Differentiëren H3 Niveau 1 vwo
In de volgende tabel is de soortelijke warmte voor een aantal stoffen gegeven.
1 Bereken hoeveel warmte je aan 8,0 gram water moet toevoeren om dit water een
temperatuurstijging van 20 graden Celsius te geven.
2 Een blokje koper van 16 gram wordt verwarmd. Tijdens het verwarmen wordt er
40 joule aan het koper toegevoerd. Bereken de temperatuurstijging van het koper.
3 Een hete ijzeren kogel met een massa van 220 g heeft een temperatuur van
190°C. In de eerste minuut van het afkoelen staat de kogel 5566 J aan warmte af.
Bereken de temperatuur van de kogel na deze minuut.
4 Een hoeveelheid water staat 4000 J aan warmte af als het afkoelt van 40 °C naar
25 °C. Bereken de massa van het water.
, Differentiëren H3 Niveau 2 vwo
In de volgende tabel is de soortelijke warmte voor een aantal stoffen gegeven.
IJzer en koper
Een heet blokje ijzer van 300 g wordt met een koud blokje koper van 400 g in contact
gebracht. Het laatste blokje heeft een temperatuur van 10 °C. Na enige tijd is de
temperatuur in beide blokjes gelijk namelijk 50 °C. Er heeft hierbij geen warmt
uitwisseling met de omgeving plaatsgevonden.
1 Bereken hoeveel warmte het blokje koper heeft opgenomen.
2 Bereken de begintemperatuur van het ijzerblokje.
Glazen beker
Jan vult een glazen beker tot de rand met 300 g kokend water (dus van 100°C). De
begintemperatuur van de beker bedraagt 20 °C. Na enige tijd is de temperatuur in de
beker en het water overal 89 °C. De soortelijke warmte van het glas is 0,80 J/g°C.
3 Bereken de massa van de beker als er geen warmte naar de omgeving zou zijn
weggevloeid.
4 In werkelijkheid gaat er wel warmte naar de omgeving. Zal de echte massa van de
beker daardoor hoger of lager zijn dan de hiervoor berekende waarde? Licht je
antwoord toe.
Onderdompelen
5 Een blokje lood van 130 g en 100 °C wordt ondergedompeld in
een bekerglas dat gevuld is met 130 g water van 20 °C. Zie de
figuur hiernaast. Na goed roeren wordt de eindtemperatuur 22
°C. Hierbij nemen het (lege) bekerglas en de thermometer
samen 210 J aan warmte op. Bereken de soortelijke warmte
van lood. Neem daarbij aan dat er geen warmte-uitwisseling
met de omgeving heeft plaatsgevonden.
In de volgende tabel is de soortelijke warmte voor een aantal stoffen gegeven.
1 Bereken hoeveel warmte je aan 8,0 gram water moet toevoeren om dit water een
temperatuurstijging van 20 graden Celsius te geven.
2 Een blokje koper van 16 gram wordt verwarmd. Tijdens het verwarmen wordt er
40 joule aan het koper toegevoerd. Bereken de temperatuurstijging van het koper.
3 Een hete ijzeren kogel met een massa van 220 g heeft een temperatuur van
190°C. In de eerste minuut van het afkoelen staat de kogel 5566 J aan warmte af.
Bereken de temperatuur van de kogel na deze minuut.
4 Een hoeveelheid water staat 4000 J aan warmte af als het afkoelt van 40 °C naar
25 °C. Bereken de massa van het water.
, Differentiëren H3 Niveau 2 vwo
In de volgende tabel is de soortelijke warmte voor een aantal stoffen gegeven.
IJzer en koper
Een heet blokje ijzer van 300 g wordt met een koud blokje koper van 400 g in contact
gebracht. Het laatste blokje heeft een temperatuur van 10 °C. Na enige tijd is de
temperatuur in beide blokjes gelijk namelijk 50 °C. Er heeft hierbij geen warmt
uitwisseling met de omgeving plaatsgevonden.
1 Bereken hoeveel warmte het blokje koper heeft opgenomen.
2 Bereken de begintemperatuur van het ijzerblokje.
Glazen beker
Jan vult een glazen beker tot de rand met 300 g kokend water (dus van 100°C). De
begintemperatuur van de beker bedraagt 20 °C. Na enige tijd is de temperatuur in de
beker en het water overal 89 °C. De soortelijke warmte van het glas is 0,80 J/g°C.
3 Bereken de massa van de beker als er geen warmte naar de omgeving zou zijn
weggevloeid.
4 In werkelijkheid gaat er wel warmte naar de omgeving. Zal de echte massa van de
beker daardoor hoger of lager zijn dan de hiervoor berekende waarde? Licht je
antwoord toe.
Onderdompelen
5 Een blokje lood van 130 g en 100 °C wordt ondergedompeld in
een bekerglas dat gevuld is met 130 g water van 20 °C. Zie de
figuur hiernaast. Na goed roeren wordt de eindtemperatuur 22
°C. Hierbij nemen het (lege) bekerglas en de thermometer
samen 210 J aan warmte op. Bereken de soortelijke warmte
van lood. Neem daarbij aan dat er geen warmte-uitwisseling
met de omgeving heeft plaatsgevonden.