Wereldeconomie (H3 t/m H4)
H3 - De wisselkoers
De wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt, bijvoorbeeld de euro in
de dollar. De wisselkoers wordt bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt.
- Een stijging van de wisselkoers door vraag en aanbod heet een appreciatie
- Een daling van de wisselkoers door vraag en aanbod heet een depreciatie
→ Als de vraag naar een munt stijgt (of het aanbod daalt) zal de wisselkoers van die munt
stijgen (appreciatie).
Er zijn veel verschillende valuta, dus er is geen sprake van één markt of één wisselkoers.
Alle ontvangsten op de betalingsbalans zijn een inkomende geldstroom. Alle uitgaven zijn een
uitgaande geldstroom. Uitgaven leiden tot aanbod van de munt op de valutamarkt.
Als landen een overschot op de betalingsbalans hebben ten opzichte van een ander land, zal
de wisselkoers van hun valuta appreciëren ten opzichte van de valuta van het andere land,
omdat de vraag naar de munt groter is dan het aanbod (ontvangsten > uitgaven).
Een aparte vorm van beleggen is valutaspeculatie: Speculanten verwachten een
waardestijging of -daling van de valuta. Bij een verwachte stijging zullen valutaspeculanten
massaal de munt op de valutamarkt gaan kopen, waardoor de waarde daadwerkelijk stijgt.
→ Verwachtingen worden door gedrag waargemaakt: selffulfilling prophecy.
Bilaterale wisselkoers = de wisselkoers van twee munten ten opzichte van elkaar.
- Bij een dalende vraaglijn geldt: hoe lager de wisselkoers van land 1, (hoe goedkoper
producten uit dat land), hoe hoger de vraag naar producten uit land 1.
→ Negatief verband tussen de koers en de vraag
- Bij een stijgende aanbodlijn geldt: hoe hoger de koers van land 1, hoe goedkoper
producten uit land 2 zijn voor land1, hoe hoger het aanbod in land 2
→ Positief verband tussen de koers en het aanbod
De concurrentiepositie binnen bijvoorbeeld de eurozone wordt bepaald door ontwikkelingen
van de inflatie tussen lidstaten. De concurrentiepositie ten opzichte van landen buiten het eigen
gebied wordt bepaald door binnenlandse prijsontwikkeling en de wisselkoers.
De effectieve wisselkoers is de gemiddelde koers van de eigen munt ten opzichte van de
belangrijkste handelspartners. Hoe groter het aandeel van een handelspartner in de totale
handel, hoe groter het gewicht van een bepaalde wisselkoers.
Bij een handelsoverschot wordt er meer geëxporteerd dan geïmporteerd. Buitenlanden
hebben dus de munt nodig om goederen/diensten te kopen uit het andere land. Het
teveel ontvangen geld stroomt het land weer uit via leningen en beleggingen in
buitenlanden met een tekort → kapitaaluitstroom. Andersom gaat een handelstekort
samen met kapitaalinstroom.
,Binnenlandse economische ontwikkelingen spelen ook een rol bij veranderende
wisselkoersen. Stel dat de economie zich in een laagconjunctuur bevindt (weinig
import → saldo lopende rekening verbetert). Er kunnen twee dingen gebeuren:
1. Saldo van de financiële rekening verslechtert verder door meer netto kapitaaluitstroom.
a. Beleggers zien meer voordelen in beleggen in een ‘stabiel’ buitenland.
2. De wisselkoers stijgt
a. Er is in verhouding meer vraag naar de munt dan aanbod. De hogere koers zorgt
voor een verslechtering van de concurrentiepositie, waardoor er minder vraag
naar de munt komt. Saldo lopende rekening daalt weer gelijk aan het saldo op de
financiële rekening.
