theorie X klopt, gebeurt dit; als theorie Y klopt,
gebeurt dat”), gegevens worden verzameld en conclusies worden getrokken.

Goede theoretische modellen hebben bepaalde eigenschappen die hen onderscheiden van ‘slechte’
theoretische modellen. The characteristics of good theories are:
1. een theorie die ondersteund wordt door data, is betrouwbaarder.
2. goede theoretische modellen zijn falsifieerbaar → Dit betekent dat het mogelijk is
om de theorie te ontkrachten of weerleggen (to disprove). Als een theorie niet
falsifieerbaar is, spreken we van pseudowetenschap. Voorbeeld van een niet-
falsifieerbare theorie: ‘Facilitated Communication Treatment believers’. Wat betekent


4

Table of contents

  1. 01 De verschillen tussen de twee belangrijkste categorieën: Voorbeeld 1: Stel je voor dat een onderzoeker geïnteresseerd is in het bestuderen van een bepaalde populatie van interesse, bijvoorbeeld: ze willen iets onderzoeken bij een populatie van Democraten in Texas, VS. Als ze een representatieve steekproef willen krijgen, moeten ze ervoor zorgen dat elk lid van die populatie van interesse een gelijke kans heeft om in hun steekproef terecht te komen. Dat is het doel van willekeurige selectie. ✅ Een manier om dat te doen: Je verkrijgt een lijst met alle leden van de Democratische Partij in Texas en kiest dan willekeurig mensen uit die lijst. Vervolgens vraag je hen om de enquête in te vullen. Dit zou waarschijnlijk leiden tot een representatieve steekproef: een steekproef zonder bias. ❌ Het kan zijn dat je denkt dat dit te moeilijk of te veel werk is. In plaats daarvan besluit je naar een Democratische conventie in Texas te gaan en je benadert alleen de mensen die op de voorste rijen zitten. Je geeft hen je enquête en vraagt hen om deel te nemen. Deze aanpak zal waarschijnlijk resulteren in een vertekende/biased steekproef. Waarom? Misschien verschillen mensen die zo’n conventie bijwonen van andere leden van de Democratische Partij die niet aanwezig zijn. Of misschien verschillen de mensen op de voorste rijen van de mensen die achteraan zitten. 43
  2. 02 Voorbeeld 2: Stel dat de populatie van interesse bestaat uit mensen die autorijden. ❌ Een vertekende aanpak: Je besluit je enquête af te nemen bij mensen die stoppen bij een parkeermeter. Dit zal waarschijnlijk leiden tot een vertekende/biased steekproef, omdat je je misschien onbewust op specifieke locaties richt en mensen in die locatie mogelijk niet representatief zijn voor alle automobilisten. ✅ Een betere aanpak: Een lijst verkrijgen van alle mensen met een rijbewijs. Vervolgens selecteer je willekeurig mensen uit die lijst en vraag je hen om deel te nemen aan je onderzoek. Dit zou leiden tot een onbevooroordeelde/unbiased steekproef. 43
    1. 7.5.1. Between-subjects designs (between-groups design or independent-groups designs): Elke deelnemer ervaart slechts één conditie 75
    2. * Posttest-only design: Het idee hier is dat je een experiment hebt met verschillende condities. Elke deelnemer wordt toegewezen aan één van deze condities. Ze zullen slechts één conditie ervaren en niet de andere. Idealiter gebruiken we willekeurige toewijzing (random assignment) om hen aan een van de condities toe te wijzen. Nadat we de onafhankelijke variabele in deze verschillende condities hebben gemanipuleerd, meten we onze afhankelijke variabele. Dit gebeurt ná de manipulatie, vandaar de naam posttest-only design. De voorbeelden aan het begin van de lezing waren posttest-only between-subjects designs. 75
