NEONATOLOGIE – L. BREESCH
LES 1: OPNAME EN BEADEMING
N*
- G = 2000 – 2400 gram
- PML 32 – 36 weken
- Neonatale adaptatieproblemen zonder levensbedreigend karakter
- Metabole ontregelingen
- Infecties
- Pathologische icterus
- Onbeschikbaarheid ouder/ psycho-pedagogische incompetentie
NICU
- G < 1000 gram
- PML < 28 – 32 weken
- PML > 32 weken + ander verhoogd risico (bv TTS)
- Ernstige problemen met vitale functies (bv hernia diafragmatica: problemen met
ademhaling)
- Congenitale afwijkingen met levensbedreigend karakter (bv spina bifida,
gastroschizis, omfalocoele)
OPNAME
3 basis-pijlers
Opvangen van:
- Hypothermie
- Hypoxie
- Hypoglycemie
Extra pijler:
- Hypotensie
THERMOREGULATIE
Warmteproductie = warmteverlies maximale energie voor groei door constante
temp!
Fysisch:
- Hersenen regelen T°
- Bloedsomloop verdeelt warmte over lichaam
- Te warm: bloedvaten open + zweten
- Te koud: bloedvaten toe + bibberen
Chemisch: hoger verbruik v suikers en O2, verbranding
bruin vet
Extra hulpmiddelen: kledij en warmte-bronnen
,Heel wat problemen gaan zich voordoen als het kindje te koud heeft!
Koude stress zet een kettingreactie in gang die leidt tot zuurstoftekort, lage
bloedsuiker, verzuring van het lichaam, en uiteindelijk vertraagde groei. Dit is vooral
kritisch bij pasgeborenen die nog weinig reserves hebben.
Energie verbruiken voor groei, dus hypoglycemie doen, meer energie in AH dus meer O2
gebruiken, dus hypoxie, als ze bruin vet hebben dit ook gebruiken,….
PROBLEMEN BIJ PREMATUUR
Fysisch:
- Onrijpheid hypothalamus (hierdoor kan de prematuur overhitten of onderkoelen)
- Geen vasoconstrictie door onrijpheid venen hypothermie &
hyperthermie
- Dunne huid – groot lichaamsoppervlak
- Kunnen niet rillen
Chemisch:
- Hogere energienood
- Beperkte bruin vet- en glycogeenvoorraden hypothermie
Extra hulpmiddelen
- Houding
- Kleding labiele
temperatuur
Bij congenitale afwijkingen – cardiopathie – infecties – AH problemen
- Slechte circulatie: centraal – perifeer
- Geen energie voor thermoregulatie
- Meer kans op hypothermie
Bij asfyxie – neonataal abstinentiesyndroom
- Meer kans op hyperthermie
TEMPERATUUR ONDERSTEUNEN
Fysisch: ‘geduld’, goede bloedcirculatie => bloeddruk ondersteunen
Chemisch: voldoende calorieën toedienen => aangepaste katheters
Extra hulpmiddelen: principes warmte verlies/ winst opvangen, koeling bij asfyxie
BEADEMING
= Wanneer de persoon niet meer zelfstandig kan ademen (verschil met
AHondersteuning)
,NEONAAT MET AHPROBLEMEN
Prematuriteit:
- Onrijp AH-centrum
- Onrijpe longen
- Onvoldoende AH-spieren
Problemen thv de longen: TTN/RDS, meconium aspiratie (surfactant wordt
afgebroken/vernietigt)
Congenitale afwijkingen: hernia diafragmatica, …
Infectie – sepsis (probleem is dat ze trage ademhaling of geen hebben=> beademing om
eerst infectie te kunnen controleren en behandelen)
Post-operatief: om pijnmedicatie te kunnen geven
AHONDERSTEUNING
Doel:
- Alveolen rekruteren
- Op meest natuurlijke manier
- Op minst invasieve manier!
Keuze afh van neonaat en pathologie
AH blijven observeren! (o.a. geluid, waar, symmetrie/ asymmetrie, frequentie,
neusvleugelen)
AHinspanning => ondersteuning wijzigen
MOGELIJKHEDEN
- CPAP: Een machine die continu een lichte overdruk geeft via een neusmasker, zodat
de longen open blijven en de baby zelf kan ademen.
- Optiflow: Een soort neusbril die verwarmde en bevochtigde zuurstof onder lichte druk
geeft. Minder intensief dan CPAP.
SIMV (Synchronized intermittent mandytory ventilation): Een beademingsvorm
waarbij de machine helpt bij een aantal ademhalingen, maar de baby ook zelf ademt.
=> Synchroon met ademteugen, binnen triggervenster
SIPPV (Synchronized intermittent positive pressure ventilation): Een vorm van
beademing waarbij de machine helpt met elke ademhaling van de baby, zodat
ademen makkelijker gaat. => Alle ademteugen ondersteund, minimale frequentie
- HFOV (High-frequency oscillatory ventilation): Een heel snelle vorm van beademing
waarbij de machine veel kleine ademhalingen per seconde geeft om de longen open
te houden.
