1.1. Diagnostiek in de klinische praktijk
Doel van de psychodiagnostiek = begrijpen wat er aan de hand is → impliceert voortdurend oordelen en beslissen
(bv. normaal gedrag of pathologisch? Welke stoornis? Hoe ontstaan, in stand gehouden,…?)
• Het gaat niet enkel over behandelen, een noodzakelijke voorwaarde voor goede behandeling is goede
diagnostiek
• Hiervoor is kennis nodig: diagnostische classificaties, psychopathologische theorieën, testen, vorm van
psychodiagnostisch onderzoek,…
Hoe kan men diagnostisch onderzoek zo vormgeven dat de kans op goed verloop zo groot mogelijk is?
• Aandacht voor valkuilen en voorspelbare fouten (heuristieken, biases)
• Onderzoeken op basis van psychologisch besliskundige theorieën
… om uiteindelijk zelf kritisch naar ons eigen functioneren te kijken tijdens een psychodiagnostisch onderzoek en zo
oordeelsfouten te vermijden
1.2. Heuristieken en biases in de klinische praktijk
Beslissingen nemen in klinische praktijk = complex: vaak is er onzekere en onvolledige informatie ter beschikking
en ben je genoodzaakt om heuristieken te gebruiken
= op ervaring gebaseerde, verkorte beslisroutes die vaak (maar niet altijd) tot
correcte uitkomsten leiden
Satisficen (= heuristiek gebruiken) Maximizen
Stoppen met zoeken naar informatie, met Zorgen voor maximaal correcte beslissing
beslissingsproces van zodra tevreden met uitkomst • Vaak onmogelijk in klinische setting
• Wanneer men uitkomst ‘goed genoeg’ vindt, • Quasi onmogelijk om alle mogelijke info
met onzekere en onvolledige informatie te verzamelen, en 100% zekere info te
• Ondanks vlotheid niet per se de allerbest verzamelen
haalbare
Er zijn 2 typen heuristieken (kunnen leiden tot efficiëntie (+), maar ook tot biases1 (-)):
• Geheugenheuristieken: denkroutes die gebruikmaken van herinnering
• Aandachtsheuristieken: informatie gebruiken die aandacht trekt
1.2.1. Geheugenheuristieken
Beschikbaarheidsheuristiek
= oordeel hangt af van hoe makkelijk informatie voor jou beschikbaar is in geheugen
• Hoe makkelijker iets beschikbaar is en dus wordt herinnerd, hoe makkelijker meegenomen in
beslissingsproces
o Invloed van media (bv. borderline komt meer voor in de media en vaktijdschriften waardoor het
beschikbaarder is en bijgevolg soms vaker wordt vastgesteld)
▪ Validiteit van oordeel is afhankelijk van hoe accuraat het geheugen is → feilbaar
▪ Geheugen is feilbaar; wordt makkelijk beïnvloed door twee zaken (die
kunnen leiden tot over- en onderdiagnosticeren)
• Bekendheid/vertrouwdheid: clinici die meer vertrouwd zijn met stoornis x
zullen zich ook makkelijker en sneller voorbeelden hiervan kunnen voorstellen
• Opvallendheid/levendigheid (saillantie)
o Aparte/uitzonderlijke cliënten makkelijker herinnerd
o Recency effect
▪ Recent behandelde cliënten > lang geleden
▪ Diagnoses die laatst veel in media voorkomen, … → mogelijke
verklaring voor toename diagnosen ADHD en bipolaire stoornis
, Gevolgen van gebruik: bij grote bekendheid/opvallendheid → overschatting (vs. onderschatting) waarschijnlijkheid
• DUS: laat je niet leiden door enkel hetgeen waar je vertrouwd mee bent enerzijds, maar zorg ook dat je
voldoende diepe en brede kennis hebt (je kan enkel vaststellen wat je kent)
Simulatieheuristiek
= oordeel hangt af van hoe makkelijk je een hypothetisch scenario mentaal kan simuleren
• Gaat over predictie of postdictie → een toekomstige gebeurtenis, hypothetische/contra-feitelijke
vraagstelling (bv. zou ze ook vreemdgegaan zijn als ze die ene man niet ontmoet had? Zou hij geen zelfmoord
gepleegd hebben indien we deze behandeling hadden geprobeerd? Zal de jongen die nu gepest wordt PTSS
ontwikkelen?...)