Als de wisselkoers verandert, ervaren de inwoners van dat valutagebied de
gevolgen daarvan in de binnenlandse economie. Als de wisselkoers van de euro
daalt ten opzichte van de dollar, worden producten in het eurogebied goedkoper
voor dollarlanden → meer export → meer binnenlandse productie nodig → gevolgen
voor de arbeidsmarkt
Twee oorzaken voor stijgende verkoopprijzen (inflatie):
1. Stijgende bestedingen leiden tot bestedingsinflatie
a. Hangt samen met een hoogconjunctuur
b. Positieve output gap: bestedingen overtreffen de potentiële productie (Y > Y*)
2. Stijgende productiekosten leiden tot kosteninflatie
a. Bedrijven rekenen (hogere) kosten door in hun verkoopprijzen
b. Vaak zijn bedrijven afhankelijk van buitenlandse producten. Als door
een daling van de wisselkoers de productiekosten stijgen →
geïmporteerde kosteninflatie
→ Bij beide oorzaken kan de wisselkoers een rol spelen
Er zijn twee verschillende wisselkoerssystemen:
1. Zwevende wisselkoersen (of: flexibele wisselkoersen)
a. Wisselkoers bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt
b. Ingaande en uitgaande geldstroom zijn op lange termijn in evenwicht
c. Schommelende wisselkoersen veroorzaken onzekerheid bij importeurs
en exporteurs → valutarisico/wisselkoersrisico
i. Bij een vooraf afgesproken prijs moet een importeur een hoger bedrag
betalen bij een onverwachte stijging van de buitenlandse wisselkoers
2. Vaste wisselkoersen
a. Landen spreken af dat de wisselkoers onderling niet/beperkt mag schommelen
i. Vastgestelde wisselkoers heet de spilkoers/pariteit
b. De ruimte waarbinnen de spilkoers mag schommelen heet de bandbreedte. Bij
een schommeling buiten de bandbreedte wordt er ingegrepen.
i. De CB kan ingrijpen door valuta-interventies of rentebeleid.
, Valuta-interventies = Het beïnvloeden van de wisselkoers door aankoop of verkoop van de
eigen munt.
↳ De centrale bank kan dit volhouden zolang zij beschikt over voldoende
valutareserve.
Rentebeleid = Het verhogen of verlagen van de rentevoet
↳ Geschikt middel om indirect de wisselkoers te reguleren.
Als beide ingrijpen niet werken, kan de spilkoers aangepast worden. Een verhoging van de
vastgestelde wisselkoers heet een revaluatie. Een daling van de vastgestelde wisselkoers heet
een devaluatie.
Vaste wisselkoersen hebben als voordeel meer zekerheid voor internationale handelaren. Je
geeft echter wel een stukje flexibiliteit en beleidsvrijheid op.
Het trilemma van het monetair beleid:
→ Maar twee van de volgende drie uitgangspunten kunnen tegelijkertijd worden
gehandhaafd:
● Zelfstandig monetair beleid
○ Hiervan is sprake als de CB de binnenlandse rente langdurig kan laten afwijken
van de rente op de internationale kapitaalmarkt
● Vrij (internationaal) kapitaalverkeer
○ Hiervan is sprake als bedrijven en gezinnen zonder belemmeringen kunnen
lenen, investeren en beleggen en andere landen
● Vaste wisselkoers
○ Hiervan is sprake als de waarde van de munt in vaste verhouding staat met
andere munten.
Combinatie A: Vrij kapitaalverkeer en een vaste wisselkoers
Voorbeeld: EMU. Bedrijven en gezinnen kunnen vrij sparen in alle landen in de eurozone.
Tussen de eurolanden geldt een vaste wisselkoers: €1 = €1. Als de centrale banken nu
zelfstandig monetair beleid zouden kunnen voeren, zouden ze de rente kunnen laten stijgen,
waardoor buitenlandse beleggers worden aangetrokken. Dit leidt tot meer vraag naar de euro,
waardoor de koers van de euro apprecieert. Dit komt niet overeen met een vaste wisselkoers,
dus een zelfstandig monetair beleid moet worden opgegeven.
Combinatie B: Zelfstandig monetair beleid en vrij kapitaalverkeer
Als een land kiest voor zelfstandig monetair beleid en vrij kapitaalverkeer, zullen er tussen
landen verschillende hoogtes van de rente ontstaan. Een land met een relatief hoge rente trekt
meer buitenlandse spaarders aan dan een land met relatief lage rente, waardoor er verschillen
tussen de wisselkoersen zullen ontstaan. Dit komt niet overeen met een vaste wisselkoers.