INSURE-METHODE (MEER INVASIEF)
- Intubatie
- Surfactant toedienen (rechtstreeks in longen)
- Extuberen (buisje verwijderen en overstappen op CPAP) : Dit is een korte intubatie om
het surfactant toe te dienen en daarna de baby weer zelf te laten ademen.
INTUBATIE
, Tube wordt endotracheaal geplaatst (arts)
Doel = vlotte intubatie (Parate kennis & assistentie van de vroedvrouw)
Materiaal:
- Ambu/neopuff met aangepast masker
- Mixbox
- Aspiratiemateriaal
- Stethoscoop
Intubatie-materiaal:
- Endotracheale tube (ETT):aangepaste maat!
(tot in luchtpijp)
- Magyll-tang: groot of klein (tang om in
tracheale tube vast te pakken)
- Laryngoscoop: aangepast laryngoscoopblad, lichtje, batterij
- Pedicap (op ETT die CO2 meet bij uitademing (kleurt paars als het goed is, anders zit
je bv in maag))
- Kleefpleister voor fixatie ETT
LISA OF MIST-METHODE (MINDER INVASIEF)
Hierbij wordt het surfactant via een dun slangetje in de longen gebracht, zonder dat de
baby volledig wordt geïntubeerd.
➝ Dit is vriendelijker en minder belastend voor de baby dan de INSURE-methode.
BEADEMINGSMODALITEITEN
SIPPV, SIMV, HFOV, NO
NO = stikstofmonoxide, vermindering longweerstand (bv pulmonaire hypotensie)
BEADEMING: BASIS BEGRIPPEN
Frequentie: aantal machinale AHcycli per minuut
F¡O²: fractie geïnspireerde hoeveelheid O2 (je kan tot 100% gaan maar meestal 20-30%)
T¡: inspiratietijd ong 0,4 sec => blijft hetzelfde!!
Te: expiratietijd => moet lang genoeg zijn om long volledig te ontluchten, met behoud
van PEEP. Anders gevaar voor AIR-TRAPPING, is een flexibele factor!!!
I/E-ratio: Verhouding T¡ - Te
Teugvolume: in- of uitgeademd gasvolume bij elke ademhalingscyclus => is nodig om
minuut volume te bepalen
Flow: totale hoev gasmengsel (O2 en perslucht)
- Afh van leeftijd (Preterm 6-81, Aterm 8-101)
Pip (positive inspiratory pressure): gevaar voor barotrauma => druk die je nodig
hebt om lucht in te blazen
LES 1: OPNAME EN BEADEMING
N*
- G = 2000 – 2400 gram
- PML 32 – 36 weken
- Neonatale adaptatieproblemen zonder levensbedreigend karakter
- Metabole ontregelingen
- Infecties
- Pathologische icterus
- Onbeschikbaarheid ouder/ psycho-pedagogische incompetentie
NICU
- G < 1000 gram
- PML < 28 – 32 weken
- PML > 32 weken + ander verhoogd risico (bv TTS)
- Ernstige problemen met vitale functies (bv hernia diafragmatica: problemen met
ademhaling)
- Congenitale afwijkingen met levensbedreigend karakter (bv spina bifida,
gastroschizis, omfalocoele)
OPNAME
3 basis-pijlers
Opvangen van:
- Hypothermie
- Hypoxie
- Hypoglycemie
Extra pijler:
- Hypotensie
THERMOREGULATIE
Warmteproductie = warmteverlies maximale energie voor groei door constante
temp!
Fysisch:
- Hersenen regelen T°
- Bloedsomloop verdeelt warmte over lichaam
- Te warm: bloedvaten open + zweten
- Te koud: bloedvaten toe + bibberen
Chemisch: hoger verbruik v suikers en O2, verbranding
bruin vet
Extra hulpmiddelen: kledij en warmte-bronnen
,Heel wat problemen gaan zich voordoen als het kindje te koud heeft!
Koude stress zet een kettingreactie in gang die leidt tot zuurstoftekort, lage
bloedsuiker, verzuring van het lichaam, en uiteindelijk vertraagde groei. Dit is vooral
kritisch bij pasgeborenen die nog weinig reserves hebben.
Energie verbruiken voor groei, dus hypoglycemie doen, meer energie in AH dus meer O2
gebruiken, dus hypoxie, als ze bruin vet hebben dit ook gebruiken,….
