Deel 2: De Belgische staatsstructuur
1. Kenmerken van de Belgische staat
1.1. Rechtsstaat
De liberale rechtsfilosofie ligt aan de basis van het begrip rechtsstaat.
Overheid (OH) moet rechten van burgers respecteren:
→ fundamentele rechten en vrijheden (Gw, EVRM)(Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens)
→ democratisch tot stand gekomen wetgeving naleven
OH moet rechten van burgers beschermen:
→ onafhankelijke gerechtelijke structuren voorzien
(rechtsbescherming)
→ uitvoerende structuren voorzien (bestuur)
20ste eeuw: regulerend optreden van de staat
→ sociale, economische, culturele, fiscale wetgeving
1.2. Democratie
Democratie = participatie van de burgers in het staatsbestuur
Hoe? via vrije verkiezingen van “volksvertegenwoordigers” in het parlement
→ parlementaire democratie
Evolutie van het stemrecht:
1) cijnskiesrecht (1831)
= belasting betalen om te stemmen, alleen mannen (boven 25 jaar). Vooral
Franstalige liberalen (fabriekseigenaars) die het voor het zeggen hadden. Zij
stelde de wet op ze zeiden dat er een taalvrijheid was maar de officiële taal
was Frans. Dus thuis mag je wel je eigen taal spreken. Dus zo kwam er boosheid
van de Vlamingen waardoor partijen zoals bv NVA nu zo populair zijn.
2) algemeen meervoudig stemrecht (1893)
= alleen mannen (ouder dan 25 jaar) mogen 1,2,3 stemmen uitvoeren. Als je een
bepaald diploma,beroep had mocht je meer stemmen.
3) algemeen enkelvoudig stemrecht (1919)
= alleen mannen boven 21 jaar krijgen 1 stem dus iedereen dezelfde stem.
4) stemrecht vrouwen (1948)
= vrouwen mochten ook stemmen.
5) 1981
Stemplicht= je bent niet verplicht om te stemmen maar verplicht om op te
komen dagen dus je mag ook blanco stemmen.
, 1.3. Scheiding der machten
Montesquieu (franse filosoof): “il faut que le pouvoir arrête le pouvoir” (De
macht moet de macht stoppen)(de macht is niet in de handen van 1 persoon of
groep, maar moeten worden verdeeld over verschillende instellingen die elkaar
in evenwicht brengen)
Het begrip rechtsstaat werd in de liberale filosofie gekoppeld aan een drieledig
onderscheid in de overheidsfuncties: “Trias politica” (scheiding der machten)
Wetgevende en uitvoerende werken eerder samen dan dat ze gescheiden zijn.
De wetgevende controleert de uitvoerende.
Enige macht die wel gescheiden is = rechterlijke macht
Annelies Verlinden nieuwe minister van justitie
1. De wetgevende functie: het recht formuleren in klare wetteksten met
duidelijk bijbehorende sancties.
2. De rechterlijke functie: het recht interpreteren en toepassen op concrete
situaties waarbij inbreuken op de wet worden begaan, of waarbij
conflicten tussen mensen opgelost moeten worden.
3. De uitvoerende functie: het bestuur van de overheidsadministratie.
1.4. Eenheidsstaat en federalisering
Evolutie: van eenheidsstaat naar “federale staat
→ 1830: centraal gezag – provincies– gemeenten
→ GW-herzieningen 1970-2014 (federalisering)
GW= grondwet
Federalisering
→ Oprichting deelstaten (3 Gewesten -3 Gemeenschappen) met overdracht van
bevoegdheden
→ Geleidelijke uitbreiding bevoegdheden
1. Kenmerken van de Belgische staat
1.1. Rechtsstaat
De liberale rechtsfilosofie ligt aan de basis van het begrip rechtsstaat.
Overheid (OH) moet rechten van burgers respecteren:
→ fundamentele rechten en vrijheden (Gw, EVRM)(Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens)
→ democratisch tot stand gekomen wetgeving naleven
OH moet rechten van burgers beschermen:
→ onafhankelijke gerechtelijke structuren voorzien
(rechtsbescherming)
→ uitvoerende structuren voorzien (bestuur)
20ste eeuw: regulerend optreden van de staat
→ sociale, economische, culturele, fiscale wetgeving
1.2. Democratie
Democratie = participatie van de burgers in het staatsbestuur
Hoe? via vrije verkiezingen van “volksvertegenwoordigers” in het parlement
→ parlementaire democratie
Evolutie van het stemrecht:
1) cijnskiesrecht (1831)
= belasting betalen om te stemmen, alleen mannen (boven 25 jaar). Vooral
Franstalige liberalen (fabriekseigenaars) die het voor het zeggen hadden. Zij
stelde de wet op ze zeiden dat er een taalvrijheid was maar de officiële taal
was Frans. Dus thuis mag je wel je eigen taal spreken. Dus zo kwam er boosheid
van de Vlamingen waardoor partijen zoals bv NVA nu zo populair zijn.
2) algemeen meervoudig stemrecht (1893)
= alleen mannen (ouder dan 25 jaar) mogen 1,2,3 stemmen uitvoeren. Als je een
bepaald diploma,beroep had mocht je meer stemmen.
3) algemeen enkelvoudig stemrecht (1919)
= alleen mannen boven 21 jaar krijgen 1 stem dus iedereen dezelfde stem.
4) stemrecht vrouwen (1948)
= vrouwen mochten ook stemmen.
5) 1981
Stemplicht= je bent niet verplicht om te stemmen maar verplicht om op te
komen dagen dus je mag ook blanco stemmen.
, 1.3. Scheiding der machten
Montesquieu (franse filosoof): “il faut que le pouvoir arrête le pouvoir” (De
macht moet de macht stoppen)(de macht is niet in de handen van 1 persoon of
groep, maar moeten worden verdeeld over verschillende instellingen die elkaar
in evenwicht brengen)
Het begrip rechtsstaat werd in de liberale filosofie gekoppeld aan een drieledig
onderscheid in de overheidsfuncties: “Trias politica” (scheiding der machten)
Wetgevende en uitvoerende werken eerder samen dan dat ze gescheiden zijn.
De wetgevende controleert de uitvoerende.
Enige macht die wel gescheiden is = rechterlijke macht
Annelies Verlinden nieuwe minister van justitie
1. De wetgevende functie: het recht formuleren in klare wetteksten met
duidelijk bijbehorende sancties.
2. De rechterlijke functie: het recht interpreteren en toepassen op concrete
situaties waarbij inbreuken op de wet worden begaan, of waarbij
conflicten tussen mensen opgelost moeten worden.
3. De uitvoerende functie: het bestuur van de overheidsadministratie.
1.4. Eenheidsstaat en federalisering
Evolutie: van eenheidsstaat naar “federale staat
→ 1830: centraal gezag – provincies– gemeenten
→ GW-herzieningen 1970-2014 (federalisering)
GW= grondwet
Federalisering
→ Oprichting deelstaten (3 Gewesten -3 Gemeenschappen) met overdracht van
bevoegdheden
→ Geleidelijke uitbreiding bevoegdheden