  3. 03 8.1. Voorbeelden van slechte experimentele ontwerpen 8.1.1. Voorbeeld 1 Je organiseert een zomerkamp voor jongeren. Aan het begin van het kamp merk je dat de kinderen erg energiek en luidruchtig zijn. De organisatoren vragen zich af hoe ze het energieniveau van de kinderen kunnen beheersen. Een van de ideeën is om aandacht te besteden aan hun voeding/dieet. Tijdens een van de zomerkampen besluiten ze een klein experiment uit te voeren. Aan het begin van het kamp wordt het geluidsniveau van de kinderen gemeten. Tijdens het kamp wordt er iets gemanipuleerd: de kinderen krijgen voedsel met weinig of geen suiker. Aan het einde van het kamp wordt het geluidsniveau opnieuw gemeten. Stel dat de resultaten er als volgt uitzien: → Er is een daling wanneer je het geluidsniveau aan het begin en einde van het kamp vergelijkt. → Conclusie: Dit lijkt te werken! Wat is hier het probleem? = Er is geen controle- of vergelijkingsgroep! Misschien is er een andere verklaring: de kinderen zijn aan het einde van het kamp gewoon vermoeid, waardoor ze automatisch minder luidruchtig zijn. Omdat er geen controlegroep is, kunnen we alternatieve verklaringen niet uitsluiten. 82
    1. 8.1.2. Voorbeeld 2 Stel dat je een behandeling wilt testen om depressie te behandelen. Je hebt een steekproef van 40 depressieve patiënten die geïnteresseerd zijn in psychotherapie. De patiënten krijgen cognitieve therapie gedurende 12 weken. Voor de start van de behandeling meet je hun niveau van depressieve symptomen. Aan het einde van de 12 weken meet je hun niveau van depressieve symptomen opnieuw. De resultaten tonen een daling in depressieve symptomen bij vergelijking tussen het begin en het einde van de therapie. Wat is hier het probleem? = Er is geen controlegroep! Misschien is de afname in symptomen niet het gevolg van de therapie, maar van spontaan herstel of andere factoren. 82
  4. 04 8.1.3. Voorbeeld 3 Stel je voor dat je wilt testen of een interventie mensen kan helpen bewuster om te gaan met hun energieverbruik. Je wilt een campagne opzetten om energie te besparen in studentenhuizen, via e-mail en sociale media. De campagne duurt 3 maanden. Aan het begin van de campagne meet je het energieverbruik in de studentenhuizen. Na afloop van de campagne meet je opnieuw het energieverbruik. De resultaten laten opnieuw een daling in energieverbruik zien. Wat veroorzaakt deze afname? Komt dit door de campagne, of kunnen er alternatieve verklaringen zijn? Mogelijke verklaringen: - Tijd van het jaar: Stel dat de campagne start in januari en eindigt in maart. Het weer kan verbeterd zijn, waardoor minder verwarming nodig is. - Energiecrisis: Misschien zijn de elektriciteitsprijzen gestegen, waardoor mensen uit zichzelf minder energie verbruiken. Het kernprobleem: = Er is geen controlegroep! Hierdoor kunnen we alternatieve verklaringen niet uitsluiten. 82
  5. 05 8.1.4. De gedeelde kenmerken van deze slechte experimenten - Ze hebben allemaal een één-groep (one-group) pretest/posttest ontwerp: - Er is slechts één groep waarin de experimentele interventie wordt toegepast. - Er is geen controlegroep/vergelijkingsgroep. - Er is wél een pretest en posttest, waardoor we veranderingen over tijd kunnen observeren. Maar: we weten niet zeker wat deze veranderingen veroorzaakt. Problemen? = Mogelijke bedreigingen voor interne validiteit. 83