Combinatie C: Zelfstandig monetair beleid en een vaste wisselkoers
H3 - De wisselkoers
De wisselkoers is de prijs van een munt uitgedrukt in een andere munt, bijvoorbeeld de euro in
de dollar. De wisselkoers wordt bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt.
- Een stijging van de wisselkoers door vraag en aanbod heet een appreciatie
- Een daling van de wisselkoers door vraag en aanbod heet een depreciatie
→ Als de vraag naar een munt stijgt (of het aanbod daalt) zal de wisselkoers van die munt
stijgen (appreciatie).
Er zijn veel verschillende valuta, dus er is geen sprake van één markt of één wisselkoers.
Alle ontvangsten op de betalingsbalans zijn een inkomende geldstroom. Alle uitgaven zijn een
uitgaande geldstroom. Uitgaven leiden tot aanbod van de munt op de valutamarkt.
Als landen een overschot op de betalingsbalans hebben ten opzichte van een ander land, zal
de wisselkoers van hun valuta appreciëren ten opzichte van de valuta van het andere land,
omdat de vraag naar de munt groter is dan het aanbod (ontvangsten > uitgaven).
Een aparte vorm van beleggen is valutaspeculatie: Speculanten verwachten een
waardestijging of -daling van de valuta. Bij een verwachte stijging zullen valutaspeculanten
massaal de munt op de valutamarkt gaan kopen, waardoor de waarde daadwerkelijk stijgt.
→ Verwachtingen worden door gedrag waargemaakt: selffulfilling prophecy.
Bilaterale wisselkoers = de wisselkoers van twee munten ten opzichte van elkaar.
- Bij een dalende vraaglijn geldt: hoe lager de wisselkoers van land 1, (hoe goedkoper
producten uit dat land), hoe hoger de vraag naar producten uit land 1.
→ Negatief verband tussen de koers en de vraag
- Bij een stijgende aanbodlijn geldt: hoe hoger de koers van land 1, hoe goedkoper
producten uit land 2 zijn voor land1, hoe hoger het aanbod in land 2
→ Positief verband tussen de koers en het aanbod
De concurrentiepositie binnen bijvoorbeeld de eurozone wordt bepaald door ontwikkelingen
van de inflatie tussen lidstaten. De concurrentiepositie ten opzichte van landen buiten het eigen
gebied wordt bepaald door binnenlandse prijsontwikkeling en de wisselkoers.
De effectieve wisselkoers is de gemiddelde koers van de eigen munt ten opzichte van de
belangrijkste handelspartners. Hoe groter het aandeel van een handelspartner in de totale
handel, hoe groter het gewicht van een bepaalde wisselkoers.
Bij een handelsoverschot wordt er meer geëxporteerd dan geïmporteerd. Buitenlanden
hebben dus de munt nodig om goederen/diensten te kopen uit het andere land. Het
teveel ontvangen geld stroomt het land weer uit via leningen en beleggingen in
buitenlanden met een tekort → kapitaaluitstroom. Andersom gaat een handelstekort
samen met kapitaalinstroom.
,Binnenlandse economische ontwikkelingen spelen ook een rol bij veranderende
wisselkoersen. Stel dat de economie zich in een laagconjunctuur bevindt (weinig
import → saldo lopende rekening verbetert). Er kunnen twee dingen gebeuren:
1. Saldo van de financiële rekening verslechtert verder door meer netto kapitaaluitstroom.
a. Beleggers zien meer voordelen in beleggen in een ‘stabiel’ buitenland.
2. De wisselkoers stijgt
a. Er is in verhouding meer vraag naar de munt dan aanbod. De hogere koers zorgt
voor een verslechtering van de concurrentiepositie, waardoor er minder vraag
naar de munt komt. Saldo lopende rekening daalt weer gelijk aan het saldo op de
financiële rekening.