PROBLEMEN BIJ PREMATUUR
Fysisch:
- Onrijpheid hypothalamus (hierdoor kan de prematuur overhitten of onderkoelen)
- Geen vasoconstrictie door onrijpheid venen hypothermie &
hyperthermie
- Dunne huid – groot lichaamsoppervlak
- Kunnen niet rillen
Chemisch:
- Hogere energienood
- Beperkte bruin vet- en glycogeenvoorraden hypothermie
Extra hulpmiddelen
- Houding
- Kleding labiele
temperatuur
Bij congenitale afwijkingen – cardiopathie – infecties – AH problemen
- Slechte circulatie: centraal – perifeer
- Geen energie voor thermoregulatie
- Meer kans op hypothermie
Bij asfyxie – neonataal abstinentiesyndroom
- Meer kans op hyperthermie
TEMPERATUUR ONDERSTEUNEN
Fysisch: ‘geduld’, goede bloedcirculatie => bloeddruk ondersteunen
Chemisch: voldoende calorieën toedienen => aangepaste katheters
Extra hulpmiddelen: principes warmte verlies/ winst opvangen, koeling bij asfyxie
BEADEMING
= Wanneer de persoon niet meer zelfstandig kan ademen (verschil met
AHondersteuning)
,NEONAAT MET AHPROBLEMEN
Prematuriteit:
- Onrijp AH-centrum
- Onrijpe longen
- Onvoldoende AH-spieren
Problemen thv de longen: TTN/RDS, meconium aspiratie (surfactant wordt
afgebroken/vernietigt)
Congenitale afwijkingen: hernia diafragmatica, …
Infectie – sepsis (probleem is dat ze trage ademhaling of geen hebben=> beademing om
eerst infectie te kunnen controleren en behandelen)
Post-operatief: om pijnmedicatie te kunnen geven
AHONDERSTEUNING
Doel:
- Alveolen rekruteren
- Op meest natuurlijke manier
- Op minst invasieve manier!
Keuze afh van neonaat en pathologie
AH blijven observeren! (o.a. geluid, waar, symmetrie/ asymmetrie, frequentie,
neusvleugelen)
AHinspanning => ondersteuning wijzigen
MOGELIJKHEDEN
- CPAP: Een machine die continu een lichte overdruk geeft via een neusmasker, zodat
de longen open blijven en de baby zelf kan ademen.
- Optiflow: Een soort neusbril die verwarmde en bevochtigde zuurstof onder lichte druk
geeft. Minder intensief dan CPAP.
SIMV (Synchronized intermittent mandytory ventilation): Een beademingsvorm
waarbij de machine helpt bij een aantal ademhalingen, maar de baby ook zelf ademt.
=> Synchroon met ademteugen, binnen triggervenster
SIPPV (Synchronized intermittent positive pressure ventilation): Een vorm van
beademing waarbij de machine helpt met elke ademhaling van de baby, zodat
ademen makkelijker gaat. => Alle ademteugen ondersteund, minimale frequentie
- HFOV (High-frequency oscillatory ventilation): Een heel snelle vorm van beademing
waarbij de machine veel kleine ademhalingen per seconde geeft om de longen open
te houden.
INSURE-METHODE (MEER INVASIEF)
- Intubatie
- Surfactant toedienen (rechtstreeks in longen)
- Extuberen (buisje verwijderen en overstappen op CPAP) : Dit is een korte intubatie om
het surfactant toe te dienen en daarna de baby weer zelf te laten ademen.
INTUBATIE
, Tube wordt endotracheaal geplaatst (arts)
Doel = vlotte intubatie (Parate kennis & assistentie van de vroedvrouw)
Materiaal:
- Ambu/neopuff met aangepast masker
- Mixbox
- Aspiratiemateriaal
- Stethoscoop
Intubatie-materiaal:
- Endotracheale tube (ETT):aangepaste maat!
(tot in luchtpijp)
- Magyll-tang: groot of klein (tang om in
tracheale tube vast te pakken)
- Laryngoscoop: aangepast laryngoscoopblad, lichtje, batterij
- Pedicap (op ETT die CO2 meet bij uitademing (kleurt paars als het goed is, anders zit
je bv in maag))
- Kleefpleister voor fixatie ETT
LISA OF MIST-METHODE (MINDER INVASIEF)
Hierbij wordt het surfactant via een dun slangetje in de longen gebracht, zonder dat de
baby volledig wordt geïntubeerd.
➝ Dit is vriendelijker en minder belastend voor de baby dan de INSURE-methode.
BEADEMINGSMODALITEITEN
SIPPV, SIMV, HFOV, NO
NO = stikstofmonoxide, vermindering longweerstand (bv pulmonaire hypotensie)
BEADEMING: BASIS BEGRIPPEN
Frequentie: aantal machinale AHcycli per minuut
F¡O²: fractie geïnspireerde hoeveelheid O2 (je kan tot 100% gaan maar meestal 20-30%)
T¡: inspiratietijd ong 0,4 sec => blijft hetzelfde!!
Te: expiratietijd => moet lang genoeg zijn om long volledig te ontluchten, met behoud
van PEEP. Anders gevaar voor AIR-TRAPPING, is een flexibele factor!!!
I/E-ratio: Verhouding T¡ - Te
Teugvolume: in- of uitgeademd gasvolume bij elke ademhalingscyclus => is nodig om
minuut volume te bepalen
Flow: totale hoev gasmengsel (O2 en perslucht)
- Afh van leeftijd (Preterm 6-81, Aterm 8-101)
Pip (positive inspiratory pressure): gevaar voor barotrauma => druk die je nodig
hebt om lucht in te blazen