  6. 06 8.2. Bedreigingen voor interne validiteit 8.2.1. Bedreiging 1 = Rijping (Maturation) Rijping/maturation verwijst naar spontane veranderingen in de uitkomst over tijd, onafhankelijk van de interventie (bijv. mensen verbeteren of veranderen vanzelf). * Oplossing: Gebruik een controlegroep om natuurlijke veranderingen uit te sluiten. * Alternatief: Een double-pretest design om bestaande trends vóór de interventie te detecteren. In dit ontwerp worden twee pretests afgenomen, gevolgd door de interventie en daarna een posttest. Denk aan ons tweede (slechte) voorbeeld over depressieve symptomen. Deze kunnen waarschijnlijk ook zonder therapie veranderen, doordat er natuurlijke verandering plaatsvindt. Daarom hebben we een controlegroep nodig om te bepalen of de therapeutische interventie een effect heeft bovenop het rijpingseffect. We hebben niet alleen een therapiegroep nodig (gele lijn), maar ook een controlegroep (groene lijn – geen therapie). In de controlegroep zien we ook een afname van depressieve symptomen, maar de afname is sterker in de experimentele groep. Dit suggereert dat er in de controlegroep rijping plaatsvindt, maar dat de behandeling een extra effect heeft bovenop deze natuurlijke verandering/maturation. 83
  7. 07 8.2.3. Bedreiging 3 = Terugval naar het gemiddelde (regression to the mean) Terugval naar het gemiddelde doet zich voor wanneer deelnemers met extreme scores (ofwel heel hoog of heel laag) bij de pretest de neiging hebben om scores dichter bij het populatiegemiddelde te laten zien bij de posttest. Dit gebeurt natuurlijk, aangezien extreme scores vaak uitbijters/outliers zijn en mogelijk niet de werkelijke prestaties of het gedrag van de deelnemer weerspiegelen. Dit kan de valse indruk wekken dat een interventie verandering heeft veroorzaakt, terwijl de verandering in werkelijkheid te wijten kan zijn aan statistische regressie, of de natuurlijke tendens van extreme waarden om naar het gemiddelde te bewegen. ( => Het belangrijkste dat je zou willen hebben: aan het begin van het experiment zouden de groepen gemiddeld gezien vergelijkbaar moeten zijn met elkaar, zodat je alternatieve verklaringen kunt uitsluiten.) Bijvoorbeeld: Wereldbeker voetbal 2014 – Brazilië: halve finale. Brazilië speelt tegen Duitsland (1-7). Duitsland won zo gemakkelijk, dat iedereen dacht dat ze het ook goed zouden doen in de volgende wedstrijd (de finale). De finale was tegen Argentinië. In die wedstrijd was de score 0-1 (een typische voetbalscore). Dit illustreert mooi de terugval naar het gemiddelde. De eerste wedstrijd kan worden gezien als onze pretest. Bij deze pretest zien we een extreme score. De finale kan worden gezien als de posttest. Wanneer je een extreme score bij de pretest observeert, zie je meestal bij de posttest dat de score dichter bij het populatiegemiddelde komt. Het is zeer onwaarschijnlijk dat je hetzelfde extreme resultaat op een tweede moment in de tijd krijgt. 83
  8. 08 Klein schematje, eventueel als hulp: Verschil tussen interactie-effect en two-way interactie-effect 106
  9. 09 Schema bij 2×2 en 2×2×2 designs: 106
  10. 10 * Voorbeeld directe replicatie: Jones, Pelham, & Mirenberg (2004) Jones, Pelham en Mirenberg (2004) onderzochten of mensen zich meer aangetrokken voelen tot anderen die vergelijkbare kenmerken delen. Deelnemers vulden een korte vragenlijst over zichzelf in en zagen vervolgens de antwoorden van een andere, willekeurig geselecteerde deelnemer (maar in werkelijkheid waren de antwoorden fictief). - Voorwaarde A: Het ID-nummer op het antwoordblad kwam overeen met de geboortedatum van de deelnemer. - Voorwaarde B: Het ID-nummer kwam niet overeen met de geboortedatum. Deelnemers beoordeelden de aantrekkelijkheid van de andere "deelnemer", en resultaten toonden aan dat mensen degenen die vergelijkbare kenmerken met hen hadden, als aantrekkelijker beoordeelden (bij conditie A dus). Deze studie deden ze achteraf gewoon opnieuw met een andere steekproef, waarbij ze tot dezelfde conclusie kwamen! 112