Als de wisselkoers verandert, ervaren de inwoners van dat valutagebied de
gevolgen daarvan in de binnenlandse economie. Als de wisselkoers van de euro
daalt ten opzichte van de dollar, worden producten in het eurogebied goedkoper
voor dollarlanden → meer export → meer binnenlandse productie nodig → gevolgen
voor de arbeidsmarkt
Twee oorzaken voor stijgende verkoopprijzen (inflatie):
1. Stijgende bestedingen leiden tot bestedingsinflatie
a. Hangt samen met een hoogconjunctuur
b. Positieve output gap: bestedingen overtreffen de potentiële productie (Y > Y*)
2. Stijgende productiekosten leiden tot kosteninflatie
a. Bedrijven rekenen (hogere) kosten door in hun verkoopprijzen
b. Vaak zijn bedrijven afhankelijk van buitenlandse producten. Als door
een daling van de wisselkoers de productiekosten stijgen →
geïmporteerde kosteninflatie
→ Bij beide oorzaken kan de wisselkoers een rol spelen
Er zijn twee verschillende wisselkoerssystemen:
1. Zwevende wisselkoersen (of: flexibele wisselkoersen)
a. Wisselkoers bepaald door vraag en aanbod op de valutamarkt
b. Ingaande en uitgaande geldstroom zijn op lange termijn in evenwicht
c. Schommelende wisselkoersen veroorzaken onzekerheid bij importeurs
en exporteurs → valutarisico/wisselkoersrisico
i. Bij een vooraf afgesproken prijs moet een importeur een hoger bedrag
betalen bij een onverwachte stijging van de buitenlandse wisselkoers
2. Vaste wisselkoersen
a. Landen spreken af dat de wisselkoers onderling niet/beperkt mag schommelen
i. Vastgestelde wisselkoers heet de spilkoers/pariteit
b. De ruimte waarbinnen de spilkoers mag schommelen heet de bandbreedte. Bij
een schommeling buiten de bandbreedte wordt er ingegrepen.
i. De CB kan ingrijpen door valuta-interventies of rentebeleid.
, Valuta-interventies = Het beïnvloeden van de wisselkoers door aankoop of verkoop van de
eigen munt.
↳ De centrale bank kan dit volhouden zolang zij beschikt over voldoende
valutareserve.
Rentebeleid = Het verhogen of verlagen van de rentevoet
↳ Geschikt middel om indirect de wisselkoers te reguleren.
Als beide ingrijpen niet werken, kan de spilkoers aangepast worden. Een verhoging van de
vastgestelde wisselkoers heet een revaluatie. Een daling van de vastgestelde wisselkoers heet
een devaluatie.
Vaste wisselkoersen hebben als voordeel meer zekerheid voor internationale handelaren. Je
geeft echter wel een stukje flexibiliteit en beleidsvrijheid op.
Het trilemma van het monetair beleid:
→ Maar twee van de volgende drie uitgangspunten kunnen tegelijkertijd worden
gehandhaafd:
● Zelfstandig monetair beleid
○ Hiervan is sprake als de CB de binnenlandse rente langdurig kan laten afwijken
van de rente op de internationale kapitaalmarkt
● Vrij (internationaal) kapitaalverkeer
○ Hiervan is sprake als bedrijven en gezinnen zonder belemmeringen kunnen
lenen, investeren en beleggen en andere landen
● Vaste wisselkoers
○ Hiervan is sprake als de waarde van de munt in vaste verhouding staat met
andere munten.
Combinatie A: Vrij kapitaalverkeer en een vaste wisselkoers
Voorbeeld: EMU. Bedrijven en gezinnen kunnen vrij sparen in alle landen in de eurozone.
Tussen de eurolanden geldt een vaste wisselkoers: €1 = €1. Als de centrale banken nu
zelfstandig monetair beleid zouden kunnen voeren, zouden ze de rente kunnen laten stijgen,
waardoor buitenlandse beleggers worden aangetrokken. Dit leidt tot meer vraag naar de euro,
waardoor de koers van de euro apprecieert. Dit komt niet overeen met een vaste wisselkoers,
dus een zelfstandig monetair beleid moet worden opgegeven.
Combinatie B: Zelfstandig monetair beleid en vrij kapitaalverkeer
Als een land kiest voor zelfstandig monetair beleid en vrij kapitaalverkeer, zullen er tussen
landen verschillende hoogtes van de rente ontstaan. Een land met een relatief hoge rente trekt
meer buitenlandse spaarders aan dan een land met relatief lage rente, waardoor er verschillen
tussen de wisselkoersen zullen ontstaan. Dit komt niet overeen met een vaste wisselkoers.
Combinatie C: Zelfstandig monetair beleid en een vaste wisselkoers