Deel 1: Algemene farmacologie
Farmacologie =
- Farmacokinetiek =
• Wat doet het lichaam met het geneesmiddel ---> geneesmiddelen = vaak
exogeen = lichaam zal stoffen willen verwijderen uit lichaam
• Hoe verschijnt en verdwijnt het geneesmiddel in het bloed?
- Farmacodynamiek =
• Wat doet het geneesmiddel met het lichaam?
• = relatie aan blootstelling van geneesmiddel en effect
Curves =
Linker curve = farmacokinetiek
= wat doet lichaam met het geneesmiddel = kwantificeren van
blootstelling aan geneesmiddel =
- Y-as = concentratie
- X-as = tijd
---> = typische presentatie van oraal geneesmiddel =
1. Stijgt tot bepaalde max concentratie
2. Na max absorptie = enkel dalende curve door verdere
verspreiding in lichaam + verwijdering dr lever en nier
Rechter curve = farmacodynamiek
= wat doet geneesmiddel met lichaam =
- X-as = blootstelling
- Y-as = effect van geneesmiddel ---> kan gewenst en ongewenst
---> = sigmoïdale curve = concentratie opdrijven op plaats waar geneesmiddel effect moet
uitoefenen = op bepaald moment max effect bereiken
---> toch hogere dosis geven = nog een hogere concentratie =
▪ Niet meer gewenst effect
▪ Wel meer niet-gewenst effect = neven effecten
---> want neveneffect = liggen rechts van curve ---> dus meer toedienen = C
stijgt = grafiek naar rechts = meer neveneffecten
===> beide info samen = wat is het bepaalde effect binnen een tijdsverloop
1
,Werkende dosis geneesmiddel pp =
= dosis hoeveelheid is verspreid over verschillende mensen =
sommige mensen hebben meer/minder nodig voor zelfde effect
---> = reden =
- Verschillen in farmacokinetiek
= patiënt kan geneesmiddel sneller elimineren uit
lichaam
- Verschillen in farmacodynamiek
= patiënt is gevoeliger voor medicijn op bepaalde plaats
Farmacokinetiek =
- Absorptie = geneesmiddel niet rechtstreeks in bloed toedienen ---> er zal transport zijn
van plaats van toediening naar systemische circulatie = unidirectioneel proces van
opname van plaats van toediening naar bloedcompartiment
- Binden aan plasma proteïnen =
• Albumine
---> = geneesmiddelen binden hier aan
• α1-zuur glycoproteïne
---> geneesmiddel meer vet oplosbaar = sterker eiwitgebonden door binding op
albumine meer wateroplosbaar worden
---> enkel ongebonden geneesmiddel kan migreren naar weefsel
---> wel gebonden = blijft in de bloedbaan ---> dus sterk eiwit gebonden = moeilijker
distribueerbaar naar weefsels
Mate van distributie =
- Vetoplosbaar = niet in bloedbaan blijven maar meer naar weefsel
- Wateroplosbaar = blijven eerder in bloedbaan
---> bidirectioneel effect = communicerende vaten
- Elimineren =
Enkel ongebonden geneesmiddelen --->
• Metabolisatie = biotransformatie = chemische modificatie ---> component
veranderd = meer wateroplosbaar maken = worden metabolieten =
▪ kunnen (in mindere mate) actief zijn
▪ zijn niet actief
• onveranderd uitscheiden = excretie (bv. nier)
2
, Transport over membraan =
- Passief transcellulair
- Paracellulair
- Actief trasport
1. Passieve niet-ionische diffusie
= geen energie nodig om te transporteren = met concentratiegradiënt
mee
---> snelheid transport = afhankelijk van verschillende factoren =
Permeabiliteit =
- D = verschilt bijna niet tussen middelen
- P = lipofiele karakter = verschilt wel tussen middelen
---> soorten =
o Sterk hydrofiel
o Sterk lipofiel
---> hoe groter P, hoe gemakkelijker transport
over celmembraan
- C1-C2 =
Hoe hoger, hoe meer passieve diffusie kan doorgaan
- d = hoe breed is afstand dat moet worden overbrugd
Ionisatiegraad =
Enkel niet geïoniseerde fracties kunnen migreren over celmembraan --->
- hoog = moeilijker over membraan
- laag = makkelijker door membraan ---> enkel niet-geïoniseerde medicatie kan door
membraan
---> berekenen = Henderso-Hesselbach
3
, Geneesmiddelen =
- Zwakke basen
• pH stijgt = meer en meer in niet geïoniseerde vorm aanwezig zijn ---> meer
vetoplosbaar = makkelijker over celmembraan
• pH daalt = meer en meer ionisatie
- Zwakke zuren
• pH stijgt = meer en meer ionisatie
• pH daalt = meer en meer niet-geïoniseerd zijn ---> = meer vetoplosbaar =
makkelijker over celmembraan migreren
---> grafiek =
pH neemt toe bij zwak zuur =
- Dikke grafiek = niet geïoniseerd
- Stippellijn = wel geïoniseerd
---> neemt af of stijgt naar mate pH veranderd
---> op bepaald moment = concentraties geïoniseerd + niet
geïoniseerd blijven dezelfde
Toepassing = acetylsalicylic zuur = aspirine ---> Zwak zuur geneesmiddel
---> oraal innemen =
- Maag = pH 1,4
- plasma = pH 7,4
--->
resultaten =
Maag Plasma
Geïoniseerd 1 10 000
Niet-geïoniseerd 100 1
Effect Makkelijk over membraan migreren ---> Niet makkelijk migreren over membraan =
weinig medicatie achterblijven in maag veel medicatie achterblijven
4