  11. 11 * Voorbeeld conceptuele replicatie: Kleef, Shimizu, & Wansink (2012) & Wansink & Cheney (2005) Van Kleef, Shimizu en Wansink (2012) ontdekten dat hoe groter de kom waarin pasta wordt geserveerd, hoe meer pasta er wordt gegeten. Een soortgelijk resultaat werd gevonden door Wansink en Cheney (2005), die toonden dat grotere kommen voor chips leiden tot het eten van meer chips. Dit benadrukt hoe de grootte van serveerschalen de hoeveelheid gegeten voedsel kan beïnvloeden, mogelijk door de perceptie van hoeveel je hebt gegeten. = hetzelfde werd getest in verschillende studies maar onder verschillende operationaliseringen (hoe iets gemeten werd). 113
  12. 12 * Voorbeeld replicatie-plus-extensie: (1) Strayer, Drews, & Johnston (2003): In een rijsimulatie onderzochten Strayer, Drews en Johnston (2003) het effect van telefoneren op de rijprestaties. - Voorwaarde A: Deelnemers kregen een telefoongesprek via een handsfree kit. - Voorwaarde B: Deelnemers hadden geen telefoongesprek. Resultaten toonden aan dat er meer ongevallen gebeurden wanneer deelnemers een telefoongesprek voerden met een handsfree kit, in vergelijking met wanneer ze geen gesprek voerden. Dit wijst erop dat zelfs handsfree bellen de rijveiligheid beïnvloedt. (2) Cooper & Strayer (2008) repliceerden dit onderzoek, maar voegden iets toe. Ze onderzochten of mensen beter zouden worden in het gebruik van een handsfree kit door oefening. Ze voegden een tweede onafhankelijke variabele toe: de mate van oefening (nu is het een 2x2 factorieel design). - Onafhankelijke variabele 1: Telefoneren met een handsfree kit versus geen telefoongesprek. - Onafhankelijke variabele 2: 1 dag oefening versus 4 dagen oefening met de handsfree kit. De studie toonde aan dat, ondanks oefening, er nog steeds meer ongevallen waren bij het gebruik van de handsfree kit, zelfs na meerdere dagen van oefening. = ze konden dezelfde resultaten vinden als de originele studie (1 dag oefenen). Ze kunnen nog een tweede vraag stellen: worden mensen beter door oefening, maar het blijft nog steeds een slecht idee! 113
  13. 13 Sterktes en zwaktes van meta-analyses: Sterke punten van meta-analyse - Samenvatting van wetenschappelijk bewijs: Het biedt een overzicht van alle relevante studies en combineert de resultaten. - Hoge mate van geloofwaardigheid: Omdat het meerdere studies omvat, wordt het effect met meer zekerheid geschat. Zwakke punten van meta-analyse - Afhankelijk van de kwaliteit van primaire studies: De kwaliteit van de meta-analyse is alleen zo goed als de kwaliteit van de studies die erin zijn opgenomen. - File drawer probleem: Studies met niet-significante resultaten worden vaak niet gepubliceerd, wat de representativiteit van de meta-analyse kan beïnvloeden. => Voorbeeld ‘file drawer probleem’: Van de 74 studies die geregistreerd zijn om de effectiviteit van antidepressiva te onderzoeken, tonen 38 studies een positief effect (waarvan 37 zijn gepubliceerd). 36 studies toonden een negatief of null effect (waarvan 3 zijn gepubliceerd). 94% van de gepubliceerde studies tonen een positief effect, terwijl slechts 51% van alle studies een positief effect toont. Dit wijst op publicatiebias, waarbij positieve resultaten vaker gepubliceerd worden dan negatieve of niet-significante resultaten. 114

Document information

Study
Uploaded on
May 20, 2025
Number of pages
115
Written in
2024/2025
Type
Summary
$10.36

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
Sold
208
Followers
18
Items
27
Last sold
2 days ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions