Oefening 1
Een consument beschikt over een inkomen van 180 EUR dat hij kan besteden aan de
consumptie van twee goederen, namelijk boeken en CD’s. Een boek kost 11,25 EUR en een
CD kost 15 EUR.
Gevraagd:
a. Stel de budgetlijn B1 van deze consument grafisch voor.
180 = 11.25Qx + 15Qy
(16,0) en (0,12) = (180/11.25x) en (180/15y)
b. Stel dat het inkomen stijgt tot 270 EUR. Stel de nieuwe budgetlijn B2 grafisch voor.
270 = 11.25Qx + 15Qy
(24,0) en (0,18) = (270/11.25x) en (270/15y)
c. Stel dat de prijs van een CD vermindert tot 11,25 EUR. De prijs van een boek blijft
11,25 EUR en het inkomen blijft 180 EUR. Stel de nieuwe budgetlijn B3 voor.
180 = 11.25Qx + 11.25Qy
(16,0) en (0,16) = (180/11.25x) en (180/11.25y)
d. Stel dat de prijs van een boek 20 EUR is. De prijs van een CD blijft 15 EUR en het
inkomen blijft 180 EUR. Stel de nieuwe budgetlijn B4 voor.
180 = 20Qx + 15Qy
(9,0) en (0,12) = (180/20x) en (180/15y)
1
,Oefening 2
Het ministerie van volksgezondheid voert een beleid gericht op het ontmoedigen van roken.
Een belangrijk wapen van de overheid in de strijd tegen het roken is het verhogen van de
tabaksaccijns. Het succes van een accijnsverhoging hangt echter af van de prijselasticiteit
van de vraag naar tabaksproducten.
De gevolgen van een accijnsverhoging kunnen worden onderzocht aan de hand van een
model van de Belgische sigarettenmarkt. In dat model wordt ervan uitgegaan dat op de
Belgische sigarettenmarkt steeds de volgende vraagvergelijking geldt:
Qv = -10P + 150
waarbij: P = prijs van een pakje sigaretten in EUR
Qv = gevraagde hoeveelheid sigaretten per maand in miljoenen pakjes
Gevraagd:
Bereken de prijselasticiteit van de vraag naar sigaretten als je weet dat een pakje sigaretten
oorspronkelijk 4,5 EUR kost en na een accijnsverhoging 5,2 EUR kost. Interpreteer tevens
dit getal.
Oplossing:
Qv0 = -10 x 4.5 + 150 = 105
Qv1 = -10 x 5.2 + 150 = 98
P0 = 4.5
P1 = 5.2
(98-105) x 4.5 = -0.43 = Prijsinelastische vraag
105 (5.2 - 4.5)
2
,Oefening 3
Stel dat de vraagvergelijking van een bepaald soort zeep luidt:
Qv = -2,5P + 20
waarbij: Qv = gevraagde hoeveelheid in miljoenen bollen zeep
P = prijs van een bol zeep in EUR
Gevraagd:
a. Wat is het gevolg voor de afzet en de omzet als de prijs van een bol zeep toeneemt
van 1.5 EUR naar 2 EUR?
b. Bereken de prijselasticiteit van de vraag en interpreteer dit getal
Oplossing:
a. Qv0 = -2.5 x 1.5 + 20 = 16.25 naar Qv1 = -2.5 x 2 + 20 = 15 = AFZETDALING
16.25 x 1.5 = 24.375 naar 15 x 2 = 30 = OMZETSTIJGING.
b. P0 = 1.5 en P1 = 2
(15-16.25) x 1.5 = -0.23 = Prijsinelastische vraag
16.25 (2 - 1.5)
3
,Oefening 4
Fabrikant ABC wil een nieuw product op de markt brengen. Uit marktonderzoek naar dit
nieuwe product is het volgende gebleken met betrekking tot verschillende prijzen en
bijbehorende gevraagde hoeveelheden:
Gevraagde
Prijs hoeveelheid
x 1cent x 1.000 stuks
0
1000
800 400
600 800
400 1200
200 1600
0
2000
Gevraagd:
Bereken de prijselasticiteit van de vraag als de prijs stijgt van 200 cent naar 400 cent.
Oplossing:
(-)400 = -0.25
1600
Oefening 5
Een producent weet uit onderzoek dat de prijselasticiteit van de vraag van een artikel gelijk is
aan -1,2. De producent verlaagt de prijs van het artikel met 6%. Vóór de prijswijziging
verkocht hij 5.000 stuks van dit artikel.
Gevraagd:
Bereken de nieuwe afzet van het artikel na de prijsverandering.
Oplossing:
5000 x 1.2 = 6000 x 6% = 360 + 5000 = 5360
4
, Oefening 6
Een fabrikant verkoopt van een product 150.000 exemplaren tegen een prijs van € 80,-. De
fabrikant verhoogt de prijs van het product naar € 100,-. De prijselasticiteit van de vraag van
dat product bedraagt -0,8.
Gevraagd:
Bereken de omzet van het artikel ná de prijsverandering.
Oplossing:
150.000 x (80/100) = 120.000 x 100 = 12.000.000
Oefening 7
In het kader van de bestrijding van de luchtvervuiling wil de minister van mobiliteit het
treinvervoer met 10% doen toenemen. Hij overweegt 1 van onderstaande maatregelen:
Een aanpassing van de treintarieven
Een aanpassing van de benzineprijs
De prijselasticiteit van de vraag naar treinverkeer is -1,2. De kruiselingse prijselasticiteit van
de vraag naar treinverkeer m.b.t. de benzineprijs is +2.
Gevraagd:
a. Hoeveel moet de verandering van de treintarieven bedragen om de doelstelling te
bereiken?
b. Hoeveel moet de verandering in de benzineprijs bedragen om de doelstelling te
bereiken?
c. Beoordeel de evolutie van de ontvangsten van de NMBS bij elke maatregel.
Oplossing:
a. 10% / -1.2 = -8.33%
b. 10% / 2 = 5%
c. Voor de NMBS is geval 2 het interessantste want ze verkopen meer en krijgen toch
nog steeds dezelfde prijs voor hun treintickets.
5