• Informatie is niet feitelijk beschikbaar → gebeurtenis mentaal stimuleren
o Hoe makkelijker simuleren (mentaal scenario afspelen), hoe waarschijnlijker je die gebeurtenis vindt
o Gebeurt op basis van eigen ervaringen, kennis uit literatuur
Conceptueel: zowel bij beschikbaarheids- als simulatieheuristiek wordt moeilijke vraag vertaald in
makkelijkere vraag, nl. hoe makkelijk je voorbeelden kan herinneren vs. voorstellen
Verankering en aanpassingsheuristiek
= van een willekeurige beginwaarde wordt te weinig afgeweken in het eindoordeel
• Niet enkel door leken gebruikt, ook door professionals (bv. juridische oordelen, medici, psychologen, … →
gaat vaak over eerder oordeel van collega of verwijsbrief huisarts als ‘anker’)
• Wanneer problematisch? Als anker disproportioneel grote invloed op uiteindelijk oordeel, en dit ten
koste van andere (relevantere) informatie die pas later beschikbaar komt
• Wanneer? Vooral in diagnostische fase
o Voorbeeldstudie: aan clinici groep A suggestie gegeven dat patiënt borderline PST zou kunnen
hebben, aan de andere paranoïde PST → meeste uiteindelijke diagnoses waren conform
suggestie, ook al was het eenzelfde patiënt
o Vaak voorkomende ankers waar men bij in de buurt blijft
▪ Verwijsbrief arts
▪ Groep waarmee patiënt vergeleken wordt: eenzelfde cliënt wordt als gezonder
ingeschat als clinicus normaal werkt met patiënten met ernstigere klachten
▪ Introductie als cliënt of als sollicitant: eenzelfde persoon meer gestoord gezien indien
deze wordt geïntroduceerd als cliënt
Dus: vermijd/wees kritisch tegenover informatie van verwijzer, de indruk bij aanmelding,…
Positieve teststrategie (en confirmation bias)
= bij vermoedens (van bv. bepaalde classificatie) testen afnemen waarvan verwacht wordt dat het hypothese
bevestigt, i.t.t. testen die een alternatief kunnen suggereren
• Mens heeft neiging om te zoeken naar info die hypothese bevestigt (→ weerlegt), en houdt er niet
van ongelijk te hebben
• Kan leiden tot confirmation bias: alleen info zien die bij eigen idee past, niet informatie die ertegenin
gaat
o Mogelijks sprake van self-fulfilling prophecy: je vindt wat je verwacht te vinden
o Veelvoorkomend en hardnekkig (iedereen houdt ervan eigen ideeën bevestigd te zien, en
eigen ongelijk voelt steeds wat vreemd)
→ Popper’s falsification: proberen falsifiëren is beste manier om aan wetenschap te doen en
tot goed onderbouwde conclusie te komen → hoe meer je hypothese niet kunt ontkrachten,
hoe meer vertrouwen dat die klopt
• Deze heuristiek ook bevestigd bij clinici
o Onderzoek: moesten hypothese opstellen over cliënt en deze dan toetsen; hadden vooral
neiging vragen te stellen die de hypothese bevestigden
o Minder eenduidige symptomen worden vaak in de richting van de hypothese geïnterpreteerd
o Indien informatie over een cliënt herinneren nadat hypothese geformuleerd is, wordt vooral
de informatie beter onthouden die in overeenstemming is met hypothese